ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ
1
DIALECTGROEP: Woorden in ‘plat bèès’
2
3
DialectIn een zinBetekenis
4
aachterstalde ruimte achter de koeien
5
aaterènik kom aaterènmeteen, direct; ik kom meteen
6
aauw fiepoude zeur
7
afblottenafbladderen (van schilderwerk)
8
afgehaldnet de toffel afgehaldnet de tafel afgeruimd
9
afzettenik moet afzettenurineren, plassen; ik moet plassen
10
àllinggeheel
11
àlling’n àlling half mudeen hele halve mud (inhoudsmaat)
12
àlling slim’t is àlling slimhelemaal krom; het is helemaal krom
13
alzeleevealtijd al, ook wel: beslist (ik geleuf ‘m al ze leeve)
14
ammelallemaal
15
an oew hakkeje kunt me wat
16
àn of tenòòd’r is iets àn of tenòòer mankeert iets aan
17
angeskeete angeskeete kommete laat komen en niet welkom zijn
18
ànkeered’n hèrd ànkeereaanvegen; de woonkamer aanvegen
19
ànkeerez’nne kant ànkeerezich verweren
20
ànrecommanderenaanbevelen
21
anskietenun kozeijn anskieteneen stuk kozijn vervangen
22
ànuuverenaansporen, ijverig maken
23
ànwerk’t ànwerk makenhet begin maken
24
apperentiezodde nie ‘ns apperentie makenopschieten, ergens aan beginnen; zou je niet
25
arrig ge zet 'n arrig dingraar, eigenaardig, je bent en eigenaardig meisje
26
as trikkenin het op de tegels gestrooide zand figuren maken
27
auw fiepiemand die kletspraat verkoopt
28
auw reloude fiets; ook oudere vrouw
29
avveserege moet ’n bietje avvesereopschieten; je moet ’n beetje opschieten
30
b’onsbij ons
31
b’ullieb’ons, b’ullie en b’ander miensebij jullie; bij ons, bij jullie en bij andere mensen
32
baktandhij hi me al m’n baktaand getrokkekies; hij heeft alle kiezen getrokken
33
bàlliejen waggelend slenteren
34
banjerenSlenteren
35
baojemoeizaam door ruigte lopen
36
baole schollukschort gemaakt van een juten zak
37
baolzakgrote juten zak
38
baomisweer
slecht weer (afgeleid van St.Bavo als de boeren pacht betaalden)
39
bazzeloen’n skòn bazzeloentjeoverhemd; een mooi overhemd
40
bè jaja, het is zo
41
bè néénee, zeker niet
42
bèbouwbijgebouw
43
bedienensacrament van zieken toedienen
44
bèènskaftem’n bèènskafte àndoenleren beenkappen tussen knie en enkel
45
begaojenlilluk begaojdfout/verkeerd gedaan; een lelijke fout gemaakt
46
begenkenismoeilijk, lastig of groot karwei
47
begèrredè zou ik ook begèrregraag hebben, lusten; dat wil ik ook graag
48
bekèksveul bekèks hebbenbelangstelling; in de belangstelling staan
49
bèkkerik heb unnen bèkker gevangenmannelijke meikever
50
beknikkelenopknappen na ziekte
51
bèmhij hagget geleijk bèmbij zich; hij had alles bij zich
52
bèmmeleop en neer schudden; ook wel slaan
53
bèmmeleuiereen groot uier
54
benneke’n benneke vur de erpelmandje; een mandje voor de aardappels
55
bentelspie of wig; klompenmakerij en houtbewerking
56
bèrze hànt bèrze hadden het bij zich
57
bèrmhèrtig bèrmhèrtig gezopeverschrikkelijk veel gedronken
58
Bert-oomome Bert
59
berzie’n berzie klerazzie’n hoop, grote hoeveelheid kleren
60
besniejtenbezuren
61
bessem hauwen
vrij hof (als de baas en bazin wegwaren stak men de bezem uit op een boerderij
62
bessem hebbevrijhof hebben
63
bestèèkeze han hum daor goewd bestookecadeau doen; ze hadden hem flink wat gegeven
64
bestuijtencomplimenten geven
65
Bet-moettante Bet
66
beum en bumkesbomen en boompjes
67
bèùtega mar bèùte speulenbuiten; ga maar buiten spelen
68
béverthij ging te bévert naor d’n H.Eikter bedevaart gaan
69
bèwheddet bèw ?heb je het bij je ?
70
bezèijelangs, naast
71
bezweeijda waor un hil bezweeij
gedoe, groot voorwerp; dat was een heel gedoe een groot ding, een hele toestand
72
bibberkortsziekte van Parkinson
73
bibberkuntjesTrilgras
74
biebèèterUnne dubbele biebèèterKolmeesje met een dubbel legsel (ca. 24 eitjes)
75
biejbèètermeesje, koolmees
76
biejboerimker, bijenhouder
77
bizzemebessen
78
blajkesblaadjes van een boom; ook: ’n velletje papier
79
blakkedaor kumt ’t t’n blakkedaar komt de ware oorzaak aan het licht
80
blaokeun blaokende kàrsflakkeren; een flakkerende kaars
81
blaorde blaor vallen van de beumbladeren; de bladeren vallen van de bomen
82
blauwpieperheggenmus
83
blèèkdiepe kuil waarin de was werd gespoeld
84
bléézenzemelen (vliesje om de korenkorrel)
85
blèijkde was ligt op d’n blèijk
grasveld waarop de was werd gelegd om te bleken; ook brandkuil
86
bleijneblaren (op voeten/handen; brandblaren)
87
blèk
d’n blèk van d’n boom afdoen; d’n boom blèkken
schors; de schors van een boom verwijderen;
88
blèkèrsthij ha d’n blèkèrst van ’t gaon
schraalheid van de bilnaad; bij het lopen kreeg hij een schrale bilnaad
89
blèkskupkeschopje om boom te ontschorsen
90
bliekenze stonne aachter ’t skop te bliekengluren; ze stonden achter de schuur te gluren
91
blokkent vuur blokt nogsmeulen, het vuur smeult nog
92
blomzuujtblomzuut kijken’n beetje scheel kijken
93
blóót spolleDekens wegduwen waardoor bedgenoot bloot ligt
94
bluujkeklein kind, schatje, dreumes
95
bochtgrond achter de boerderij, rommel, onkruid
96
boegend boekweit
97
bojmes
bodemmes; hiermee wordt de voetzool van de klomp uitgesneden
98
bolscheut’t is mar ‘nne bolscheut wèèdklein eindje; het is maar ’n klein eindje hier vandaan
99
bolsturig/bolstierigonbehouwen, onbesuisd
100
bònnebònne poowlebonen; bonen pellen