CE 2020
1
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro
Publius Vergilius Maro
Examen Latijn 2020*
�
�*Disclaimer. Met dit PowerPoint document wil ik de examenkandidaten Latijn 2020 extra ondersteuning geven. De gescandeerde verzen zijn hopelijk foutloos, maar waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt. Meld mij eventuele onvolkomenheden (m.dehoon@jdw.nl). Aan de inhoud van dit examendocument kunnen vanwege bovenstaande geen rechten ontleend worden.
CE 2020
2
Vergilius
* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Latijnse teksten. Dat zijn 617 verzen.
CE 2020
3
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro
* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel
CE 2020
4
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Wat moet je allemaal doen? Veel lezen sowieso!
* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel
CE 2020
5
Superlatijn? Was da?
Da’s ditte…
Alleen geen
examendocument
meer….
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Website www.superlatijn.nl
CE 2020
6
Lionello Spada
CE 2020
8
Dit lijkt op een aantekeningenschrift:
Vertaling van de tekst met een grote regelafstand,
zodat je veel aantekeningen kunt maken bij een
versregel.
Er zijn vaak veel aantekeningen te maken en
als je te weinig ruimte neemt kun je niet alle
aantekeningen maken. Dat zou een beetje jammer
zijn, want dan ben je toch minder goed voorbereid op
de twee zware toetsen die nog gaan komen. Je weet
wel, die met weging 4 en waar je ook bij moet
vertalen. Maar ja, je mag er dan ook twee uren aan
werken.
Lesuren, geen klokuren.
vertaling: zelfstandig naamwoord
grote: bijvoeglijk naamwoord
jammer: sneu, triest, synoniem
twee: telwoord, geen hyperbool
4: kanone, dat was niet afgesproken!
lesuren ≠ klokuren
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Hoe maak je aantekeningen?
CE 2020
9
S
Als je deze rechts boven in de hoek ziet staan ga je de tekst op de dia eerst SCANDEREN! De letterspatiëring is op dat soort dia’s aangepast. Tekst goed overnemen en aan de slag. De dactylische hexameter mag geen geheimen meer voor je hebben. En de oplossing staat steeds … op de volgende dia! Leuker kunnen we het niet maken.
S
S
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro
CE 2020
10
Basisschema dactylische hexameter:
|
|
|
|
|
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
—
—
—
—
—
—
1
2
3
4
5
6
—
—
—
—
—
—
Twee U te vervangen door één —
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. SCANDEREN
Let goed op bij elisie. Bij elisie gaat de laatste lettergreep van het eerste woord, die eindigt op een klinker, een tweeklank of een –m, op in de eerste lettergreep van het tweede woord. De letter h telt niet als medeklinker, maar vervalt. Soms is de letter i een j (en dus geen klinker!), soms gewoon een i: iuvenis is te beschouwen als ju-ve-nis (3 lettergrepen, niet 4), regina gewoon als re-gi-na (keurig 3 lettergrepen).
Elisie is op twee manieren aangegeven op de dia’s, waarop tekst is voor gescandeerd. Er staat een elisieboogje onder de twee betrokken woorden ( ) en, afhankelijk van de lengte van de uiteindelijke lettergreep in bruin een lange makron ( ) of een wat grotere breve ( ). Makkelijker kunnen we het niet maken…
͞͞ ͞
U
CE 2020
11
Examen Latijn 2019: scanderen
Basisschema dactylische hexameter:
|
|
|
|
|
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
—
—
—
—
—
—
1
2
3
4
5
6
—
—
—
—
—
—
Even iets over de laatste lettergreep van het vers, dus de tweede lettergreep van de zesde voet.
Op het examen mag je de laatste lettergreep altijd als (lang) noteren. Maar soms is die lettergreep echt (kort)! Denk aan een ABL SG van een substantivum van de 3e declinatie (regĕ, patrĕ, orĕ) of de NOM SG van de a-declinatie (sagittă), of aan de slot-e van een INF (manerĕ). De afspraak is dat je dat niet hoeft te weten. Mooi als je het wél weet natuurlijk, maar altijd een noteren is toegestaan.
Bij de scansie van de voorgedane verzen is er in dat geval een neergezet,
maar in rood ( ). Dan zie je meteen dat daar een breve hoort en geen makron.
—
U
—
U
U
nummering voeten is niet verplicht!
Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. SCANDEREN
CE 2020
12
Aeneis I
De goden en het lot van Aeneas (hoofdstuk 2)
Aeneis I
Aeneas ontmoet zijn moeder (hoofdstuk 3)
Aeneis IV
Aeneas en Dido (hoofdstuk 6)
Aeneis VIII
Aeneas en Euander (hoofdstuk 9)
Aeneis VIII
Het nieuwe schild voor Aeneas (hoofdstuk 10)
Aeneis I
De goden en het lot van Aeneas (hoofdstuk 2)
Aeneis I
Aeneas ontmoet zijn moeder (hoofdstuk 3)
Aeneis IV
Aeneas en Dido (hoofdstuk 6)
Aeneis VIII
Aeneas en Euander (hoofdstuk 9)
Aeneis VIII
Het nieuwe schild voor Aeneas (hoofdstuk 10)
CE 2020
13
De goden
en het lot
van Aeneas
Aeneis
2
liber I
14
M. de Hoon - Johan de Witt-gymnasium
Vertaalwedstrijd voor gymnasiasten. Vind je Latijn leuk? Oefen je graag met extra Latijn als je niet zo sterk bent? Wil je gewoon alles uit je gymnasiumcarrière halen wat er in zit, zelfs eeuwige roem?
Je leest een klein pensum (Iuvenalis, een satyricus) en daar moet je op de toets vragen over kunnen beantwoorden. Gewoon, vragen die je gewend bent: grammaticaal, inhoudelijk, stilistisch.
Inschrijving geopend: mail aan m.dehoon@jdw.nl. Snel inschrijven!
Eerste selectieronde op school: vrijdag 1 november 9e en 10e uur. Noteer de datum in je agenda.
CE 2020
15
Wapenfeiten en de man bezing ik, die als eerste vanaf de kusten van Troje op de vlucht door het noodlot naar Italië kwam en naar de stranden van Lavinium, nadat hij veel én over land én over zee voortgejaagd was door de macht van de goden, wegens de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno, nadat hij ook in de oorlog veel geleden had, totdat hij een stad zou stichten en zijn goden Latium binnen zou brengen; vandaar het Latijnse geslachten de Albaanse vaderen en de muren van het hoge Rome. Muze, verhaal mij de oorzaken, door welke belediging van haar goddelijke macht of waarover verbitterd de koningin der goden een man, in het oog springend door plichtsbesef gedwongen heeft zoveel lotgevallen te ondergaan, zoveel inspanningen op zich te nemen. Zijn/is er dan zo grote woede(s) in de harten van de hemelingen?
Er was een oude stad (Tyrische kolonisten bewoonden die) Carthago, tegenover Italië en in de verte tegenover de Tiber-
monding, rijk aan schatten en zeer woest in haar verlangens naar/voorliefde voor oorlog, die, zo zegt men, Juno in het bijzonder, meer dan alle landen gekoesterd heeft, zelfs met achterstelling van Samos. Hier waren haar wapens, hier haar wagen; dat deze de heerseres over de volkeren was, als het noodlot het op de een of andere manier toestond, daar spande de godin zich toen al voor in en ze koesterde die wens. Maar eigenlijk had ze gehoord dat uit Trojaans bloed nageslacht voortkwam dat eenmaal de Tyrische burcht zou verwoesten; dat hieruit een volk zou komen, wijd en zijd heersend en trots in de oorlog, ter verwoesting van Libië; dat de Parcen het zo beschikten. Saturnus’ dochter, daarvoor bang en denkend aan de oude oorlog die zij eerder bij Troje voor haar geliefde Argos gevoerd had – en ook waren nog niet de oorzaken van haar boosheid en het wrede verdriet uit haar hart verdwenen; diep in haar geest blijft weggeborgen het oordeel van Paris en het onrecht van haar versmade schoonheid en het gehate geslacht en het ereambt van de geschaakte Ganymedes – hield, door deze dingen bovendien geïrriteerd, de Trojanen, die over de hele zee heen en weer gejaagd waren, restanten van de Danai en van de meedogenloze Achilles, ver weg van Latium, en gedurende vele jaren zwierven zij, gedreven door de lotsbeschikkingen, over alle zeeën rond. Zoveel inspanning kostte het om het Romeinse volk te stichten. (Aen. I, 1 – 33)
CE 2020
16
Wapenfeiten en de man bezing ik, die als eerste vanaf de kusten van TROJE op de vlucht door het noodlot naar Italië kwam en naar de stranden van Lavinium, nadat hij veel én over land én over zee voortgejaagd was door de macht van de goden, wegens de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno, nadat hij ook in de oorlog veel geleden had, totdat hij een stad zou stichten en zijn goden Latium binnen zou brengen; vandaar het Latijnse geslachten de Albaanse vaderen en de muren van het hoge ROME. Muze, verhaal mij de oorzaken, door welke belediging van haar goddelijke macht of waarover verbitterd de koningin der goden een man, in het oog springend door plichtsbesef gedwongen heeft zoveel lotgevallen te ondergaan, zoveel inspanningen op zich te nemen. Zijn/is er dan zo grote woede(s) in de harten van de hemelingen? (Aen. I, 1 – 11)
CE 2020
17
Er was een oude stad (Tyrische kolonisten bewoonden die) Carthago, tegenover Italië en in de verte tegenover de Tibermonding, rijk aan schatten en zeer woest in haar verlangens naar/voorliefde voor oorlog, die, zo zegt men, Juno in het bijzonder, meer dan alle landen gekoesterd heeft, zelfs met achterstelling van Samos. Hier waren haar wapens, hier haar wagen; dat deze de heerseres over de volkeren was, als het noodlot het op de een of andere manier toestond, daar spande de godin zich toen al voor in en ze koesterde die wens. Maar eigenlijk had ze gehoord dat uit Trojaans bloed nageslacht voortkwam dat eenmaal de Tyrische burcht zou verwoesten; dat hieruit een volk zou komen, wijd en zijd heersend en trots in de oorlog, ter verwoesting van Libië; dat de Parcen het zo beschikten. Saturnus’ dochter, daarvoor bang en denkend aan de oude oorlog die zij eerder bij Troje voor haar geliefde Argos gevoerd had – en ook waren nog niet de oorzaken van haar boosheid en het wrede verdriet uit haar hart verdwenen; diep in haar geest blijft weggeborgen het oordeel van Paris en het onrecht van haar versmade schoonheid en het gehate geslacht en het ereambt van de geschaakte Ganymedes – hield, door deze dingen bovendien geïrriteerd, de Trojanen, die over de hele zee heen en weer gejaagd waren, restanten van de Danai en van de meedogenloze Achilles, ver weg van Latium, en gedurende vele jaren zwierven zij, gedreven door de lotsbeschikkingen, over alle zeeën rond. Zoveel inspanning kostte het om het Romeinse volk te stichten. (Aen. I, 12 – 33)
CE 2020
18
1177
1184
814 - 146
Rome: 753
Minimaal opmerkelijk:
(Met dank aan: https://medium.com/in-medias-res/back-to-the-future-in-virgils-aeneid-2e69efa6cf2f )
1176
CE 2020
19
Aeneas
Lavinia
Creüsa
Ascanius
Silvius
Jupiter
Elektra
Priamus
Dardanus
Proca
Amulius
Numitor
Rhea Silvia
Mars
Romulus
Remus
Venus
Anchises
CE 2020
20
Et iam finis erat, cum Iuppiter aethere summo
despiciens mare velivolum terrasque iacentis
225 litoraque et latos populos, sic vertice caeli
constitit et Libyae defixit lumina regnis.
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 223 - 226
S
CE 2020
21
Et iam finis erat, cum Iuppiter aethere summo
despiciens mare velivolum terrasque iacentis
225 litoraque et latos populos, sic vertice caeli
constitit et Libyae defixit lumina regnis.
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 223 - 226
S
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
U
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
U
͞͞ ͞
CE 2020
22
Atque illum talis iactantem pectore curas
tristior et lacrimis oculos suffusa nitentis
adloquitur Venus: ‘O qui res hominumque deumque
230 aeternis regis imperiis et fulmine terres,
quid meus Aeneas in te committere tantum,
quid Troes potuere, quibus, tot funera passis,
cunctus ob Italiam terrarum clauditur orbis?
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 227 - 233
CE 2020
23
Certe hinc Romanos olim, volventibus annis,
235 hinc fore ductores, revocato a sanguine Teucri,
qui mare, qui terras omnis dicione tenerent,
pollicitus – Quae te, genitor, sententia vertit?’
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 234 - 237
CE 2020
24
‘Hoc equidem occasum Troiae tristisque ruinas
solabar fatis contraria fata rependens;
240 nunc eadem fortuna viros tot casibus actos
insequitur. Quem das finem, rex magne, laborum?
H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 238 - 241
CE 2020
25
Antenor potuit mediis elapsus Achivis
Illyricos penetrare sinus atque intima tutus
regna Liburnorum et fontem superare Timavi,
245 unde per ora novem vasto cum murmure montis
it mare proruptum et pelago premit arva sonanti.
H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 242 - 246
CE 2020
26
Hic tamen ille urbem Patavi sedesque locavit
Teucrorum et genti nomen dedit armaque fixit
Troia, nunc placida compostus pace quiescit:
250 nos, tua progenies, caeli quibus adnuis arcem,
navibus (infandum!) amissis unius ob iram
prodimur atque Italis longe disiungimur oris.
Hic pietatis honos? Sic nos in sceptra reponis?’
H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 247 - 253
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
CE 2020
27
Olli subridens hominum sator atque deorum
255 vultu, quo caelum tempestatesque serenat,
oscula libavit natae, dehinc talia fatur: dehinc > djinc: synizesis
‘Parce metu, Cytherea, manent immota tuorum
fata tibi; cernes urbem et promissa Lavini
moenia sublimemque feres ad sidera caeli
260 magnanimum Aenean; neque me sententia vertit.
H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 254 - 260
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
CE 2020
28
Hic tibi (fabor enim, quando haec te cura remordet,
longius, et volvens fatorum arcana movebo)
bellum ingens geret Italia populosque ferocis
contundet moresque viris et moenia ponet,
265 tertia dum Latio regnantem viderit aestas,
ternaque transierint Rutulis hiberna subactis.’
H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 261 - 266
CE 2020
29
‘At puer Ascanius, cui nunc cognomen Iulo
additur (Ilus erat, dum res stetit Ilia regno),
triginta magnos volvendis mensibus orbis
270 imperio explebit, regnumque ab sede Lavini
transferet, et Longam multa vi muniet Albam.
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 267 - 271
CE 2020
30
Hic iam ter centum totos regnabitur annos
gente sub Hectorea, donec regina sacerdos
Marte gravis geminam partu dabit Ilia prolem.
275 Inde lupae fulvo nutricis tegmine laetus
Romulus excipiet gentem et Mavortia condet
moenia Romanosque suo de nomine dicet.
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 272 - 277
CE 2020
31
His ego nec metas rerum nec tempora pono:
imperium sine fine dedi. Quin aspera Iuno,
280 quae mare nunc terrasque metu caelumque fatigat,
consilia in melius referet, mecumque fovebit
Romanos, rerum dominos gentemque togatam.’
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 278 - 282
S
CE 2020
32
His ego nec metas rerum nec tempora pono:
imperium sine fine dedi. Quin aspera Iuno,
280 quae mare nunc terrasque metu caelumque fatigat,
consilia in melius referet, mecumque fovebit
Romanos, rerum dominos gentemque togatam.’
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 278 - 282
S
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞͞ ͞
CE 2020
33
‘Sic placitum. Veniet lustris labentibus aetas
cum domus Assaraci Pthiam clarasque Mycenas
285 servitio premet ac victis dominabitur Argis.
H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 282 - 285
CE 2020
34
Nascetur pulchra Troianus origine Caesar,
imperium Oceano, famam qui terminet astris,
Iulius, a magno demissum nomen Iulo.
Hunc tu olim caelo spoliis Orientis onustum
290 accipies secura; vocabitur hic quoque votis.
H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 286 - 290
CE 2020
35
Aspera tum positis mitescent saecula bellis:
cana Fides et Vesta, Remo cum fratre Quirinus
iura dabunt; dirae ferro et compagibus artis
claudentur Belli portae; Furor impius intus
295 saeva sedens super arma et centum vinctus aënis
post tergum nodis fremet horridus ore cruento.’
H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 291 - 296
CE 2020
36
Haec ait et Maia genitum demittit ab alto,
ut terrae utque novae pateant Karthaginis arces
hospitio Teucris, ne fati nescia Dido
300 finibus arceret. Volat ille per aëra magnum
remigio alarum ac Libyae citus astitit oris.
H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 297 - 301
CE 2020
37
Et iam iussa facit, ponuntque ferocia Poeni
corda volente deo; in primis regina quietum
accipit in Teucros animum mentemque benignam.
H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 302 - 304
CE 2020
38
Aeneas ontmoet zijn moeder
3
Aeneis
liber I
CE 2020
39
305 At pius Aeneas, per noctem plurima volvens,
ut primum lux alma data est, exire locosque
explorare novos, quas vento accesserit oras,
qui teneant (nam inculta videt), hominesne feraene,
quaerere constituit, sociisque exacta referre.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 305 - 309
S
CE 2020
40
305 At pius Aeneas, per noctem plurima volvens,
ut primum lux alma data est, exire locosque
explorare novos, quas vento accesserit oras,
qui teneant (nam inculta videt), hominesne feraene,
quaerere constituit, sociisque exacta referre.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 305 - 309
S
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
41
310 Classem in convexo nemorum sub rupe cavata
arboribus clausam circum atque horrentibus umbris
occulit; ipse uno graditur comitatus Achate,
bina manu lato crispans hastilia ferro.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 310 - 313
CE 2020
42
Cui mater media sese tulit obvia silva,
315 virginis os habitumque gerens, et virginis arma
Spartanae, vel qualis equos Threissa fatigat
Harpalyce, volucremque fuga praevertitur Hebrum.
Namque umeris de more habilem suspenderat arcum
venatrix, dederatque comam diffundere ventis,
320 nuda genu, nodoque sinus collecta fluentis.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 314 - 320
CE 2020
43
Ac prior, ‘Heus’, inquit, ‘iuvenes, monstrate, mearum
vidistis si quam hic errantem forte sororum,
succinctam pharetra et maculosae tegmine lyncis,
aut spumantis apri cursum clamore prementem.’
H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 321 - 324
CE 2020
44
325 Sic Venus et Veneris contra sic filius orsus:
‘Nulla tuarum audita mihi neque visa sororum,
o quam te memorem, virgo? Namque haud tibi vultus
mortalis, nec vox hominem sonat; o, dea certe
(an Phoebi soror? an Nympharum sanguinis una?),...
H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 325 - 329
CE 2020
45
330 ... sis felix, nostrumque leves, quaecumque, laborem,
et, quo sub caelo tandem, quibus orbis in oris
iactemur, doceas: ignari hominumque locorumque
erramus, vento huc vastis et fluctibus acti.
Multa tibi ante aras nostra cadet hostia dextra.’
H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 330 - 334
CE 2020
46
335 Tum Venus: ‘Haud equidem tali me dignor honore;
virginibus Tyriis mos est gestare pharetram
purpureoque alte suras vincire cothurno.
Punica regna vides, Tyrios et Agenoris urbem;
sed fines Libyci, genus intractabile bello.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 335 - 339
S
CE 2020
47
335 Tum Venus: ‘Haud equidem tali me dignor honore;
virginibus Tyriis mos est gestare pharetram
purpureoque alte suras vincire cothurno.
Punica regna vides, Tyrios et Agenoris urbem;
sed fines Libyci, genus intractabile bello.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 335 - 339
S
͞
U
͞
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞͞ ͞
CE 2020
48
340 Imperium Dido Tyria regit urbe profecta,
germanum fugiens. Longa est iniuria, longae
ambages; sed summa sequar fastigia rerum.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 340 - 342
CE 2020
49
Huic coniunx Sychaeus erat, ditissimus auri
Phoenicum, et magno miserae dilectus amore,
345 cui pater intactam dederat, primisque iugarat
ominibus. Sed regna Tyri germanus habebat
Pygmalion, scelere ante alios immanior omnis.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 343 - 347
CE 2020
50
Quos inter medius venit furor. Ille Sychaeum
impius ante aras, atque auri caecus amore,
350 clam ferro incautum superat, securus amorum
germanae; factumque diu celavit, et aegram,
multa malus simulans, vana spe lusit amantem.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 348 - 352
S
CE 2020
51
Quos inter medius venit furor. Ille Sychaeum
impius ante aras, atque auri caecus amore,
350 clam ferro incautum superat, securus amorum
germanae; factumque diu celavit, et aegram,
multa malus simulans, vana spe lusit amantem.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 348 - 352
S
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
52
Ipsa sed in somnis inhumati venit imago
coniugis, ora modis attollens pallida miris;
355 crudelis aras traiectaque pectora ferro
nudavit, caecumque domus scelus omne retexit.
Tum celerare fugam patriaque excedere suadet,
auxiliumque viae veteres tellure recludit
thesauros, ignotum argenti pondus et auri.
H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 353 - 359
CE 2020
53
360 His commota fugam Dido sociosque parabat.
Conveniunt, quibus aut odium crudele tyranni
aut metus acer erat; navis, quae forte paratae,
corripiunt, onerantque auro. Portantur avari
Pygmalionis opes pelago; dux femina facti.
H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 360 - 364
CE 2020
54
365 Devenere locos, ubi nunc ingentia cernes
moenia surgentemque novae Karthaginis arcem,
mercatique solum, facti de nomine Byrsam,
taurino quantum possent circumdare tergo.
H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 365 - 368
CE 2020
55
Sed vos qui tandem? Quibus aut venistis ab oris?
370 Quove tenetis iter?’ Quaerenti talibus ille
suspirans, imoque trahens a pectore vocem:
‘O dea, si prima repetens ab origine pergam,
et vacet annalis nostrorum audire laborum,
ante diem clauso componet Vesper Olympo.
H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 369 - 374
CE 2020
56
375 Nos Troia antiqua, si vestras forte per auris
Troiae nomen iit, diversa per aequora vectos
forte sua Libycis tempestas appulit oris.
Sum pius Aeneas, raptos qui ex hoste penatis
classe veho mecum, fama super aethera notus;
380 Italiam quaero patriam, et genus ab Iove summo.
H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 375 - 380
CE 2020
57
Bis denis Phrygium conscendi navibus aequor,
matre dea monstrante viam, data fata secutus;
vix septem convulsae undis Euroque supersunt.
Ipse ignotus, egens, Libyae deserta peragro,
385 Europa atque Asia pulsus.’ Nec plura querentem
passa Venus medio sic interfata dolore est:
H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 381 - 386
CE 2020
58
‘Quisquis es, haud, credo, invisus caelestibus auras
vitalis carpis, Tyriam qui adveneris urbem;
perge modo, atque hinc te reginae ad limina perfer.
390 Namque tibi reduces socios classemque relatam
nuntio, et in tutum versis Aquilonibus actam,
ni frustra augurium vani docuere parentes.
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 387 - 392
S
CE 2020
59
‘Quisquis es, haud, credo, invisus caelestibus auras
vitalis carpis, Tyriam qui adveneris urbem;
perge modo, atque hinc te reginae ad limina perfer.
390 Namque tibi reduces socios classemque relatam
nuntio, et in tutum versis Aquilonibus actam,
ni frustra augurium vani docuere parentes.
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 387 - 392
S
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
60
Aspice bis senos laetantis agmine cycnos,
aetheria quos lapsa plaga Iovis ales aperto
395 turbabat caelo; nunc terras ordine longo
aut capere aut captas iam despectare videntur:
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 393 - 396
CE 2020
61
ut reduces illi ludunt stridentibus alis,
et coetu cinxere polum, cantusque dedere,
haud aliter puppesque tuae pubesque tuorum
400 aut portum tenet aut pleno subit ostia velo.
Perge modo et, qua te ducit via, dirige gressum.’
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 397 - 401
CE 2020
62
Dixit, et avertens rosea cervice refulsit,
ambrosiaeque comae divinum vertice odorem
spiravere; pedes vestis defluxit ad imos,
405 et vera incessu patuit dea. Ille ubi matrem
agnovit, tali fugientem est voce secutus:
H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 402 - 406
CE 2020
63
‘Quid natum totiens, crudelis tu quoque, falsis
ludis imaginibus? Cur dextrae iungere dextram
non datur, ac veras audire et reddere voces?’
410 Talibus incusat, gressumque ad moenia tendit.
H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 407 - 410
CE 2020
64
At Venus obscuro gradientis aëre saepsit,
et multo nebulae circum dea fudit amictu,
cernere ne quis eos neu quis contingere posset,
molirive moram, aut veniendi poscere causas.
415 Ipsa Paphum sublimis abit, sedesque revisit
laeta suas, ubi templum illi, centumque Sabaeo
ture calent arae, sertisque recentibus halant.
H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 411 - 417
CE 2020
65
Corripuere viam interea, qua semita monstrat,
iamque ascendebant collem, qui plurimus urbi
420 imminet, adversasque aspectat desuper arces.
Miratur molem Aeneas, magalia quondam,
miratur portas strepitumque et strata viarum.
H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 418 - 422
CE 2020
66
Instant ardentes Tyrii: pars ducere muros,
molirique arcem et manibus subvolvere saxa,
425 pars optare locum tecto et concludere sulco;
iura magistratusque legunt sanctumque senatum.
Hic portus alii effodiunt; hic alta theatris
fundamenta locant alii, immanisque columnas
rupibus excidunt, scaenis decora alta futuris:
H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 423 - 429
CE 2020
67
430 Qualis apes aestate nova per florea rura
exercet sub sole labor, cum gentis adultos
educunt fetus, aut cum liquentia mella
stipant et dulci distendunt nectare cellas,
aut onera accipiunt venientum, aut agmine facto
435 ignavum fucos pecus a praesepibus arcent;
fervet opus, redolentque thymo fraglantia mella.
H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 430 - 436
CE 2020
68
‘O fortunati, quorum iam moenia surgunt!’
Aeneas ait, et fastigia suspicit urbis.
Infert se saeptus nebula (mirabile dictu)
440 per medios, miscetque viris, neque cernitur ulli.
H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 437 - 440
S
CE 2020
69
‘O fortunati, quorum iam moenia surgunt!’
Aeneas ait, et fastigia suspicit urbis.
Infert se saeptus nebula (mirabile dictu)
440 per medios, miscetque viris, neque cernitur ulli.
H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 437 - 440
S
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
CE 2020
70
Aeneas en Dido
Aeneis
6
liber IV
CE 2020
71
1 At regina gravi iamdudum saucia cura
vulnus alit venis et caeco carpitur igni.
Multa viri virtus animo multusque recursat
gentis honos; haerent infixi pectore vultus
5 verbaque, nec placidam membris dat cura quietem.
H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 1 - 5
CE 2020
72
Postera Phoebea lustrabat lampade terras
umentemque Aurora polo dimoverat umbram,
cum sic unanimam adloquitur male sana sororem:
H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 6 - 8
CE 2020
73
‘Anna soror, quae me suspensam insomnia terrent!
10 Quis novus hic nostris successit sedibus hospes,
quem sese ore ferens, quam forti pectore et armis!
Credo equidem, nec vana fides, genus esse deorum.
Degeneres animos timor arguit. Heu, quibus ille
iactatus fatis! Quae bella exhausta canebat!
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 9 - 14
CE 2020
74
15 Si mihi non animo fixum immotumque sederet,
ne cui me vinclo vellem sociare iugali,
postquam primus amor deceptam morte fefellit;
si non pertaesum thalami taedaeque fuisset,
huic uni forsan potui succumbere culpae.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 15 - 19
S
CE 2020
75
15 Si mihi non animo fixum immotumque sederet,
ne cui me vinclo vellem sociare iugali,
postquam primus amor deceptam morte fefellit;
si non pertaesum thalami taedaeque fuisset,
huic uni forsan potui succumbere culpae.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 15 - 19
S
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞͞ ͞
CE 2020
76
20 Anna (fatebor enim) miseri post fata Sychaei
coniugis et sparsos fraterna caede penatis
solus hic inflexit sensus animumque labantem
impulit. Agnosco veteris vestigia flammae.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 20 - 23
CE 2020
77
Sed mihi vel tellus optem prius ima dehiscat,
25 vel pater omnipotens adigat me fulmine ad umbras,
pallentis umbras Erebo noctemque profundam,
ante, pudor, quam te violo aut tua iura resolvo.
Ille meos, primus qui me sibi iunxit, amores
abstulit; ille habeat secum servetque sepulcro.’
30 Sic effata sinum lacrimis implevit obortis.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 24 - 30
CE 2020
78
Anna refert: ‘O luce magis dilecta sorori,
solane perpetua maerens carpere iuventa
nec dulcis natos Veneris nec praemia noris?
Id cinerem aut manis credis curare sepultos?
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 31 - 34
S
CE 2020
79
Anna refert: ‘O luce magis dilecta sorori,
solane perpetua maerens carpere iuventa
nec dulcis natos Veneris nec praemia noris?
Id cinerem aut manis credis curare sepultos?
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 31 - 34
S
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞͞ ͞
CE 2020
80
35 Esto: aegram nulli quondam flexere mariti,
non Libyae, non ante Tyro; despectus Iarbas
ductoresque alii, quos Africa terra triumphis
dives alit: placitone etiam pugnabis amori?
Nec venit in mentem, quorum consederis arvis?
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 35 - 39
CE 2020
81
40 Hinc Gaetulae urbes, genus insuperabile bello,
et Numidae infreni cingunt et inhospita Syrtis;
hinc deserta siti regio lateque furentes
Barcaei. Quid bella Tyro surgentia dicam
germanique minas?’
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 40 - 44
CE 2020
82
45 ‘Dis equidem auspicibus reor et Iunone secunda
hunc cursum Iliacas vento tenuisse carinas.
Quam tu urbem, soror, hanc cernes, quae surgere regna
coniugio tali! Teucrum comitantibus armis,
Punica se quantis attollet gloria rebus!
H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 45 - 49
CE 2020
83
50 Tu modo posce deos veniam, sacrisque litatis
indulge hospitio causasque innecte morandi,
dum pelago desaevit hiems et aquosus Orion,
quassataeque rates, dum non tractabile caelum.’
H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 50 - 53
CE 2020
84
His dictis impenso animum flammavit amore
55 spemque dedit dubiae menti solvitque pudorem.
Principio delubra adeunt pacemque per aras
exquirunt; mactant lectas de more bidentis
legiferae Cereri Phoeboque patrique Lyaeo,
Iunoni ante omnis, cui vincla iugalia curae.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 54 - 59
CE 2020
85
60 Ipsa tenens dextra pateram pulcherrima Dido
candentis vaccae media inter cornua fundit,
aut ante ora deum pinguis spatiatur ad aras,
instauratque diem donis, pecudumque reclusis
pectoribus inhians spirantia consulit exta.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 60 - 64
S
CE 2020
86
60 Ipsa tenens dextra pateram pulcherrima Dido
candentis vaccae media inter cornua fundit,
aut ante ora deum pinguis spatiatur ad aras,
instauratque diem donis, pecudumque reclusis
pectoribus inhians spirantia consulit exta.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 60 - 64
S
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞
CE 2020
87
65 Heu, vatum ignarae mentes! Quid vota furentem,
quid delubra iuvant? Est mollis flamma medullas
interea et tacitum vivit sub pectore vulnus.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 65 - 67
CE 2020
88
Uritur infelix Dido totaque vagatur
urbe furens, qualis coniecta cerva sagitta,
70 quam procul incautam nemora inter Cresia fixit
pastor agens telis liquitque volatile ferrum
nescius: illa fuga silvas saltusque peragrat
Dictaeos; haeret lateri letalis harundo.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 68 - 73
CE 2020
89
Nunc media Aenean secum per moenia ducit
75 Sidoniasque ostentat opes urbemque paratam,
incipit effari mediaque in voce resistit;
nunc eadem, labente die, convivia quaerit,
Iliacosque iterum demens audire labores
exposcit pendetque iterum narrantis ab ore.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 74 - 79
CE 2020
90
80 Post ubi digressi, lumenque obscura vicissim
luna premit suadentque cadentia sidera somnos,
sola domo maeret vacua stratisque relictis
incubat. Illum absens absentem auditque videtque,
aut gremio Ascanium genitoris imagine capta,
85 detinet, infandum si fallere possit amorem.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 80 - 85
CE 2020
91
Non coeptae adsurgunt turres, non arma iuventus
exercet portusve aut propugnacula bello
tuta parant: pendent opera interrupta minaeque
murorum ingentes aequataque machina caelo.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 86 - 89
S
CE 2020
92
Non coeptae adsurgunt turres, non arma iuventus
exercet portusve aut propugnacula bello
tuta parant: pendent opera interrupta minaeque
murorum ingentes aequataque machina caelo.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 86 - 89
S
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
93
Et iam prima novo spargebat lumine terras
585 Tithoni croceum linquens Aurora cubile.
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 584 - 585
CE 2020
94
Regina e speculis ut primam albescere lucem
vidit et aequatis classem procedere velis,
litoraque et vacuos sensit sine remige portus,
terque quaterque manu pectus percussa decorum
590 flaventisque abscissa comas ‘Pro Iuppiter! Ibit
hic,’ ait ‘et nostris inluserit advena regnis?
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 586 - 591
CE 2020
95
Non arma expedient totaque ex urbe sequentur,
diripientque rates alii navalibus? Ite,
ferte citi flammas, date tela, impellite remos!
595 Quid loquor? Aut ubi sum? Quae mentem insania mutat?
Infelix Dido, nunc te facta impia tangunt?
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 592 - 596
CE 2020
96
Tum decuit, cum sceptra dabas. En dextra fidesque,
quem secum patrios aiunt portare penatis,
quem subiisse umeris confectum aetate parentem!
600 Non potui abreptum divellere corpus et undis
spargere? Non socios, non ipsum absumere ferro
Ascanium patriisque epulandum ponere mensis?
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 597 - 602
CE 2020
97
Verum anceps pugnae fuerat fortuna. Fuisset:
quem metui moritura? Faces in castra tulissem
605 implessemque foros flammis natumque patremque
cum genere exstinxem, memet super ipsa dedissem.
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 603 - 606
CE 2020
98
Sol, qui terrarum flammis opera omnia lustras,
tuque harum interpres curarum et conscia Iuno,
nocturnisque Hecate triviis ululata per urbes
610 et Dirae ultrices et di morientis Elissae,
accipite haec, meritumque malis advertite numen
et nostras audite preces. Si tangere portus
infandum caput ac terris adnare necesse est, ...
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 607 - 613
CE 2020
99
... et sic fata Iovis poscunt, hic terminus haeret,
615 at bello audacis populi vexatus et armis,
finibus extorris, complexu avulsus Iuli
auxilium imploret videatque indigna suorum
funera; nec, cum se sub leges pacis iniquae
tradiderit, regno aut optata luce fruatur,
620 sed cadat ante diem mediaque inhumatus harena.
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 614 - 620
CE 2020
100
Haec precor, hanc vocem extremam cum sanguine fundo.
Tum vos, o Tyrii, stirpem et genus omne futurum
exercete odiis, cinerique haec mittite nostro
munera. Nullus amor populis nec foedera sunto.
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 621 - 624
S
CE 2020
101
Haec precor, hanc vocem extremam cum sanguine fundo.
Tum vos, o Tyrii, stirpem et genus omne futurum
exercete odiis, cinerique haec mittite nostro
munera. Nullus amor populis nec foedera sunto.
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 621 - 624
S
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
102
625 Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor
qui face Dardanios ferroque sequare colonos,
nunc, olim, quocumque dabunt se tempore vires.
Litora litoribus contraria, fluctibus undas
imprecor, arma armis: pugnent ipsique nepotesque.’
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 625 - 629
CE 2020
103
630 Haec ait, et partis animum versabat in omnis,
invisam quaerens quam primum abrumpere lucem.
Tum breviter Barcen nutricem adfata Sychaei,
namque suam patria antiqua cinis ater habebat:
H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 630 - 633
CE 2020
104
‘Annam, cara mihi nutrix, huc siste sororem:
635 dic corpus properet fluviali spargere lympha,
et pecudes secum et monstrata piacula ducat.
Sic veniat, tuque ipsa pia tege tempora vitta.
Sacra Iovi Stygio, quae rite incepta paravi,
perficere est animus finemque imponere curis
640 Dardaniique rogum capitis permittere flammae.’
H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 634 - 640
CE 2020
105
Sic ait. Illa gradum studio celebrabat anili.
At trepida et coeptis immanibus effera Dido
sanguineam volvens aciem, maculisque trementes
interfusa genas et pallida morte futura,
645 interiora domus inrumpit limina et altos
conscendit furibunda rogos ensemque recludit
Dardanium, non hos quaesitum munus in usus.
H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 641 - 647
CE 2020
106
Hic, postquam Iliacas vestis notumque cubile
conspexit, paulum lacrimis et mente morata
650 incubuitque toro dixitque novissima verba:
‘Dulces exuviae, dum fata deusque sinebat,
accipite hanc animam meque his exsolvite curis.
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 648 - 652
CE 2020
107
Vixi et, quem dederat cursum Fortuna, peregi,
et nunc magna mei sub terras ibit imago.
655 Urbem praeclaram statui, mea moenia vidi,
ulta virum poenas inimico a fratre recepi,
felix, heu nimium felix, si litora tantum
numquam Dardaniae tetigissent nostra carinae.’
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 653 - 658
CE 2020
108
Dixit, et os impressa toro ‘Moriemur inultae,
660 sed moriamur,’ ait. ‘Sic, sic iuvat ire sub umbras.
Hauriat hunc oculis ignem crudelis ab alto
Dardanus, et nostrae secum ferat omina mortis.’
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 659 - 662
S
CE 2020
109
Dixit, et os impressa toro ‘Moriemur inultae,
660 sed moriamur,’ ait. ‘Sic, sic iuvat ire sub umbras.
Hauriat hunc oculis ignem crudelis ab alto
Dardanus, et nostrae secum ferat omina mortis.’
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 659 - 662
S
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
CE 2020
110
Dixerat, atque illam media inter talia ferro
conlapsam aspiciunt comites, ensemque cruore
665 spumantem sparsasque manus. It clamor ad alta
atria: concussam bacchatur Fama per urbem.
H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 663 - 666
CE 2020
111
Lamentis gemituque et femineo ululatu
tecta fremunt, resonat magnis plangoribus aether,
non aliter quam si immissis ruat hostibus omnis
670 Karthago aut antiqua Tyros, flammaeque furentes
culmina perque hominum volvantur perque deorum.
H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 667 - 671
CE 2020
112
Audiit exanimis trepidoque exterrita cursu
unguibus ora soror foedans et pectora pugnis
per medios ruit, ac morientem nomine clamat:
675 ‘Hoc illud, germana, fuit? Me fraude petebas?
Hoc rogus iste mihi, hoc ignes araeque parabant?
H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 672 - 676
CE 2020
113
Quid primum deserta querar? Comitemne sororem
sprevisti moriens? Eadem me ad fata vocasses,
idem ambas ferro dolor atque eadem hora tulisset.
680 His etiam struxi manibus patriosque vocavi
voce deos, sic te ut posita, crudelis, abessem?
H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 677 - 681
CE 2020
114
Exstinxti te meque, soror, populumque patresque
Sidonios urbemque tuam. Date, vulnera lymphis
abluam et, extremus si quis super halitus errat,
685 ore legam.’ Sic fata gradus evaserat altos,
semianimemque sinu germanam amplexa fovebat
cum gemitu atque atros siccabat veste cruores.
H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 682 - 687
CE 2020
115
Illa gravis oculos conata attollere rursus
deficit; infixum stridit sub pectore vulnus.
690 Ter sese attollens cubitoque adnixa levavit,
ter revoluta toro est oculisque errantibus alto
quaesivit caelo lucem ingemuitque reperta.
H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 688 - 692
CE 2020
116
Tum Iuno omnipotens longum miserata dolorem
difficilisque obitus Irim demisit Olympo
695 quae luctantem animam nexosque resolveret artus.
Nam quia nec fato merita nec morte peribat,
sed misera ante diem subitoque accensa furore,
nondum illi flavum Proserpina vertice crinem
abstulerat Stygioque caput damnaverat Orco.
H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 693 - 699
CE 2020
117
700 Ergo Iris croceis per caelum roscida pennis
mille trahens varios adverso sole colores
devolat et supra caput astitit. ‘Hunc ego Diti
sacrum iussa fero teque isto corpore solvo’:
sic ait et dextra crinem secat, omnis et una
705 dilapsus calor atque in ventos vita recessit.
H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 700 - 705
CE 2020
118
Aeneas en Euander
Aeneis
9
liber VIII
CE 2020
119
Exim se cuncti divinis rebus ad urbem
perfectis referunt. Ibat rex obsitus aevo,
et comitem Aenean iuxta natumque tenebat
ingrediens, varioque viam sermone levabat.
310 Miratur facilisque oculos fert omnia circum
Aeneas, capiturque locis et singula laetus
exquiritque auditque virum monimenta priorum.
H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 306 - 312
CE 2020
120
Tum rex Euandrus Romanae conditor arcis:
‘Haec nemora indigenae Fauni Nymphaeque tenebant
315 gensque virum truncis et duro robore nata,
quis neque mos neque cultus erat, nec iungere tauros
aut componere opes norant aut parcere parto,
sed rami atque asper victu venatus alebat.’
H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 313 - 318
CE 2020
121
‘Primus ab aetherio venit Saturnus Olympo
320 arma Iovis fugiens et regnis exsul ademptis.
Is genus indocile ac dispersum montibus altis
composuit legesque dedit, Latiumque vocari
maluit, his quoniam latuisset tutus in oris.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 319 - 323
S
CE 2020
122
‘Primus ab aetherio venit Saturnus Olympo
320 arma Iovis fugiens et regnis exsul ademptis.
Is genus indocile ac dispersum montibus altis
composuit legesque dedit, Latiumque vocari
maluit, his quoniam latuisset tutus in oris.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 319 - 323
S
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞͞ ͞
CE 2020
123
Aurea quae perhibent, illo sub rege fuere
325 saecula: sic placida populos in pace regebat,
deterior donec paulatim ac decolor aetas
et belli rabies et amor successit habendi.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 324 - 327
CE 2020
124
Tum manus Ausonia et gentes venere Sicanae,
saepius et nomen posuit Saturnia tellus;
330 tum reges asperque immani corpore Thybris,
a quo post Itali fluvium cognomine Thybrim
diximus; amisit verum vetus Albula nomen.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 328 - 332
CE 2020
125
Me pulsum patria pelagique extrema sequentem
Fortuna omnipotens et ineluctabile fatum
335 his posuere locis, matrisque egere tremenda
Carmentis nymphae monita et deus auctor Apollo.’
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 333 - 336
CE 2020
126
Vix ea dicta, dehinc progressus monstrat et aram
et Carmentalem Romani nomine portam
quam memorant, nymphae priscum Carmentis honorem,
340 vatis fatidicae, cecinit quae prima futuros
Aeneadas magnos et nobile Pallanteum.
H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 337 - 341
CE 2020
127
Hinc lucum ingentem, quem Romulus acer asylum
rettulit, et gelida monstrat sub rupe Lupercal
Parrhasio dictum Panos de more Lycaei.
345 Nec non et sacri monstrat nemus Argileti
testaturque locum et letum docet hospitis Argi.
H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 342 - 346
CE 2020
128
Hinc ad Tarpeiam sedem et Capitolia ducit
aurea nunc, olim silvestribus horrida dumis.
Iam tum religio pavidos terrebat agrestis
350 dira loci, iam tum silvam saxumque tremebant.
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 347 - 350
S
CE 2020
129
Hinc ad Tarpeiam sedem et Capitolia ducit
aurea nunc, olim silvestribus horrida dumis.
Iam tum religio pavidos terrebat agrestis
350 dira loci, iam tum silvam saxumque tremebant.
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 347 - 350
S
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞͞ ͞
CE 2020
130
‘Hoc nemus, hunc’ inquit ‘frondoso vertice collem
(quis deus incertum est) habitat deus; Arcades ipsum
credunt se vidisse Iovem, cum saepe nigrantem
aegida concuteret dextra nimbosque cieret.
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 351 - 354
CE 2020
131
355 Haec duo praeterea disiectis oppida muris,
reliquias veterumque vides monimenta virorum.
Hanc Ianus pater, hanc Saturnus condidit arcem;
Ianiculum huic, illi fuerat Saturnia nomen.’
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 355 - 358
CE 2020
132
Talibus inter se dictis ad tecta subibant
360 pauperis Euandri, passimque armenta videbant
Romanoque foro et lautis mugire Carinis.
Ut ventum ad sedes, ‘Haec’ inquit ‘limina victor
Alcides subiit, haec illum regia cepit.
Aude, hospes, contemnere opes et te quoque dignum
365 finge deo, rebusque veni non asper egenis.’
H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 359 - 365
CE 2020
133
Dixit, et angusti subter fastigia tecti
ingentem Aenean duxit stratisque locavit
effultum foliis et pelle Libystidis ursae:
nox ruit et fuscis tellurem amplectitur alis.
H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 366 - 369
CE 2020
134
Het nieuwe schild voor Aeneas
Aeneis
10
liber VIII
CE 2020
135
At Venus aetherios inter dea candida nimbos
dona ferens aderat; natumque in valle reducta
610 ut procul egelido secretum flumine vidit,
talibus adfata est dictis seque obtulit ultro:
‘En perfecta mei promissa coniugis arte
munera. Ne mox aut Laurentis, nate, superbos
aut acrem dubites in proelia poscere Turnum.’
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 608 - 614
CE 2020
136
615 Dixit, et amplexus nati Cytherea petivit,
arma sub adversa posuit radiantia quercu.
Ille deae donis et tanto laetus honore
expleri nequit atque oculos per singula volvit,
miraturque interque manus et bracchia versat
620 terribilem cristis galeam flammasque vomentem,...
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 615 - 620
CE 2020
137
... fatiferumque ensem, loricam ex aere rigentem,
sanguineam, ingentem, qualis cum caerula nubes
solis inardescit radiis longeque refulget;
tum levis ocreas electro auroque recocto,
625 hastamque et clipei non enarrabile textum.
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 621 - 625
S
CE 2020
138
... fatiferumque ensem, loricam ex aere rigentem,
sanguineam, ingentem, qualis cum caerula nubes
solis inardescit radiis longeque refulget;
tum levis ocreas electro auroque recocto,
625 hastamque et clipei non enarrabile textum.
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 621 - 625
S
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
139
Illic res Italas Romanorumque triumphos
haud vatum ignarus venturique inscius aevi
fecerat ignipotens, illic genus omne futurae
stirpis ab Ascanio pugnataque in ordine bella.
H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 626 - 629
CE 2020
140
630 Fecerat et viridi fetam Mavortis in antro
procubuisse lupam, geminos huic ubera circum
ludere pendentis pueros et lambere matrem
impavidos, illam tereti cervice reflexa
mulcere alternos et corpora fingere lingua.
H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 630 - 634
CE 2020
141
635 Nec procul hinc Romam et raptas sine more Sabinas
consessu caveae, magnis Circensibus actis,
addiderat, subitoque novum consurgere bellum
Romulidis Tatioque seni Curibusque severis.
Post idem inter se posito certamine reges
640 armati Iovis ante aram paterasque tenentes
stabant et caesa iungebant foedera porca.
H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 635 - 641
CE 2020
142
Haud procul inde citae Mettum in diversa quadrigae
distulerant (at tu dictis, Albane, maneres!),
raptabatque viri mendacis viscera Tullus
645 per silvam, et sparsi rorabant sanguine vepres.
H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 642 - 645
S
CE 2020
143
Haud procul inde citae Mettum in diversa quadrigae
distulerant (at tu dictis, Albane, maneres!),
raptabatque viri mendacis viscera Tullus
645 per silvam, et sparsi rorabant sanguine vepres.
H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 642 - 645
S
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
144
Nec non Tarquinium eiectum Porsenna iubebat
accipere ingentique urbem obsidione premebat;
Aeneadae in ferrum pro libertate ruebant.
Illum indignanti similem similemque minanti
650 aspiceres, pontem auderet quia vellere Cocles
et fluvium vinclis innaret Cloelia ruptis.
H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 646 - 651
CE 2020
145
In summo custos Tarpeiae Manlius arcis
stabat pro templo et Capitolia celsa tenebat,
Romuleoque recens horrebat regia culmo.
655 Atque hic auratis volitans argenteus anser
porticibus Gallos in limine adesse canebat;
Galli per dumos aderant arcemque tenebant
defensi tenebris et dono noctis opacae.
H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 652 - 658
CE 2020
146
Aurea caesaries ollis atque aurea vestis,
660 virgatis lucent sagulis, tum lactea colla
auro innectuntur, duo quisque Alpina coruscant
gaesa manu, scutis protecti corpora longis.
H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 659 - 662
CE 2020
147
Hic exsultantis Salios nudosque Lupercos
lanigerosque apices et lapsa ancilia caelo
665 extuderat, castae ducebant sacra per urbem
pilentis matres in mollibus. Hinc procul addit
Tartareas etiam sedes, alta ostia Ditis,...
H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 663 - 667
CE 2020
148
.. et scelerum poenas, et te, Catilina, minaci
pendentem scopulo Furiarumque ora trementem,
670 secretosque pios, his dantem iura Catonem.
H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 668 - 670
CE 2020
149
Haec inter tumidi late maris ibat imago
aurea, sed fluctu spumabant caerula cano,
et circum argento clari delphines in orbem
aequora verrebant caudis aestumque secabant.
675 In medio classis aeratas, Actia bella,
cernere erat, totumque instructo Marte videres
fervere Leucaten auroque effulgere fluctus.
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 671 - 677
CE 2020
150
Hinc Augustus agens Italos in proelia Caesar
cum patribus populoque, penatibus et magnis dis,
680 stans celsa in puppi, geminas cui tempora flammas
laeta vomunt patriumque aperitur vertice sidus.
Parte alia ventis et dis Agrippa secundis
arduus agmen agens, cui, belli insigne superbum,
tempora navali fulgent rostrata corona.
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 678 - 684
CE 2020
151
685 Hinc ope barbarica variisque Antonius armis,
victor ab Aurorae populis et litore rubro,
Aegyptum virisque Orientis et ultima secum
Bactra vehit, sequiturque (nefas) Aegyptia coniunx.
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 685 - 688
S
CE 2020
152
685 Hinc ope barbarica variisque Antonius armis,
victor ab Aurorae populis et litore rubro,
Aegyptum virisque Orientis et ultima secum
Bactra vehit, sequiturque (nefas) Aegyptia coniunx.
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 685 - 688
S
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞͞ ͞
CE 2020
153
Una omnes ruere ac totum spumare reductis
690 convulsum remis rostrisque tridentibus aequor.
Alta petunt; pelago credas innare revulsas
Cycladas aut montis concurrere montibus altos,
tanta mole viri turritis puppibus instant.
H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 689 - 693
CE 2020
154
Stuppea flamma manu telisque volatile ferrum
695 spargitur, arva nova Neptunia caede rubescunt.
Regina in mediis patrio vocat agmina sistro,
necdum etiam geminos a tergo respicit anguis.
H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 694 - 697
CE 2020
155
Omnigenumque deum monstra et latrator Anubis
contra Neptunum et Venerem contraque Minervam
700 tela tenent. Saevit medio in certamine Mavors
caelatus ferro, tristesque ex aethere Dirae,
et scissa gaudens vadit Discordia palla,
quam cum sanguineo sequitur Bellona flagello.
H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 698 - 703
CE 2020
156
Actius haec cernens arcum intendebat Apollo
705 desuper; omnis eo terrore Aegyptus et Indi,
omnis Arabs, omnes vertebant terga Sabaei.
Ipsa videbatur ventis regina vocatis
vela dare et laxos iam iamque immittere funis.
H10 §1 h. De vlucht (p.156); 704 - 708
CE 2020
157
Illam inter caedes pallentem morte futura
710 fecerat ignipotens undis et Iapyge ferri,
contra autem magno maerentem corpore Nilum
pandentemque sinus et tota veste vocantem
caeruleum in gremium latebrosaque flumina victos.
H10 §1 h. De vlucht (p.156); 709 - 713
CE 2020
158
At Caesar, triplici invectus Romana triumpho
715 moenia, dis Italis votum immortale sacrabat,
maxima ter centum totam delubra per urbem.
Laetitia ludisque viae plausuque fremebant;
omnibus in templis matrum chorus, omnibus arae;
ante aras terram caesi stravere iuvenci.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 714 - 719
CE 2020
159
720 Ipse sedens niveo candentis limine Phoebi
dona recognoscit populorum aptatque superbis
postibus; incedunt victae longo ordine gentes,
quam variae linguis, habitu tam vestis et armis.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 720 - 723
S
CE 2020
160
720 Ipse sedens niveo candentis limine Phoebi
dona recognoscit populorum aptatque superbis
postibus; incedunt victae longo ordine gentes,
quam variae linguis, habitu tam vestis et armis.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 720 - 723
S
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞͞ ͞
͞͞ ͞
CE 2020
161
Hic Nomadum genus et discinctos Mulciber Afros,
725 hic Lelegas Carasque sagittiferosque Gelonos
finxerat; Euphrates ibat iam mollior undis,
extremique hominum Morini, Rhenusque bicornis,
indomitique Dahae, et pontem indignatus Araxes.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 724 - 728
CE 2020
162
Talia per clipeum Volcani, dona parentis,
730 miratur rerumque ignarus imagine gaudet
attollens umero famamque et fata nepotum.
H10 §1 j. Aeneas neemt het schild in ontvangst (p.160); 729 - 731
CE 2020
163
Vertalingen
CE 2020
164
De goden en het lot van Aeneas
Aeneis
2
CE 2020
165
En reeds was/kwam er een einde (aan), toen Jupiter vanaf het hoogste punt van de hemel naar beneden kijkend naar de door zeilschepen bevaren zee en de in de diepte liggende/uitgestrekte landen, (en) de kusten en zich wijd en zijd uitstrekkende volkeren, zó op het hoogste punt van de hemel bleef staan en zijn ogen strak richtte op het rijk van Libië.
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 223 - 226
CE 2020
166
En hem, die zich in dergelijke zorgen verdiepte, sprak Venus aan nogal bedroefd/bedroefder en haar stralende ogen nat van tranen: ‘O u, die de lotgevallen van (en) mensen en goden bestuurt met uw eeuwige macht/gezag en (hen) met de bliksem bang maakt, wat voor ergs kon mijn Aeneas jegens u begaan, wat konden de Trojanen begaan, voor wie, na zoveel verliezen te hebben geleden, de gehele wereld wegens Italië wordt afgesloten?
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 227 - 233
CE 2020
167
Zeker hebt u beloofd dat uit hen de Romeinen eens na verloop van jaren leiders zouden zijn, uit hen, (nl.) van het herstelde bloed van Teucer, die de zee, die alle landen onder hun gezag moesten houden – Welke opvatting heeft u, vader, tot andere gedachten gebracht?’
H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 234 - 237
CE 2020
168
Met deze belofte inderdaad zocht ik troost voor de ondergang en de sombere puinhopen van Troje, terwijl ik (steeds) tegen het lot het tegenovergestelde lot deed opwegen; nu achtervolgt hetzelfde ongeluk de mannen, die door zoveel lotgevallen zijn opgejaagd. Welk einde geeft u, grote koning, aan hun inspanningen/ellende?
H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 238 - 241
CE 2020
169
Antenor kon, ontsnapt uit het midden van de Grieken, veilig in de Illyrische baaien en het binnenste van het rijk van de Liburniërs doordringen en de bron van Timavus voorbijvaren, vanwaar hij door negen gaten met een enorm gebulder van de berg (voort)gaat als een zee die zich een weg baant en met zijn bruisende watermassa de akkers overspoelt.
H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 242 - 246
CE 2020
170
Hier heeft hij toch de stad Patavum en de woonplaats van de Trojanen aangelegd en aan het volk een naam gegeven en de Trojaanse wapens opgehangen, nu leidt hij een rustig leven, tot rust gebracht in een kalme vrede: wij, uw nageslacht, aan wie u de burcht van de hemel belooft, worden, na schepen (gruwelijk!) verloren te hebben wegens de toorn van één, verraden en gescheiden ver van de Italische kusten. Is dit de beloning voor trouw/plichtsbesef? Herstelt u ons zo in onze koninklijke waardigheid?’
H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 247 - 253
CE 2020
171
Terwijl de vader van mensen en goden haar toelacht met het gezicht/de gelaatstrekken, waarmee hij de hemel en stormen doet opklaren, raakte hij licht de lippen van zijn dochter aan/kuste even zijn dochter, vervolgens zegt hij dergelijke woorden: ‘Hou op bang te zijn, Cytherea, ik zeg het je, het lot van de jouwen blijft onveranderlijk; je zult een stad zien en de beloofde muren van Lavinium en jij zult de edele Aeneas (om)hoog brengen naar de sterren van de hemel; en niet heeft een mening mij tot andere gedachten gebracht.
H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 254 - 260
CE 2020
172
Hij, ik zeg het je, (want ik zal langer spreken, aangezien de zorg hierover jou verontrust, en terwijl ik ze ontrol/voor de geest haal zal ik de geheimen van het lot openbaren) zal een geweldige oorlog voeren in Italië en woeste volkeren vernietigen en voor de mensen gebruiken instellen en muren plaatsen, totdat de derde zomer hem zal hebben zien regeren in Latium en drie winters voor de Rutuliërs, nadat ze zijn onderworpen, voorbij zullen zijn gegaan.’
H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 261 - 266
CE 2020
173
‘Maar de jongen Ascanius, aan wie nu de naam (van) Iulus wordt toegevoegd (hij heette Ilus, zolang de Trojaanse staat met zijn koninklijke macht standhield) zal dertig jaarkringen met het voortrollen van de maanden vol maken met zijn gezag, en hij zal het rijk overbrengen van de woonplaats Lavinium, en hij zal met grote inspanning Alba Longa bouwen (en versterken).
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 267 - 271
CE 2020
174
Dan zal hier driemaal honderd gehele jaren/de volle driehonderd jaar een koninklijke heerschappij zijn onder het Trojaanse geslacht, totdat Ilia, een priesteres van koninklijke afkomst, zwanger van Mars een tweeling zal baren. Vervolgens zal Romulus trots met de bruingele bedekking van de wolvin, zijn voedster, het volk overnemen en voortzetten en hij zal de muren van Mars stichten en het (volk) Romeinen noemen naar zijn eigen naam.
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 272 - 277
CE 2020
175
Aan dezen stel ik noch grenzen van macht noch tijden/een periode vast: ik gaf (hun) een heerschappij zonder grens/einde. Ja zelfs de verbitterde Juno, die nu zee, (en) aarde en hemel uit angst/met angst vermoeit/afmat, zal haar plannen ten goede (doen) keren, en met mij de Romeinen koesteren, de heersers van de wereld en het in toga gehulde volk.’
H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 278 - 282
CE 2020
176
‘Zo is besloten. Wanneer de jaren verglijden/Met het verglijden van de jaren zal er een tijd komen wanneer het huis van Assaracus Phthia en het beroemde Mycene in/met slavernij zal onderdrukken en het overwonnen Argos zal overheersen.
H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 282 - 285
CE 2020
177
Een Trojaan zal geboren worden van edel geslacht, Caesar, zodanig dat hij/wiens bestemming het is dat hij zijn rijk met de Oceaan, zijn roem met de sterren afbakent, Julius, een naam afgeleid van de grote Julus. Eens zal jij deze, beladen met buit van het Oosten, in de hemel onbezorgd opnemen; ook hij zal met gebeden aangeroepen worden.
H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 286 - 290
CE 2020
178
Generaties van geweld zullen dan, wanneer de oorlogen beëindigd zijn, verzachten: de eerbiedwaardige Fides en Vesta, (en) Quirinus samen met zijn broer Remus zullen wetgevers zijn; verschrikkelijk in hun stevige ijzeren frame zullen de poorten van de Oorlog gesloten worden; de goddeloze Furor zal, daarbinnen zittend bovenop de woeste/grimmige wapens en geboeid met honderd metalen ketens op zijn rug, huiveringwekkend brullen met zijn bebloede mond/gelaat.’
H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 291 - 296
CE 2020
179
Dit zegt hij en hij stuurt de zoon van Maia naar beneden uit de hemel, opdat/om ervoor te zorgen dat het land, dat de burcht van het nieuwe Carthago gastvrij openstaat voor de Trojanen, om te voorkomen dat Dido, onkundig met het lot, hen zou weren uit haar gebied. Hij vliegt door het uitgestrekte luchtruim met/op de riemen van zijn vleugels en snel bleef hij staan op de kust(en) van Libië.
H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 297 - 301
CE 2020
180
En reeds brengt hij de bevelen over en de Poeniërs laten hun woeste geest varen omdat de god het wil; vooral de koningin krijgt een rustig gevoel en neemt een vriendelijke houding aan ten opzichte van de Trojanen.
H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 302 - 304
CE 2020
181
Aeneas ontmoet zijn moeder
Aeneis
3
CE 2020
182
Maar de trouwe Aeneas, terwijl hij gedurende de nacht zeer veel overdacht, besloot, zodra het voedende licht gegeven werd/verscheen, weg te gaan en de nieuwe streek te verkennen (en) (uit)zoeken, welke kusten hij door de wind heeft bereikt, wie ze bewonen (want hij ziet onbebouwde streken), mensen of wilde dieren, en het resultaat (van zijn onderzoek) aan zijn makkers mee te delen.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 305 - 309
CE 2020
183
Hij verbergt de vloot/schepen in een welving van bossen onder een uitgeholde rots, (zodat hij) rondom omsloten (is) door bomen en sombere schaduwen; zelf gaat hij vergezeld door alleen Achates, terwijl hij in zijn hand twee werpspiezen met brede ijzeren punt vasthoudt.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 310 - 313
CE 2020
184
Hem snelde zijn moeder midden in het bos tegemoet, hebbend/met het gezicht en de gestalte van een meisje, en de wapens van een Spartaans meisje, of zodanig (zo)als de Thracische Harpalyce is wanneer zij de paarden vermoeit, en in snelle vaart de snelstromende Hebrus inhaalt. Want aan haar schouders had ze volgens gebruik een lichte boog opgehangen, de jageres, en ze had haar haren aan de wind gegeven om uit te laten waaien, bloot wat betreft haar knie(ën), en terwijl zij met een knoop haar golvende kleed samengenomen had.
H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 314 - 320
CE 2020
185
En als eerste zei ze: ‘Hé daar, jongemannen, licht me in, als jullie toevallig een van mijn zusters hier hebt zien rondzwerven, uitgerust met een pijlkoker en met de huid van een gevlekte lynx, of terwijl ze met geschreeuw een rennend, schuimbekkend wild zwijn in het nauw brengt.’
H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 321 - 324
CE 2020
186
Zo (sprak) Venus en zo begon de zoon van Venus op zijn beurt te spreken: ‘Geen van uw zusters is door mij gehoord noch/of gezien, o hoe moet ik u noemen, meisje? Want u heeft geen sterfelijk/menselijk gelaat, en ook uw stem klinkt niet menselijk; o, een godin zeker (of de zuster van Phoebus? of een van het bloed der nimfen?), …
H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 325 - 329
CE 2020
187
… moge u gelukbrengend zijn, en onze ellende verlichten, wie u ook bent, en, moge u (ons) leren/meedelen onder welke hemel, in welke streken van de wereld wij eigenlijk worden geslingerd: onbekend (en) met de mensen en met het gebied zwerven wij rond, door de wind en de woeste golven hierheen gevoerd. Veel offerdieren zullen voor u voor de altaren vallen door onze/mijn rechterhand.’
H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 330 - 334
CE 2020
188
Toen zei Venus: ‘Zeker niet acht ik mijzelf een dergelijke eer waard; het is de gewoonte voor/van Tyrische meisjes een pijlkoker te dragen en de kuiten hoog met een purperen jachtlaars te (om)binden. Je ziet het Punische koninkrijk, Tyriërs en de stad van Agenor; maar het gebied is Libisch, een geslacht/ volksstam onbedwingbaar in oorlog.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 335 - 339
CE 2020
189
Dido heeft de macht, vertrokken uit de stad Tyrus, vluchtend/op de vlucht voor haar broer. Lang (om te vertellen) is het onrecht, een lang ingewikkeld verhaal; maar ik zal de hoofdzaken van de gebeurtenissen behandelen.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 340 - 342
CE 2020
190
Zij had een echtgenoot Sychaeus, van de Feniciërs de rijkste aan goud, en met grote liefde bemind door de ongelukkige aan wie haar vader haar maagdelijk had gegeven, en in het eerste huwelijk had verbonden. Maar haar broer Pygmalion had de heerschappij over Tyrus, in misdaad wreder voor/dan alle anderen.
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 343 - 347
CE 2020
191
Midden tussen hen in kwam waanzin. Hij, goddeloos voor het huisaltaar, en verblind door gouddorst, overwint/overweldigt Sychaeus heimelijk met het zwaard onverhoeds, zich niet bekommerend om de liefde van zijn zuster; hij hield de daad lange tijd geheim, en de slechterik, door veel te veinzen, leidde hij met lege/ijdele hoop de verdrietige liefhebbende (vrouw) om de tuin.’
H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 348 - 352
CE 2020
192
‘Maar de schim zelf van haar onbegraven echtgenoot kwam in haar slaap /droom, terwijl hij op wonderbaarlijke wijze zijn bleke gezicht ophief; hij onthulde/toonde het wrede altaar en zijn met het zwaard doorboorde borst, en openbaarde de hele verborgen misdaad van het huis/de familie. Dan raadt hij (haar) aan haast te maken met de vlucht en uit het vaderland weg te gaan, en onthult als hulp voor de tocht de oude schatten/schatkamer in de aarde/onder de grond, een onbekend gewicht aan zilver en goud.
H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 353 - 359
CE 2020
193
Hierdoor/Door deze gebeurtenissen verbijsterd bereidde Dido de vlucht en metgezellen voor. Zij komen bijeen, die of een wrede haat jegens de tiran of een hevige vrees hadden/koesterden; schepen, die toevallig gereed waren/ lagen, eigenen ze zich toe, en laden ze vol met goud. De rijkdom van de hebzuchtige Pygmalion wordt over zee vervoerd; een vrouw is leider van de daad.
H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 360 - 364
CE 2020
194
Zij kwamen terecht in het gebied, waar je nu enorme muren en de burcht van het nieuwe Carthago zult zien verrijzen, en zij kochten grond, Byrsa genaamd naar de daad, zoveel als ze met een stierenhuid konden omgeven.’
H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 365 - 368
CE 2020
195
‘Maar wie zijn jullie eigenlijk? Of van welke kusten zijn jullie gekomen? Of waarheen zijn jullie op weg?’ Tot haar die vroeg zei hij met dergelijke woorden zuchtend, en terwijl hij zijn stem uit het diepst van zijn hart trok: ‘O godin, als ik bij de eerste oorsprong beginnend zou doorgaan (te vertellen) en u tijd zou hebben de geschiedenis van onze inspanning/ellende (aan) te horen, dan zal de Avondster (al) eerder de dag te ruste brengen, na de hemel gesloten te hebben.
H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 369 - 374
CE 2020
196
Ons heeft een storm varend vanaf het oude Troje, als toevallig de naam (van) Troje door jullie/uw oren is gegaan/jullie/u ter ore is gekomen, over afgelegen zeeën, met de hem eigen grilligheid naar de Libische kusten gedreven. Ik ben de trouwe Aeneas, die de van de vijand afgepakte stadsgoden met zijn vloot met mij vervoer, door zijn reputatie hemelhoog bekend; ik zoek mijn vaderland Italië, en mijn geslacht is van(af) de hoogste Jupiter.
H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 375 - 380
CE 2020
197
Met tweemaal tien schepen bevoer ik de Phrygische zee, terwijl mijn moeder de godin de weg toonde, volgend de gegeven lotsbepalingen/orakels; met moeite zijn er zeven (schepen), door de golven en de wind uit hun voegen gerukt, over. Zelf, onbekend, berooid, doorkruis ik het verlaten gebied van Libië, verdreven uit Europa en Azië.’ En omdat Venus hem niet toeliet/ verdroeg meer te klagen, viel zij (hem) midden in zijn verdriet, zo in de rede:
H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 381 - 386
CE 2020
198
‘Wie u ook bent, niet, geloof ik, gehaat/geliefd bij de goden ademt u de levenslucht in, omdat u bent aangekomen in de Tyrische stad; ga slechts voort, en begeef u vanaf hier naar het paleis van de koningin. Want ik bericht u dat uw makkers teruggekeerd zijn en uw vloot teruggebracht is en, nadat de winden zijn gedraaid in een veilige haven is gebracht, als niet/tenzij mijn ouders zonder kennis van zaken (mij) vergeefs de voorspellingskunst hebben geleerd.
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 387 - 392
CE 2020
199
Zie de tweemaal zes zwanen blij (weer) in kolonne te vliegen, die de vogel van Jupiter glijdend/in een glijvlucht vanuit het luchtruim in de open hemel in verwarring bracht; nu worden ze gezien/ziet men dat ze in een lange rij ofwel de aarde bereiken ofwel neerzien op de reeds bereikte aarde:
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 393 - 396
CE 2020
200
zoals zij teruggekeerd spelen met klapperende vleugels, en in een groep de hemel omringden/in de hemel rondvlogen, en gekrijs gaven/lieten horen, niet anders hebben én uw schepen én de manschappen van de uwen óf de haven bereikt óf naderen met volle zeil(en) de ingang (van de haven). Ga slechts voort en richt uw schreden, waarlangs de weg u leidt.’
H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 397 - 401
CE 2020
201
Zij sprak (zo), en zich omdraaiend schitterde zij met haar rozenkleurige nek, en haar naar ambrozijn geurende haren verspreidden vanaf de kruin een goddelijke geur; haar kleed golfde omlaag tot onder aan haar voeten, en door haar manier van lopen verried de echte godin zich/verried ze zich als echte godin. Zodra hij zijn moeder had herkend, volgde hij haar, vluchtend, met dergelijke woorden:
H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 402 - 406
CE 2020
202
‘Waarom misleidt u zovaak uw zoon, ook u bent wreed, met valse beelden? Waarom is het niet geoorloofd mijn rechterhand te verbinden met uw rechterhand/elkaar de hand te geven, en echte woorden te horen en terug te geven/te antwoorden?’ Met dergelijke woorden beschuldigt hij (zijn moeder), en richt zijn schreden naar de muren.
H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 407 - 410
CE 2020
203
Maar Venus omgaf hen, terwijl zij gingen, met een donkere wolk, en de godin omhulde (hen) met veel/dikke bedekking van nevel, opdat niet/om te voorkomen dat iemand hen kon zien en opdat niemand hen kon aanraken, of oponthoud veroorzaken of naar de redenen van het komen/hun komst vragen. Zelf gaat ze weg door de lucht naar Paphus, en zocht blij haar woonplaats op, waar zij een tempel heeft, en honderd altaren gloeien door/met Arabische wierook, en geuren naar verse kransen.
H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 411 - 417
CE 2020
204
Ondertussen legden ze snel hun weg af, waarlangs een pad (hen) wijst, en ze beklommen al de heuvel, die over zeer grote uitgestrektheid boven de stad uitsteekt, en van bovenaf op de torens/burcht ertegenover uitkijkt. Aeneas bewondert de grote bouwwerken, eens hutten, hij bewondert de poorten en het lawaai en de geplaveide straten.
H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 418 - 422
CE 2020
205
De Tyriërs pakken vol vuur het werk aan: een deel trekt muren op en bouwt de burcht en rollen met hun handen stenen omhoog, een deel kiest een plaats voor een huis uit en omsluit/omgeeft (deze) met een greppel; zij kiezen wetten en magistraten en de heilige senaat. Hier graven sommigen havens uit; hier plaatsen anderen hoge fundamenten voor theaters, en hakken reusachtige zuilen uit de rotsen, (als) hoge sieraden/versieringen voor toekomstige podia/tonelen.
H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 423 - 429
CE 2020
206
(Zodanig is de inspanning) zoals bijen in de nieuwe/vroege zomer over bloemrijke velden onder de zon druk bezig houdt, wanneer zij de volwassen jongen van het volk naar buiten brengen, of wanneer ze de vloeibare honing opeenhopen en de bijencellen met zoete nectar geheel vullen, of de last van hen die (terug)komen aannemen, of na een colonne te hebben gemaakt /gevormd de darren, het luie vee van de bijenkorven afweren; het werk is in volle gang, en de geurige honing ruikt naar tijm.
H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 430 - 436
CE 2020
207
‘O gezegenden, wier muren zich reeds oprichten/verrijzen!’ zegt Aeneas, en hij kijkt omhoog naar de gevels van de stad. Hij begeeft zich, omgeven door een wolk (het is wonderlijk om te zeggen) midden door de mannen en mengt zich onder de mannen, en wordt door niemand gezien.
H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 437 - 440
CE 2020
208
Aeneas en Dido
Aeneis
6
CE 2020
209
Maar de koningin, allang gewond door een hevige liefde/zware liefdespijn, voedt de wond met haar bloed en wordt verteerd door een verborgen vuur. Veelvuldig komen de goede eigenschappen van de man (haar) telkens weer voor de geest en veelvuldig het aanzien van zijn volk; zijn gelaatstrekken en zijn woorden staan in haar borst/hart gegrift, en niet geeft de liefde een vreedzame rust aan haar ledematen.
H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 1 - 5
CE 2020
210
De volgende Aurora/Dageraad verlichtte met de fakkel van Phoebus de landen en had de vochtige duisternis verdreven uit de hemel, wanneer zij, nauwelijks bij haar verstand, zo/als volgt tot haar eensgezinde zuster spreekt:
H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 6 - 8
CE 2020
211
‘Anna, zuster, wat voor droomgezichten maken mij bang, zodat ik onrustig ben! Wat voor een buitengewone man is deze vreemdeling die gekomen is bij onze woonplaats, hoe imponerend zich gedragend in zijn optreden, met/van een hoe dapper hart en krijgsdaden/schouders!
Ik geloof stellig, en mijn vertrouwen is niet ongefundeerd, dat hij een zoon van goden is. Angst brengt geesten/harten van lage afkomst aan het licht. Ach, door welke lotsbestemmingen is hij heen en weer geslingerd! Wat voor een oorlogen, die (door hem) doorstaan zijn, bezong hij!
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 9 - 14
CE 2020
212
Als het voor mij in mijn hart niet vast/blijvend en onbeweeglijk/onwrikbaar vast zou staan/vaststond dat ik mij met niemand zou willen verenigen in een huwelijksband, nadat mijn eerste liefde mij teleurgesteld is ontglipt/ontvallen door de dood; als ik geen afkeer had gehad van het bruidsvertrek en de
huwelijksfakkel, kon ik misschien bezwijken voor deze éne ontrouw.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 15 - 19
CE 2020
213
Anna (want ik zal het bekennen) na de dood van mijn ongelukkige echtgenoot Sychaeus, en na het besmeuren van de huisgoden door de moord door mijn broer, heeft híj alleen mijn gevoelens omgebogen en mijn wankelende hart in beweging gebracht. Ik herken de sporen van een oud vuur.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 20 - 23
CE 2020
214
Maar ik zou wensen dat óf voor mij de aarde eerder in zijn diepten zich zou openen, óf de almachtige vader mij met zijn bliksem naar de schimmen zou slingeren, naar de bleke schimmen in de Erebus en naar de diepe nacht, voordat ik jou, eergevoel, schend, of jouw wetten overtreed. Hij die als eerste mij aan zich heeft gebonden, heeft mijn liefde/liefdesgevoelens meegenomen; moge hij deze bij zich houden en in zijn graf bewaren.’ Nadat zij zo gesproken had, vulde zij haar boezem met tranen, die opgeweld waren.
H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 24 - 30
CE 2020
215
Anna antwoordt: ‘O jij, die aan je zuster dierbaarder bent dan het levenslicht, zul jij alleen, bedroefd gedurende je hele jeugd verteerd worden en zul je geen zoete kinderen en geen beloningen van Venus kennen? Geloof jij dat de as of de begraven schimmen/schimmen in het graf zich hierom bekommeren?
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 31 - 34
CE 2020
216
Het zij zo: vroeger hebben geen huwelijkskandidaten jou ziek van verdriet/in je verdriet, voor zich gewonnen, niet in Libië, niet daarvóór vanuit Tyrus; Iarbas werd afgewezen en andere vorsten, die het Afrikaanse land, rijk aan triomfen, voedt: zul jij je zelfs verzetten tegen een liefde die (bij jou) in de smaak valt? En komt het niet in je gedachten op in wier land jij je gevestigd hebt?
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 35 - 39
CE 2020
217
Aan de ene kant omringen de Gaetulische steden, een volksstam onoverwinnelijk in de oorlog, en de teugelloze Numidiërs en de ongastvrije Syrte (onze stad); aan de andere kant een door droogte verlaten gebied en de wijd en zijd tierende Barceeërs. Waarom zal/moet ik de oorlogen die vanuit Tyrus ontstaan en de bedreiging(en) van je broer noemen?’
H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 40 - 44
CE 2020
218
‘Stellig onder bescherming van de goden en met de gunst van Juno meen ik dat de Trojaanse schepen door de wind hierheen koers hebben gezet. Welk een stad zul jij, zuster, hier zien oprijzen, welk een rijk (zul jij zien oprijzen) door een dergelijke verbintenis! Wanneer de wapens van de Trojanen (ons) vergezellen, tot wat een grote macht zal de Punische roem zich verheffen!
H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 45 - 49
CE 2020
219
Vraag de goden slechts om toestemming, en na offers met gunstig resultaat te hebben gebracht, draag zorg voor gastvrijheid en rijg reden aan reden om hem op te houden, zolang op zee de storm raast en de regenbrengende Orion, en (zolang) de schepen beschadigd zijn, zolang de hemel niet hanteerbaar is.’
H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 50 - 53
CE 2020
220
Met deze woorden heeft zij (Anna) haar geest/hart doen ontbranden in een hevige liefde en hoop gegeven aan haar onzekere geest en een einde gemaakt aan haar schaamte. Eerst gaan ze naar de tempels en vragen om goddelijke bijstand van altaar naar altaar (gaand); ze slachten volgens vast gebruik uitgelezen schapen aan de wetgevende Ceres en aan Phoebus en aan vader Lyaeus, in het bijzonder aan Juno, aan wie de huwelijksbanden tot zorg zijn.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 54 - 59
CE 2020
221
Terwijl de zeer mooie Dido zelf de offerschaal met haar rechterhand vasthoudt, giet zij deze leeg midden tussen de hoorns van een glanzend witte koe, of loopt heen en weer vóór de gezichten van de goden naar de altaren druipend van het vet, en ze hernieuwt de dag met geschenken, en terwijl ze met open mond naar de geopende borsten/lichamen van de dieren staart, raadpleegt ze de nog warme ingewanden.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 60 - 64
CE 2020
222
Ach, onwetende geesten van offerschouwers! Wat baten geloften haar die buiten zinnen is, wat baten tempels? Intussen verteert een vuur haar zachte merg en een zwijgende wond leeft diep in haar borst.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 65 - 67
CE 2020
223
De ongelukkige Dido wordt verteerd en dwaalt rond door de hele stad buiten zinnen, zoals een hert nadat een pijl is afgeschoten (een hert) dat argeloos op een afstand een herder te midden van de wouden van Kreta jagend met zijn pijlen heeft getroffen en hij heeft het vliegende ijzer achtergelaten, zonder het te weten: het (hert) dwaalt op zijn vlucht door de bossen en bosrijke dalen van de Dicte; het dodelijk riet blijft vastzitten in zijn flank.
H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 68 - 73
CE 2020
224
Nu eens leidt zij Aeneas met zich mee midden door de stad en toont de Sidonische macht en de stad die klaar is (om hem te ontvangen), ze begint te spreken en blijft midden in een woord steken; dan weer zoekt zij, wanneer de dag verstrijkt, eenzelfde maaltijd/gastmaal op, en zij verlangt, buiten zinnen, weer te luisteren naar de ellende van Ilium en weer hangt zij aan de lippen van degene/hem die vertelt.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 74 - 79
CE 2020
225
Later, zodra zij zijn uiteengegaan, en de verbleekte maan op haar beurt haar licht dooft en de ondergaande sterren uitnodigen tot de slaap, treurt zij alleen in het lege huis en legt ze zich ter ruste op het aanligbed dat verlaten is. Terwijl zij afwezig is/van hem gescheiden is en luistert zij naar hem en ziet hem die afwezig is of, in de ban van de gelijkenis met zijn vader, houdt zij Ascanius op haar schoot, om te zien of zij de onuitsprekelijke liefde kan misleiden.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 80 - 85
CE 2020
226
De torens, waaraan men begonnen was, verheffen zich niet, niet oefent de jeugd met wapens of bouwen zij aan de havens of versterkingen (die) veilig(heid moeten geven) tegen de oorlog: onvoltooid blijven de onderbroken werken, de geweldige bedreiging van de muren en de hijskraan, gelijkgemaakt aan de hemel.
H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 86 - 89
CE 2020
227
En de eerste Dageraad bestrooide de landen al met nieuw licht, terwijl ze het saffraangele bed van Tithonus verliet.
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 584 - 585
CE 2020
228
Zodra de koningin vanuit haar uitkijkpost(en) het eerste licht zag gloren en de vloot gelijkmatig zeilend zag voortgaan, en merkte dat de kusten leeg waren en de havens leeg zonder roeiers waren, zei ze, zich en driemaal en viermaal met haar hand op haar bekoorlijke borst slaand en zich de blonde haren uitrukkend: ‘O Jupiter! Zal deze gaan en zal hij, een vreemdeling, ons rijk bespot hebben?
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 586 - 591
CE 2020
229
Zullen sommigen geen wapens tevoorschijn halen en hen vanuit de hele stad (achter)volgen, en (zullen) anderen de schepen uit de werven wegslepen? Komt, brengt snel fakkels, geeft wapens, brengt de roeiriemen in beweging! Wat zeg ik? Of waar ben ik? Welke waanzin verandert mijn geest? Ongelukkige Dido, treffen nú jou de goddeloze daden?
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 592 - 596
CE 2020
230
Toen/op dat moment paste het (dat de goddeloze daden je troffen), toen je (hem) de heerschappij wilde geven. Kijk, de rechterhand en de trouw van hem, die/van wie ze zeggen dat hij de Penaten van zijn voorvaders met zich mee droeg, (van wie ze zeggen) dat hij zijn vader uitgeput door zijn leeftijd, op zijn schouders heeft genomen! Had ik zijn weggesleurde lichaam niet kunnen verscheuren en over de golven verstrooien? (Had ik) niet zijn metgezellen, niet Ascanius zelf met het zwaard (kunnen) doden en hem te eten aanbieden op de tafel van zijn vader?
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 597 - 602
CE 2020
231
Maar de uitslag van de strijd was onzeker geweest. Laat dat zo geweest zijn: wie had ik te vrezen, ik die op het punt stond te sterven? Dan had ik/zou ik fakkels naar zijn legerkamp hebben gebracht en de gangboorden met vlammen hebben gevuld en de zoon en de vader met zijn geslacht hebben uitgeroeid, (en) had/zou ik zelf mij erbovenop hebben gegeven/gegooid.’
H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 603 - 606
CE 2020
232
‘Zon, (u) die met uw vlammen alle werken van/op aarde verlicht, en u Juno, bemiddelaar en getuige van deze liefde, en Hecate huilend aangeroepen op de nachtelijke driesprongen in de steden en wraakzuchtige Wraakgodinnen en (wraakzuchtige) goden van de stervende Elissa, laat dit goed tot u doordringen, en richt uw goddelijke macht die zij verdienen op de slechterikken/die ik verdien op mijn ellende en hoort onze/mijn gebeden. Als het noodzakelijk is dat de afschuwelijke kerel havens bereikt en aan land aanspoelt, …
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 607 - 613
CE 2020
233
… en de lotsbepalingen van Jupiter het zo eisen (en) dit einde vaststaat, moge hij dan, geteisterd door een oorlog met een moedig volk en door wapens, verdreven uit zijn gebied, weggerukt uit de omarming van Julus, om hulp smeken en onwaardige dood(sgevallen) van de zijnen zien; en moge hij niet, wanneer hij zich zal hebben overgeleverd onder/aan de voorwaarden van een vijandige vrede, genieten van zijn heerschappij of (het door hem) gewenste leven, maar moge hij sneuvelen vóór zijn dag en onbegraven midden op het strand (liggen).
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 614 - 620
CE 2020
234
Dit/hierom smeek ik, deze laatste woorden giet ik uit samen met mijn bloed. Dan moeten jullie, Tyriërs, zijn familie en zijn hele toekomstige geslacht met haat(gevoelens) achtervolgen, en deze laatste eer aan onze/mijn as zenden/geven. Er moet geen enkele liefde en geen verdragen voor/tussen de volkeren zijn.
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 621 - 624
CE 2020
235
Moge jij als een of andere wreker uit onze botten opstaan die met fakkel en ijzer/te vuur en te zwaard de Trojaanse kolonisten moet achtervolgen, nu, ooit, op welk moment ook maar de krachten/macht voorhanden zullen/zal zijn. Dat kusten vijandig aan kusten zijn, golven (vijandig) aan golven (zijn) spreek ik als verwensing uit, wapens (vijandig) aan wapens: mogen en zijzelf en hun nakomelingen strijden.’
H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 625 - 629
CE 2020
236
Dit zei zij, en zij wendde haar geest naar alle kanten, zoekend zo snel mogelijk het gehate levenslicht af te snijden. Toen sprak zij kort tot Barce, de voedster van Sychaeus, want de donkere as in haar oude/vroegere vaderland had haar eigen voedster:
H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 630 - 633
CE 2020
237
‘Aan mij dierbare voedster, breng mijn zuster Anna hierheen: zeg dat ze zich moet haasten haar lichaam met het water uit de rivier te besprenkelen en dat ze dieren en de voorgeschreven zoenoffers met zich meeneemt. Laat zij zó komen, en jij moet zelf je slapen bedekken met een heilige band. Het is mijn bedoeling om voor de Stygische Jupiter de offerhandelingen, die ik, volgens voorschrift begonnen, heb voorbereid, te voltooien en een eind te maken aan mijn liefdesverdriet en de brandstapel van de Trojaanse persoon/schepsel prijs te geven aan het vuur.’
H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 634 - 640
CE 2020
238
Zo sprak zij. Zij (Barce) ging vlijtig op weg met de ijver van een oude vrouw. Maar Dido, onrustig en verwilderd door de afschuwelijke onderneming, draaiend/rollend haar met bloed doorlopen ogen, en haar trillende wangen bestrooid met/vol vlekken en bleek door de naderende dood, stormt het meer naar binnen gelegen gedeelte van haar huis binnen en beklimt bezeten de hoge brandstapel en ontbloot het Trojaanse zwaard, een geschenk niet voor dit gebruik verworven.
H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 641 - 647
CE 2020
239
Toen/hier, nadat zij de Trojaanse kleding en het bekende bed aanschouwd had, pauzeerde zij een korte tijd in tranen en in gedachten, en liet zich vallen op het bed en zei haar laatste woorden:
‘Aangename/zoete kleding die eens van hem was, (aangenaam) zolang het lot en de god het toestonden, neem dit leven aan en verlos mij van dit liefdesverdriet.
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 648 - 652
CE 2020
240
Ik heb geleefd en de gang, die Fortuna mij gegeven had, heb ik voltooid, en nu zal de grote schim van mij onder de aarde gaan. Ik heb een prachtige stad gebouwd, ik heb mijn muren gezien, ik heb, mijn man gewroken hebbend, van mijn vijandige broer genoegdoening gekregen, gelukkig, ach, al te gelukkig, als de Dardanische schepen maar nooit onze kusten hadden bereikt.’
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 653 - 658
CE 2020
241
Ze heeft gesproken, en met haar gezicht op het bed gedrukt zei ze: ‘Wij zullen ongewroken sterven, maar laten we sterven. Zo, zo behaagt het me/wil ik afdalen in de Onderwereld. Moge de wrede Trojaan dit vuur met zijn ogen vanaf de zee in zich opnemen en met zich het onheilsteken van onze dood meedragen.’
H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 659 - 662
CE 2020
242
Ze had gesproken, en te midden van dergelijke woorden zien de begeleiders dat zij door (de klap van) het zwaard neergestort is en dat het zwaard schuimt van het bloed en haar handen bespat zijn. Een geschreeuw stijgt op naar de hoge hallen: het Gerucht gaat als een razende rond door de geschokte stad.
H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 663 - 666
CE 2020
243
De huizen weerklinken van gejammer en gezucht en geschreeuw van vrouwen, de hemel weergalmt van groot/luid weeklagen, niet anders dan als, wanneer de vijanden zijn binnengedrongen, heel Carthago of het oude Tyrus zou instorten, en woedende vlammen zich en langs de huizen van mensen en langs die van goden zouden kronkelen.
H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 667 - 671
CE 2020
244
Haar zuster hoorde het verbijsterd en verschrikt haast zij zich in angstige gang/met angstige snelheid door degenen (heen) die tussen hen in stonden, haar gezicht met haar nagels en haar borst met haar vuisten verminkend, en zij roept de stervende bij naam: ‘Was dit dat, zuster? Was het mij die jij bedroog? Dit verschafte mij die brandstapel, dit de vuren en altaren?
H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 672 - 676
CE 2020
245
Waarover moet ik, verlaten, het eerst klagen? Heb jij al stervend je zuster als vriendin afgewezen? Jij had mij naar hetzelfde lot moeten roepen/had jij me maar . . ., dezelfde pijn (door het zwaard) en hetzelfde uur hadden ons beiden met het zwaard moeten wegnemen. Ik heb zelfs met deze handen (de brandstapel) opgericht en luid de voorvaderlijke goden aangeroepen, opdat ik van jou, wreedaard, zo gelegen, gescheiden was?
H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 677 - 681
CE 2020
246
Jij hebt jezelf en mij, zuster, vernietigd en het volk en de vaders/senatoren van Sidon en jouw stad. Geef (water), laat ik je wonden met (helder) water schoonmaken en laat ik, als er een laatste adem boven rond dwaalt, deze met mijn mond opvangen.’ Zo sprekend had zij de hoge treden beklommen en zij koesterde haar halfdode zuster, haar omarmend, aan haar boezem met/onder gezucht en zij droogde (de stromen/druppels van) het donkere bloed met haar kleed.
H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 682 - 687
CE 2020
247
Zij, terwijl ze haar zware ogen op haar beurt probeert op te richten, verliest haar kracht; de wond die is toegebracht sist diep in haar borst.
Driemaal zich oprichtend en steunend op haar elleboog heeft ze zich opgericht, driemaal is zij terug gevallen op het kussen en met ronddwalende/rondwarende ogen zocht zij het licht aan/in de hoge hemel en toen zij het gevonden had slaakte zij een diepe zucht.
H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 688 - 692
CE 2020
248
Toen/op dat moment stuurde de almachtige Juno, omdat ze medelijden had met de langdurige pijn en de moeilijke doodsstrijd Iris naar beneden van de Olympus, opdat zij de worstelende ziel en de daarmee vastgeknoopte ledematen zou bevrijden. Want omdat zij noch stierf door het lot noch door een verdiende/rechtmatige dood, maar ongelukkig vóór haar tijd en aangestoken door een plotselinge waanzin, had Proserpina nog niet bij haar van haar hoofd blond haar weggenomen en haar hoofd/persoon/leven aan de Stygische Orcus overgeleverd/gewijd.
H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 693 - 699
CE 2020
249
Dus vliegt Isis bedauwd met haar saffraangele vleugels door de hemel naar beneden, terwijl ze duizend afwisselende kleuren meesleept in de stralen van de zon en ze ging staan boven haar hoofd. ‘Ik neem op bevel dit als offer voor Pluto mee en ik maak je los van dat lichaam’: Zo spreekt ze en ze snijdt met haar rechterhand de haren af, en alle warmte verdween tegelijk en het leven week terug in de wind(en).
H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 700 - 705
CE 2020
250
Aeneas en Euander
Aeneis
9
CE 2020
251
Vervolgens keren allen terug naar de stad, nadat de godsdienstige plechtigheden waren volbracht. De koning, hoogbejaard, ging en hij hield zijn metgezel Aeneas dichtbij (zich) en zijn zoon, terwijl hij voortging, en hij bekortte de weg met een afwisselend gesprek. Aeneas bewondert /verwondert zich en hij laat zijn beweeglijke ogen rondgaan over alles, en wordt geboeid door het gebied en verheugd stelt hij vragen over alles één voor één en hoort de herinneringen aan eerdere/vroegere mannen.
H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 306 - 312
CE 2020
252
Toen zei koning Euander, stichter van de Romeinse burcht: ‘Inheemse faunen en nimfen bewoonden deze bossen en een volk van mannen geboren uit boomstammen en hard eikenhout, aan wie was/die hadden noch goede zeden noch beschaving, en die geen stieren onder het juk konden brengen of bezit vergaren of zuinig zijn met wat verworven is, maar boomvruchten en de jacht, moeilijk wat betreft levensonderhoud, voedden (hen).’
H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 313 - 318
CE 2020
253
‘Als eerste kwam Saturnus vanaf de hoge Olympus, vluchtend voor de wapens van Jupiter en als balling nadat zijn heerschappij (hem) was ontnomen. Hij verenigde het onwetende en verspreid in de hoge bergen wonende volk en gaf (het) wetten, en wilde liever dat het Latium genoemd werd/heette, aangezien hij zich op deze kusten veilig had schuil gehouden.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 319 - 323
CE 2020
254
Onder die koning waren de eeuwen die ze gouden noemen: zo regeerde hij de volkeren in rustige vrede, totdat langzamerhand een slechtere en verbleekte tijd en oorlogswaanzin en bezitsdrang volgden.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 324 - 327
CE 2020
255
Toen kwamen de Ausonische groep en Sicilische volkeren/stammen, en vaker/vrij vaak verloor het Saturnische land zijn naam; toen kwamen de koningen en Thybris, ruw door/met zijn reusachtige lichaam, naar wie wij Italiërs later de rivier met de naam Thybris/Tiber noemden; de oude Albula verloor haar echte naam.
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 328 - 332
CE 2020
256
Mij, verdreven uit mijn vaderland en zoekend de uiterste grens van de zee, hebben de almachtige Fortuna en het onontkoombare lot in dit gebied geplaatst/gebracht, en de angstaanjagende voorspellingen van mijn moeder, de nimf Carmentis en de god Apollo als haar zegsman dreven mij voort.’
H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 333 - 336
CE 2020
257
Nauwelijks zijn deze woorden gezegd/nauwelijks had hij deze woorden geuit, of verder lopend toont hij én het altaar én de poort die de Romeinen met de naam Carmentalis noemen, als een oud eerbewijs van/voor de nimf Carmentis, een voorspellende profetes, die als eerste voorspelde dat de Aeneaden groot zouden zijn en het Pallanteum beroemd.
H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 337 - 341
CE 2020
258
Vandaar toont hij een reusachtig woud, dat de krijgslustige Romulus als asyl aanwees, en onder een ijskoude rots/grot het Lupercal, op Arcadische wijze (de grot) van Pan van het Lycaeusgebergte geheten. Verder ook toont hij het bos van het heilige Argiletum en roept hij de plaats tot getuige en onderwijst /vertelt hij over de dood van zijn gastvriend Argus.
H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 342 - 346
CE 2020
259
Vanhier leidt hij naar de Tarpeïsche rots en het Capitool, nu van goud, eens ruig door/met bosachtig kreupelhout. Reeds toen maakte een huiveringwekkend ontzag voor de plaats de angstige boeren bang, reeds toen huiverden ze voor het bos en de rots.
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 347 - 350
CE 2020
260
‘Dit bos, deze’ zegt hij ‘heuvel met loverrijke top - welke god (er woont) is onzeker - bewoont een god; de Arcadiërs geloven dat ze Jupiter zelf hebben gezien, toen hij dikwijls zijn donkere aegis met zijn rechterhand zwaaide en de donderwolken in beweging bracht.
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 351 - 354
CE 2020
261
Je ziet bovendien deze twee steden met vervallen muren, resten en aandenkens van oude/vroegere mannen. Vader Janus stichtte deze (burcht), Saturnus deze burcht; voor de ene was de naam geweest/de ene had de naam Janiculum, de andere Saturnia.’
H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 355 - 358
CE 2020
262
Met dergelijke gesprekken onderling naderden ze het huis van de arme Euander, en zagen ze overal kuddes op het Forum Romanum en in de rijke Carinae loeien. Zodra men gekomen was/ze gekomen waren bij zijn woning, zei hij: ‘Deze drempel/dit huis heeft de zegevierende Hercules betreden, dit paleis heeft hem opgenomen. Heb de moed, gastvriend, om bezit te minachten en betoon u ook een god waardig, en kom zonder kritiek op armzalige zaken.’
H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 359 - 365
CE 2020
263
Hij sprak (zo), en hij bracht de reusachtige Aeneas onder het dak van zijn nauwe/krappe huis en deed hem plaatsnemen zodat hij lag op uitgespreide bladeren en op de huid van een Libische berin: de nacht valt in en omvat met zijn donkere vleugels de aarde.
H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 366 - 369
CE 2020
264
Het nieuwe schild voor Aeneas
Aeneis
10
CE 2020
265
Maar Venus, de stralende godin verscheen omgeven door hemelse wolken terwijl ze de geschenken droeg; en zodra zij haar zoon op een afstand in een afgelegen dal afgezonderd zag bij een zeer koude rivier, sprak zij hem toe met dergelijke woorden en zij toonde zich onverwachts: ‘Kijk de beloofde geschenken, voltooid door de vaardigheid/het vakmanschap van mijn echtgenoot. Aarzel niet om weldra, mijn zoon, of de trotse inwoners van Laurentum of de vurige Turnus tot een gevecht uit te dagen.’
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 608 - 614
CE 2020
266
(Zo) sprak ze, en Cytherea wilde haar zoon omarmen/omarmde haar zoon, ze plaatste de stralende wapens onder/aan de voet van een tegenoverliggende eik. Hij, blij met de geschenken van de godin en de zo grote pracht, heeft geen ogen genoeg en hij laat zijn ogen gaan over de afzonderlijke dingen, en hij bewondert en hij wendt en keert steeds tussen zijn handen en armen/hij laat steeds door zijn handen en armen gaan een helm verschrikkelijk door de helmbos en vlammen uitspuwend, …
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 615 - 620
CE 2020
267
… en een dood brengend zwaard, een harnas stijf staand van het koper, rood als bloed, geweldig, zoals wanneer een blauwe wolk gloeiend wordt door de stralen van de zon en wijd en zijd schittert; dan/vervolgens lichte scheenplaten van omgesmolten zilvergoud en goud, en een speer en een niet te vertellen samenstel van een schild.
H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 621 - 625
CE 2020
268
Daar had de vuurgod, niet onbekend met zieners en niet onwetend met de tijd die zou komen, Italische krijgsdaden/geschiedenis en zegetochten van de Romeinen afgebeeld, daar het hele geslacht van de toekomstige nakomelingen vanaf Ascanius en de oorlogen die achtereenvolgens gevochten zijn.
H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 626 - 629
CE 2020
269
Hij had ook afgebeeld dat een wolvin die pas jongen had geworpen, in de grasrijke grot van Mars was gaan liggen, dat de beide jongens speelden terwijl ze rondom haar tepels hingen en dat zij zonder angst bij hun moeder dronken, dat zij, nadat ze haar ronde nek naar achteren gebogen had, hen beurtelings likte en met haar tong de lichamen vormde/vorm gaf.
H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 630 - 634
CE 2020
270
En niet ver hiervandaan had hij Rome en de Sabijnse vrouwen, gewelddadig geroofd van/uit het publiek van de toeschouwersruimte, terwijl de grote Spelen in de circus werden gehouden, toegevoegd, en dat plotseling een onverwachte oorlog uitbrak tussen het volk van Romulus en de oude Tatius en het strenge Cures. Hierna stonden, nadat de strijd was beëindigd, dezelfde koningen bij elkaar vóór het altaar van Jupiter gewapend en terwijl ze offerschalen vasthielden, en nadat een zeug was gedood, sloten ze een verbond.
H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 635 - 641
CE 2020
271
Niet ver hiervandaan hadden vierspannen, in tegengestelde richtingen in beweging gezet, Mettus uiteengescheurd (maar was jij maar, inwoner van Alba, trouw gebleven aan je woorden!), en Tullus sleepte met geweld de ingewanden van de leugenachtige man door het bos, en besprenkeld met bloed dropen de struiken van het bloed.
H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 642 - 645
CE 2020
272
En ook beval Porsenna (de Romeinen) de verbannen Tarquinius aan te nemen/op te nemen en hij bracht de stad door een geweldige belegering in het nauw; het volk van Aeneas snelde voor de vrijheid te wapen. Je zou hem kunnen zien gelijk aan degene/iemand die verontwaardigd is en gelijk aan degene/iemand die dreigt, omdat Cocles het waagde de brug af te breken en Cloelia, nadat ze haar boeien had gebroken, in de rivier zwom.
H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 646 - 651
CE 2020
273
Op de top stond Manlius, de wachter van de Tarpeïsche burcht voor de tempel en beschermde het hoge Capitool, en het pas herstelde paleis had met/door het strodak van Romulus een ruw uiterlijk. En hier krijste een gans van zilver, klapwiekend in de met goud versierde zuilengangen, dat de Galliërs op de drempel aanwezig waren/verschenen; de Galliërs verschenen door het kreupelhout en bereikten de burcht, beschermd door de duisternis en het geschenk van de donkere nacht.
H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 652 - 658
CE 2020
274
Zij hadden haar van goud en kleding van goud, ze schitteren in hun gestreepte korte mantels, verder worden hun melkwitte halzen omstrengeld met goud, ieder slingert met zijn hand twee zware alpenwerpspiezen, beschermd wat hun lichamen betreft/hun lichamen beschermend door lange schilden.
H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 659 - 662
CE 2020
275
Hier had hij de dansende Saliërs en de naakte Luperci en de woldragende puntmutsen en de schilden, gevallen uit de hemel, uitgeslagen, eerzame moeders voerden heilige voorwerpen mee door de stad in hun zachte staatsiekoetsen. Ver hiervandaan voegt hij ook de plaatsen van de Onderwereld toe, de hoge poorten van Dis, …
H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 663 - 667
CE 2020
276
en de straffen voor de misdaden/van de misdadigers, en jou, Catilina, hangend aan een dreigend uitstekende hoge rots en sidderend voor de gezichten van de Furiën, en op een aparte plaats de vromen (en) Cato die aan hen recht geeft.
H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 668 - 670
CE 2020
277
Tussen deze (voorstellingen) ging wijd en zijd het gouden beeld van de stormachtige zee, maar de zee schuimde met zijn grijswitte golven, en rondom streken dolfijnen blinkend door/van zilver in een cirkel over de zeespiegel heen met hun staarten en zij doorkliefden de branding. In het midden (van de zee) was het mogelijk om met brons beslagen vloten, de oorlog/strijd bij Actium, te zien, en je had heel Leucates kunnen zien krioelen van geordende strijdkrachten en de golven (had je kunnen zien) schitteren van goud.
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 671 - 677
CE 2020
278
Aan deze kant Caesar Agustus/de Verhevene die de Italiërs ten strijde voert samen met de senatoren en het volk, de penaten en/namelijk de grote goden, terwijl hij op de hoge achtersteven stond, voor wie/wiens slapen opgewekt twee vlammen uitstralen en op wiens kruin de komeet van zijn vader zich vertoont. Aan een andere kant Agrippa, die hoog verheven/trots met gunstige wind(en) en goden zijn krijgsmacht aanvoert, voor wie, een trots oorlogsteken, de met scheepssnebben versierde slapen schitteren door/van de scheepskrans.
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 678 - 684
CE 2020
279
Aan die kant Antonius met een uitheemse legermacht/pracht en uiteenlopende wapens, voert, als overwinnaar terugkerend van volkeren van het Oosten en de rode kust, Egypte (en) strijdkrachten van het Oosten en het uiterste Bactra met zich mee, en zijn Egyptische echtgenote (een misdaad) volgt (hem).
H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 685 - 688
CE 2020
280
Tegelijk stormen allen voort en de hele zee schuimt omgewoeld door roeispanen, die ze naar zich toe hebben getrokken, en door de drietandige scheepssnebben. Ze gaan af op de volle zee; je zou kunnen geloven dat de losgerukte Cycladen op de zee dreven of hoge bergen op bergen botsten, met de van torens voorziene schepen van zo’n gevaarte achtervolgen de mannen/van zo’n gevaarte zijn de van torens voorziene schepen waarmee de mannen op de hielen zitten.
H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 689 - 693
CE 2020
281
Met de hand worden vlammen/brandpijlen van (touw)werk en vliegend ijzer van hun schachten geworpen, de velden van Neptunus worden met/door het recente/ongehoorde bloedbad rood gekleurd. In het midden roept de koningin haar troepen met de voorvaderlijke ratel, en ook nog niet kijkt zij om naar de twee slangen in de rug.
H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 694 - 697
CE 2020
282
En wonderlijke verschijnsels van allerlei soorten goden en de blaffer Anubis houden hun wapens (gericht) tegen Neptunus en Venus en tegen Minerva.
In het midden van de strijd raast Mars, uit ijzer gedreven, en vanuit de lucht de sombere/akelige Wraakgodinnen, en zich verheugend schrijdt Tweedracht voort in haar gescheurde mantel, die Bellona met haar bloedige zweep volgt.
H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 698 - 703
CE 2020
283
Terwijl hij dit zag, spande Apollo van Actium zijn boog van boven af; uit angst voor hem sloegen heel Egypte en de Indiërs, elke Arabier, alle inwoners van Saba op de vlucht. De koningin zelf werd gezien/Men zag dat de koningin zelf nadat zij de winden had aangeroepen, de zeilen hees en aanstonds de schoten vierde.
H10 §1 h. De vlucht (p.156); 704 - 708
CE 2020
284
De Vuurgod had afgebeeld dat zij temidden van het bloedbad, bleek door de toekomstige/naderende dood, meegevoerd werd door golven en de Noordwestenwind, ertegenover echter de Nijl met zijn grote lichaam terwijl hij treurde en zijn plooien opende en met zijn gehele kleding de overwonnenen riep naar zijn blauwe schoot en zijn stromen vol schuilplaatsen.
H10 §1 h. De vlucht (p.156); 709 - 713
CE 2020
285
Maar Caesar, nadat hij in/met een drievoudige triomftocht de Romeinse muren was binnengetrokken, wijdde aan de Italische goden een onsterfelijk offer/droeg aan de Italische goden een onsterfelijke wens op, driehonderd zeer grote tempels over de hele stad. De straten weerklonken van blijdschap (en) spelen en applaus; bij alle tempels was een koor van moeders, alle hadden altaren; vóór de altaren bedekten gedode jonge stieren de grond.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 714 - 719
CE 2020
286
Zelf, zittend op de schitterende witte drempel van de stralende Phoebus, inspecteert hij de geschenken van volkeren en hij maakt ze vast aan de trotse deurposten; de overwonnen volkeren gaan voort in een lange rij, net zo verschillend in hun talen, als in de aard van hun kleding en in hun wapens.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 720 - 723
CE 2020
287
Hier had Mulciber de volksstam van de Nomaden en de Afrikanen met loshangend gewaad vervaardigd, hier de Lelegers en de Cariërs en de pijlendragende Gelonen; de Euphraat ging met zijn golven nu zachter, en als uiterste/laatste van de mensen (gingen) de Morini, en de Rijn met zijn twee mondingen en de ongetemde Dahers, en Araxes, die zich had boos gemaakt over de brug.
H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 724 - 728
CE 2020
288
Dergelijke dingen bewondert hij overal op het schild van Vulcanus, het geschenk van zijn moeder, en onbekend met de dingen/gebeurtenissen verheugt hij zich in de afbeelding ervan, terwijl hij en de roem en de lotgevallen van zijn nakomelingen op zijn schouder tilt/neemt.
H10 §1 j. Aeneas neemt het schild in ontvangst (p.160); 729 - 731
CE 2019
289
͞
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞͞ ͞
CE 2019
290
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
͞
CE 2019
291
U
U
U
U
CE 2019
292
Si quid habent igitur vatum praesagia veri,
130 protinus ut moriar, non ero, terra, tuus.
Sive favore tuli, sive hanc ego carmine famam,
iure tibi grates, candide lector, ago.
11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)
S
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
U
͞
U
͞
U
͞
͞
U
U
͞
U
U
͞
͞
U
͞
U
͞
͞
͞
U
U
͞
U
U