1 of 292

CE 2020

1

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro

Publius Vergilius Maro

Examen Latijn 2020*

�*Disclaimer. Met dit PowerPoint document wil ik de examenkandidaten Latijn 2020 extra ondersteuning geven. De gescandeerde verzen zijn hopelijk foutloos, maar waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt. Meld mij eventuele onvolkomenheden (m.dehoon@jdw.nl). Aan de inhoud van dit examendocument kunnen vanwege bovenstaande geen rechten ontleend worden.

2 of 292

CE 2020

2

Vergilius

  • Aeneis I, 223-304 Venus vraagt Jupiter steun voor Aeneas (hoofdstuk* 2)
  • Aeneis I, 305-440 Aeneas ontmoet zijn moeder (hoofdstuk 3)
  • Aeneis IV, 1-89 Dido is verliefd (hoofdstuk 6)
  • Aeneis IV, 584-705 De dood van Dido (hoofdstuk 6)
  • Aeneis VIII, 306-369 Aeneas wordt door Euander rondgeleid (hoofdstuk 9)
  • Aeneis VIII, 608-731 Aeneas bekijkt het nieuwe schild (hoofdstuk 10)

* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Latijnse teksten. Dat zijn 617 verzen.

3 of 292

CE 2020

3

  • Lees de syllabus aandachtig door: die geeft je een uitstekend overzicht van wat je moet kennen en kunnen: pp. 228 – 233.
  • Word wegwijs in je boek.
    • Hoofdstuk* 14 (pp.186 – 188) gaat over het metrum. Daar ben je veel mee bezig, puur om routine te krijgen. Blijf oefenen.
    • In hoofdstuk 15 (pp.189 – 194, roze kleurtjes) vind je alle stijlmiddelen, verteltechnische middelen en redeneerbegrippen.
    • In hoofdstuk 16 (pp.195 – 204, saaie grijze kleurtjes) vind je de meeste grammaticale items uitgelegd, aan de hand van Latijnse zinnen.
    • In hoofdstuk 17 (pp. 205 – 217, lichtblauwe kleurtjes) vind je de basiswoorden. Vanaf p. 236 vind je een alfabetische woordenlijst. Handig voor het zelfstandig vertalen. Thuis / in de les / op de plee etc.

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro

* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel

4 of 292

CE 2020

4

  • Lees op het juiste moment de Nederlandse tekst van de theoretische hoofdstukken door (hoofdstuk* 1, 4, 7) met aan het eind steeds die aandachtspunten in de grijze blokken.
  • Lees op het juiste moment de voorvertaalde teksten (in diverse hoofdstukken) door. Dat mag redelijk oppervlakkig.
  • Lees altijd de inleidende Nederlandse tekst bij een verhaal goed door.
  • Na de Latijnse teksten staan begripsvragen. Beantwoorden, altijd. Ook na voorvertaalde passages staan vragen. Ook beantwoorden, ook altijd.
  • Hele nuttige vragen over het hele pensum (=alle Latijnse teksten die je moet lezen, leren en beheersen) staan achteraan in hoofdstuk 11 (p.176). Inderdaad, alle 21 beantwoorden.

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Wat moet je allemaal doen? Veel lezen sowieso!

* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel

5 of 292

CE 2020

5

Superlatijn? Was da?

Da’s ditte…

Alleen geen

examendocument

meer….

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Website www.superlatijn.nl

6 of 292

CE 2020

6

7 of 292

Lionello Spada

8 of 292

CE 2020

8

Dit lijkt op een aantekeningenschrift:

Vertaling van de tekst met een grote regelafstand,

zodat je veel aantekeningen kunt maken bij een

versregel.

Er zijn vaak veel aantekeningen te maken en

als je te weinig ruimte neemt kun je niet alle

aantekeningen maken. Dat zou een beetje jammer

zijn, want dan ben je toch minder goed voorbereid op

de twee zware toetsen die nog gaan komen. Je weet

wel, die met weging 4 en waar je ook bij moet

vertalen. Maar ja, je mag er dan ook twee uren aan

werken.

Lesuren, geen klokuren.

vertaling: zelfstandig naamwoord

grote: bijvoeglijk naamwoord

jammer: sneu, triest, synoniem

twee: telwoord, geen hyperbool

4: kanone, dat was niet afgesproken!

lesuren ≠ klokuren

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. Hoe maak je aantekeningen?

9 of 292

CE 2020

9

S

Als je deze rechts boven in de hoek ziet staan ga je de tekst op de dia eerst SCANDEREN! De letterspatiëring is op dat soort dia’s aangepast. Tekst goed overnemen en aan de slag. De dactylische hexameter mag geen geheimen meer voor je hebben. En de oplossing staat steeds … op de volgende dia! Leuker kunnen we het niet maken.

S

S

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro

10 of 292

CE 2020

10

Basisschema dactylische hexameter:

|

|

|

|

|

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

1

2

3

4

5

6

Twee U te vervangen door één —

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. SCANDEREN

Let goed op bij elisie. Bij elisie gaat de laatste lettergreep van het eerste woord, die eindigt op een klinker, een tweeklank of een –m, op in de eerste lettergreep van het tweede woord. De letter h telt niet als medeklinker, maar vervalt. Soms is de letter i een j (en dus geen klinker!), soms gewoon een i: iuvenis is te beschouwen als ju-ve-nis (3 lettergrepen, niet 4), regina gewoon als re-gi-na (keurig 3 lettergrepen).

Elisie is op twee manieren aangegeven op de dia’s, waarop tekst is voor gescandeerd. Er staat een elisieboogje onder de twee betrokken woorden ( ) en, afhankelijk van de lengte van de uiteindelijke lettergreep in bruin een lange makron ( ) of een wat grotere breve ( ). Makkelijker kunnen we het niet maken…

͞͞ ͞

U

11 of 292

CE 2020

11

Examen Latijn 2019: scanderen

Basisschema dactylische hexameter:

|

|

|

|

|

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

1

2

3

4

5

6

Even iets over de laatste lettergreep van het vers, dus de tweede lettergreep van de zesde voet.

Op het examen mag je de laatste lettergreep altijd als (lang) noteren. Maar soms is die lettergreep echt (kort)! Denk aan een ABL SG van een substantivum van de 3e declinatie (regĕ, patrĕ, orĕ) of de NOM SG van de a-declinatie (sagittă), of aan de slot-e van een INF (manerĕ). De afspraak is dat je dat niet hoeft te weten. Mooi als je het wél weet natuurlijk, maar altijd een noteren is toegestaan.

Bij de scansie van de voorgedane verzen is er in dat geval een neergezet,

maar in rood ( ). Dan zie je meteen dat daar een breve hoort en geen makron.

U

U

U

nummering voeten is niet verplicht!

Examen Latijn 2020: Publius Vergilius Maro. SCANDEREN

12 of 292

CE 2020

12

Aeneis I

De goden en het lot van Aeneas (hoofdstuk 2)

Aeneis I

Aeneas ontmoet zijn moeder (hoofdstuk 3)

Aeneis IV

Aeneas en Dido (hoofdstuk 6)

Aeneis VIII

Aeneas en Euander (hoofdstuk 9)

Aeneis VIII

Het nieuwe schild voor Aeneas (hoofdstuk 10)

Aeneis I

De goden en het lot van Aeneas (hoofdstuk 2)

Aeneis I

Aeneas ontmoet zijn moeder (hoofdstuk 3)

Aeneis IV

Aeneas en Dido (hoofdstuk 6)

Aeneis VIII

Aeneas en Euander (hoofdstuk 9)

Aeneis VIII

Het nieuwe schild voor Aeneas (hoofdstuk 10)

13 of 292

CE 2020

13

De goden

en het lot

van Aeneas

Aeneis

2

liber I

14 of 292

14

M. de Hoon - Johan de Witt-gymnasium

Vertaalwedstrijd voor gymnasiasten. Vind je Latijn leuk? Oefen je graag met extra Latijn als je niet zo sterk bent? Wil je gewoon alles uit je gymnasiumcarrière halen wat er in zit, zelfs eeuwige roem?

Je leest een klein pensum (Iuvenalis, een satyricus) en daar moet je op de toets vragen over kunnen beantwoorden. Gewoon, vragen die je gewend bent: grammaticaal, inhoudelijk, stilistisch.

Inschrijving geopend: mail aan m.dehoon@jdw.nl. Snel inschrijven!

Eerste selectieronde op school: vrijdag 1 november 9e en 10e uur. Noteer de datum in je agenda.

15 of 292

CE 2020

15

Wapenfeiten en de man bezing ik, die als eerste vanaf de kusten van Troje op de vlucht door het noodlot naar Italië kwam en naar de stranden van Lavinium, nadat hij veel én over land én over zee voortgejaagd was door de macht van de goden, wegens de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno, nadat hij ook in de oorlog veel geleden had, totdat hij een stad zou stichten en zijn goden Latium binnen zou brengen; vandaar het Latijnse geslachten de Albaanse vaderen en de muren van het hoge Rome. Muze, verhaal mij de oorzaken, door welke belediging van haar goddelijke macht of waarover verbitterd de koningin der goden een man, in het oog springend door plichtsbesef gedwongen heeft zoveel lotgevallen te ondergaan, zoveel inspanningen op zich te nemen. Zijn/is er dan zo grote woede(s) in de harten van de hemelingen?

Er was een oude stad (Tyrische kolonisten bewoonden die) Carthago, tegenover Italië en in de verte tegenover de Tiber-

monding, rijk aan schatten en zeer woest in haar verlangens naar/voorliefde voor oorlog, die, zo zegt men, Juno in het bijzonder, meer dan alle landen gekoesterd heeft, zelfs met achterstelling van Samos. Hier waren haar wapens, hier haar wagen; dat deze de heerseres over de volkeren was, als het noodlot het op de een of andere manier toestond, daar spande de godin zich toen al voor in en ze koesterde die wens. Maar eigenlijk had ze gehoord dat uit Trojaans bloed nageslacht voortkwam dat eenmaal de Tyrische burcht zou verwoesten; dat hieruit een volk zou komen, wijd en zijd heersend en trots in de oorlog, ter verwoesting van Libië; dat de Parcen het zo beschikten. Saturnus’ dochter, daarvoor bang en denkend aan de oude oorlog die zij eerder bij Troje voor haar geliefde Argos gevoerd had – en ook waren nog niet de oorzaken van haar boosheid en het wrede verdriet uit haar hart verdwenen; diep in haar geest blijft weggeborgen het oordeel van Paris en het onrecht van haar versmade schoonheid en het gehate geslacht en het ereambt van de geschaakte Ganymedes – hield, door deze dingen bovendien geïrriteerd, de Trojanen, die over de hele zee heen en weer gejaagd waren, restanten van de Danai en van de meedogenloze Achilles, ver weg van Latium, en gedurende vele jaren zwierven zij, gedreven door de lotsbeschikkingen, over alle zeeën rond. Zoveel inspanning kostte het om het Romeinse volk te stichten. (Aen. I, 1 – 33)

16 of 292

CE 2020

16

Wapenfeiten en de man bezing ik, die als eerste vanaf de kusten van TROJE op de vlucht door het noodlot naar Italië kwam en naar de stranden van Lavinium, nadat hij veel én over land én over zee voortgejaagd was door de macht van de goden, wegens de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno, nadat hij ook in de oorlog veel geleden had, totdat hij een stad zou stichten en zijn goden Latium binnen zou brengen; vandaar het Latijnse geslachten de Albaanse vaderen en de muren van het hoge ROME. Muze, verhaal mij de oorzaken, door welke belediging van haar goddelijke macht of waarover verbitterd de koningin der goden een man, in het oog springend door plichtsbesef gedwongen heeft zoveel lotgevallen te ondergaan, zoveel inspanningen op zich te nemen. Zijn/is er dan zo grote woede(s) in de harten van de hemelingen? (Aen. I, 1 – 11)

17 of 292

CE 2020

17

Er was een oude stad (Tyrische kolonisten bewoonden die) Carthago, tegenover Italië en in de verte tegenover de Tibermonding, rijk aan schatten en zeer woest in haar verlangens naar/voorliefde voor oorlog, die, zo zegt men, Juno in het bijzonder, meer dan alle landen gekoesterd heeft, zelfs met achterstelling van Samos. Hier waren haar wapens, hier haar wagen; dat deze de heerseres over de volkeren was, als het noodlot het op de een of andere manier toestond, daar spande de godin zich toen al voor in en ze koesterde die wens. Maar eigenlijk had ze gehoord dat uit Trojaans bloed nageslacht voortkwam dat eenmaal de Tyrische burcht zou verwoesten; dat hieruit een volk zou komen, wijd en zijd heersend en trots in de oorlog, ter verwoesting van Libië; dat de Parcen het zo beschikten. Saturnus’ dochter, daarvoor bang en denkend aan de oude oorlog die zij eerder bij Troje voor haar geliefde Argos gevoerd had – en ook waren nog niet de oorzaken van haar boosheid en het wrede verdriet uit haar hart verdwenen; diep in haar geest blijft weggeborgen het oordeel van Paris en het onrecht van haar versmade schoonheid en het gehate geslacht en het ereambt van de geschaakte Ganymedes – hield, door deze dingen bovendien geïrriteerd, de Trojanen, die over de hele zee heen en weer gejaagd waren, restanten van de Danai en van de meedogenloze Achilles, ver weg van Latium, en gedurende vele jaren zwierven zij, gedreven door de lotsbeschikkingen, over alle zeeën rond. Zoveel inspanning kostte het om het Romeinse volk te stichten. (Aen. I, 12 – 33)

18 of 292

CE 2020

18

1177

1184

814 - 146

Rome: 753

Minimaal opmerkelijk:

  • Carthago wordt gesticht in 814, maar al in 1177 door Aeneas bereikt. Merkwaardige storm dus.
  • Carthago is in de aanhef al Juno’s favoriete stad (haar wapens en wagen bevonden zich daar: Aen.1, 15-16).
  • Juno is bang dat Aeneas’ nageslacht Carthago verwoest, maar wanneer ís zij bang? Tussen 814 en 146, dat moet wel. Na 814 bestond Carthago pas.
  • Wat doet Juno aan die angst? �Ze gaat terug in de tijd, eeuwen terug! Naar 1177, wanneer ze een storm �laat ontketenen door Aeolus.�Back to the future…
  • Sterker nog, die storm doet Aeneas van 1177 in één keer belanden in 814. Knap.
  • De storm van 1176 (Aeneas zit ongeveer één jaar in Carthago te dingesen met Dido) blaast Aeneas weer terug vanuit 814. Back from the future dus… Wonderlijk.

(Met dank aan: https://medium.com/in-medias-res/back-to-the-future-in-virgils-aeneid-2e69efa6cf2f )

1176

19 of 292

CE 2020

19

Aeneas

Lavinia

Creüsa

Ascanius

Silvius

Jupiter

Elektra

Priamus

Dardanus

Proca

Amulius

Numitor

Rhea Silvia

Mars

Romulus

Remus

Venus

Anchises

20 of 292

CE 2020

20

Et iam finis erat, cum Iuppiter aethere summo

despiciens mare velivolum terrasque iacentis

225 litoraque et latos populos, sic vertice caeli

constitit et Libyae defixit lumina regnis.

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 223 - 226

S

21 of 292

CE 2020

21

Et iam finis erat, cum Iuppiter aethere summo

despiciens mare velivolum terrasque iacentis

225 litoraque et latos populos, sic vertice caeli

constitit et Libyae defixit lumina regnis.

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 223 - 226

S

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞͞ ͞

22 of 292

CE 2020

22

Atque illum talis iactantem pectore curas

tristior et lacrimis oculos suffusa nitentis

adloquitur Venus: ‘O qui res hominumque deumque

230 aeternis regis imperiis et fulmine terres,

quid meus Aeneas in te committere tantum,

quid Troes potuere, quibus, tot funera passis,

cunctus ob Italiam terrarum clauditur orbis?

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 227 - 233

23 of 292

CE 2020

23

Certe hinc Romanos olim, volventibus annis,

235 hinc fore ductores, revocato a sanguine Teucri,

qui mare, qui terras omnis dicione tenerent,

pollicitus – Quae te, genitor, sententia vertit?’

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 234 - 237

24 of 292

CE 2020

24

‘Hoc equidem occasum Troiae tristisque ruinas

solabar fatis contraria fata rependens;

240 nunc eadem fortuna viros tot casibus actos

insequitur. Quem das finem, rex magne, laborum?

H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 238 - 241

25 of 292

CE 2020

25

Antenor potuit mediis elapsus Achivis

Illyricos penetrare sinus atque intima tutus

regna Liburnorum et fontem superare Timavi,

245 unde per ora novem vasto cum murmure montis

it mare proruptum et pelago premit arva sonanti.

H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 242 - 246

26 of 292

CE 2020

26

Hic tamen ille urbem Patavi sedesque locavit

Teucrorum et genti nomen dedit armaque fixit

Troia, nunc placida compostus pace quiescit:

250 nos, tua progenies, caeli quibus adnuis arcem,

navibus (infandum!) amissis unius ob iram

prodimur atque Italis longe disiungimur oris.

Hic pietatis honos? Sic nos in sceptra reponis?’

H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 247 - 253

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

27 of 292

CE 2020

27

Olli subridens hominum sator atque deorum

255 vultu, quo caelum tempestatesque serenat,

oscula libavit natae, dehinc talia fatur: dehinc > djinc: synizesis

‘Parce metu, Cytherea, manent immota tuorum

fata tibi; cernes urbem et promissa Lavini

moenia sublimemque feres ad sidera caeli

260 magnanimum Aenean; neque me sententia vertit.

H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 254 - 260

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

28 of 292

CE 2020

28

Hic tibi (fabor enim, quando haec te cura remordet,

longius, et volvens fatorum arcana movebo)

bellum ingens geret Italia populosque ferocis

contundet moresque viris et moenia ponet,

265 tertia dum Latio regnantem viderit aestas,

ternaque transierint Rutulis hiberna subactis.’

H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 261 - 266

29 of 292

CE 2020

29

‘At puer Ascanius, cui nunc cognomen Iulo

additur (Ilus erat, dum res stetit Ilia regno),

triginta magnos volvendis mensibus orbis

270 imperio explebit, regnumque ab sede Lavini

transferet, et Longam multa vi muniet Albam.

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 267 - 271

30 of 292

CE 2020

30

Hic iam ter centum totos regnabitur annos

gente sub Hectorea, donec regina sacerdos

Marte gravis geminam partu dabit Ilia prolem.

275 Inde lupae fulvo nutricis tegmine laetus

Romulus excipiet gentem et Mavortia condet

moenia Romanosque suo de nomine dicet.

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 272 - 277

31 of 292

CE 2020

31

His ego nec metas rerum nec tempora pono:

imperium sine fine dedi. Quin aspera Iuno,

280 quae mare nunc terrasque metu caelumque fatigat,

consilia in melius referet, mecumque fovebit

Romanos, rerum dominos gentemque togatam.’

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 278 - 282

S

32 of 292

CE 2020

32

His ego nec metas rerum nec tempora pono:

imperium sine fine dedi. Quin aspera Iuno,

280 quae mare nunc terrasque metu caelumque fatigat,

consilia in melius referet, mecumque fovebit

Romanos, rerum dominos gentemque togatam.’

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 278 - 282

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞͞ ͞

33 of 292

CE 2020

33

‘Sic placitum. Veniet lustris labentibus aetas

cum domus Assaraci Pthiam clarasque Mycenas

285 servitio premet ac victis dominabitur Argis.

H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 282 - 285

34 of 292

CE 2020

34

Nascetur pulchra Troianus origine Caesar,

imperium Oceano, famam qui terminet astris,

Iulius, a magno demissum nomen Iulo.

Hunc tu olim caelo spoliis Orientis onustum

290 accipies secura; vocabitur hic quoque votis.

H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 286 - 290

35 of 292

CE 2020

35

Aspera tum positis mitescent saecula bellis:

cana Fides et Vesta, Remo cum fratre Quirinus

iura dabunt; dirae ferro et compagibus artis

claudentur Belli portae; Furor impius intus

295 saeva sedens super arma et centum vinctus aënis

post tergum nodis fremet horridus ore cruento.’

H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 291 - 296

36 of 292

CE 2020

36

Haec ait et Maia genitum demittit ab alto,

ut terrae utque novae pateant Karthaginis arces

hospitio Teucris, ne fati nescia Dido

300 finibus arceret. Volat ille per aëra magnum

remigio alarum ac Libyae citus astitit oris.

H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 297 - 301

37 of 292

CE 2020

37

Et iam iussa facit, ponuntque ferocia Poeni

corda volente deo; in primis regina quietum

accipit in Teucros animum mentemque benignam.

H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 302 - 304

38 of 292

CE 2020

38

Aeneas ontmoet zijn moeder

3

Aeneis

liber I

39 of 292

CE 2020

39

305 At pius Aeneas, per noctem plurima volvens,

ut primum lux alma data est, exire locosque

explorare novos, quas vento accesserit oras,

qui teneant (nam inculta videt), hominesne feraene,

quaerere constituit, sociisque exacta referre.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 305 - 309

S

40 of 292

CE 2020

40

305 At pius Aeneas, per noctem plurima volvens,

ut primum lux alma data est, exire locosque

explorare novos, quas vento accesserit oras,

qui teneant (nam inculta videt), hominesne feraene,

quaerere constituit, sociisque exacta referre.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 305 - 309

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

41 of 292

CE 2020

41

310 Classem in convexo nemorum sub rupe cavata

arboribus clausam circum atque horrentibus umbris

occulit; ipse uno graditur comitatus Achate,

bina manu lato crispans hastilia ferro.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 310 - 313

42 of 292

CE 2020

42

Cui mater media sese tulit obvia silva,

315 virginis os habitumque gerens, et virginis arma

Spartanae, vel qualis equos Threissa fatigat

Harpalyce, volucremque fuga praevertitur Hebrum.

Namque umeris de more habilem suspenderat arcum

venatrix, dederatque comam diffundere ventis,

320 nuda genu, nodoque sinus collecta fluentis.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 314 - 320

43 of 292

CE 2020

43

Ac prior, ‘Heus’, inquit, ‘iuvenes, monstrate, mearum

vidistis si quam hic errantem forte sororum,

succinctam pharetra et maculosae tegmine lyncis,

aut spumantis apri cursum clamore prementem.’

H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 321 - 324

44 of 292

CE 2020

44

325 Sic Venus et Veneris contra sic filius orsus:

‘Nulla tuarum audita mihi neque visa sororum,

o quam te memorem, virgo? Namque haud tibi vultus

mortalis, nec vox hominem sonat; o, dea certe

(an Phoebi soror? an Nympharum sanguinis una?),...

H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 325 - 329

45 of 292

CE 2020

45

330 ... sis felix, nostrumque leves, quaecumque, laborem,

et, quo sub caelo tandem, quibus orbis in oris

iactemur, doceas: ignari hominumque locorumque

erramus, vento huc vastis et fluctibus acti.

Multa tibi ante aras nostra cadet hostia dextra.’

H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 330 - 334

46 of 292

CE 2020

46

335 Tum Venus: ‘Haud equidem tali me dignor honore;

virginibus Tyriis mos est gestare pharetram

purpureoque alte suras vincire cothurno.

Punica regna vides, Tyrios et Agenoris urbem;

sed fines Libyci, genus intractabile bello.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 335 - 339

S

47 of 292

CE 2020

47

335 Tum Venus: ‘Haud equidem tali me dignor honore;

virginibus Tyriis mos est gestare pharetram

purpureoque alte suras vincire cothurno.

Punica regna vides, Tyrios et Agenoris urbem;

sed fines Libyci, genus intractabile bello.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 335 - 339

S

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞͞ ͞

48 of 292

CE 2020

48

340 Imperium Dido Tyria regit urbe profecta,

germanum fugiens. Longa est iniuria, longae

ambages; sed summa sequar fastigia rerum.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 340 - 342

49 of 292

CE 2020

49

Huic coniunx Sychaeus erat, ditissimus auri

Phoenicum, et magno miserae dilectus amore,

345 cui pater intactam dederat, primisque iugarat

ominibus. Sed regna Tyri germanus habebat

Pygmalion, scelere ante alios immanior omnis.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 343 - 347

50 of 292

CE 2020

50

Quos inter medius venit furor. Ille Sychaeum

impius ante aras, atque auri caecus amore,

350 clam ferro incautum superat, securus amorum

germanae; factumque diu celavit, et aegram,

multa malus simulans, vana spe lusit amantem.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 348 - 352

S

51 of 292

CE 2020

51

Quos inter medius venit furor. Ille Sychaeum

impius ante aras, atque auri caecus amore,

350 clam ferro incautum superat, securus amorum

germanae; factumque diu celavit, et aegram,

multa malus simulans, vana spe lusit amantem.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 348 - 352

S

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

52 of 292

CE 2020

52

Ipsa sed in somnis inhumati venit imago

coniugis, ora modis attollens pallida miris;

355 crudelis aras traiectaque pectora ferro

nudavit, caecumque domus scelus omne retexit.

Tum celerare fugam patriaque excedere suadet,

auxiliumque viae veteres tellure recludit

thesauros, ignotum argenti pondus et auri.

H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 353 - 359

53 of 292

CE 2020

53

360 His commota fugam Dido sociosque parabat.

Conveniunt, quibus aut odium crudele tyranni

aut metus acer erat; navis, quae forte paratae,

corripiunt, onerantque auro. Portantur avari

Pygmalionis opes pelago; dux femina facti.

H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 360 - 364

54 of 292

CE 2020

54

365 Devenere locos, ubi nunc ingentia cernes

moenia surgentemque novae Karthaginis arcem,

mercatique solum, facti de nomine Byrsam,

taurino quantum possent circumdare tergo.

H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 365 - 368

55 of 292

CE 2020

55

Sed vos qui tandem? Quibus aut venistis ab oris?

370 Quove tenetis iter?’ Quaerenti talibus ille

suspirans, imoque trahens a pectore vocem:

‘O dea, si prima repetens ab origine pergam,

et vacet annalis nostrorum audire laborum,

ante diem clauso componet Vesper Olympo.

H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 369 - 374

56 of 292

CE 2020

56

375 Nos Troia antiqua, si vestras forte per auris

Troiae nomen iit, diversa per aequora vectos

forte sua Libycis tempestas appulit oris.

Sum pius Aeneas, raptos qui ex hoste penatis

classe veho mecum, fama super aethera notus;

380 Italiam quaero patriam, et genus ab Iove summo.

H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 375 - 380

57 of 292

CE 2020

57

Bis denis Phrygium conscendi navibus aequor,

matre dea monstrante viam, data fata secutus;

vix septem convulsae undis Euroque supersunt.

Ipse ignotus, egens, Libyae deserta peragro,

385 Europa atque Asia pulsus.’ Nec plura querentem

passa Venus medio sic interfata dolore est:

H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 381 - 386

58 of 292

CE 2020

58

‘Quisquis es, haud, credo, invisus caelestibus auras

vitalis carpis, Tyriam qui adveneris urbem;

perge modo, atque hinc te reginae ad limina perfer.

390 Namque tibi reduces socios classemque relatam

nuntio, et in tutum versis Aquilonibus actam,

ni frustra augurium vani docuere parentes.

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 387 - 392

S

59 of 292

CE 2020

59

‘Quisquis es, haud, credo, invisus caelestibus auras

vitalis carpis, Tyriam qui adveneris urbem;

perge modo, atque hinc te reginae ad limina perfer.

390 Namque tibi reduces socios classemque relatam

nuntio, et in tutum versis Aquilonibus actam,

ni frustra augurium vani docuere parentes.

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 387 - 392

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

60 of 292

CE 2020

60

Aspice bis senos laetantis agmine cycnos,

aetheria quos lapsa plaga Iovis ales aperto

395 turbabat caelo; nunc terras ordine longo

aut capere aut captas iam despectare videntur:

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 393 - 396

61 of 292

CE 2020

61

ut reduces illi ludunt stridentibus alis,

et coetu cinxere polum, cantusque dedere,

haud aliter puppesque tuae pubesque tuorum

400 aut portum tenet aut pleno subit ostia velo.

Perge modo et, qua te ducit via, dirige gressum.’

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 397 - 401

62 of 292

CE 2020

62

Dixit, et avertens rosea cervice refulsit,

ambrosiaeque comae divinum vertice odorem

spiravere; pedes vestis defluxit ad imos,

405 et vera incessu patuit dea. Ille ubi matrem

agnovit, tali fugientem est voce secutus:

H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 402 - 406

63 of 292

CE 2020

63

‘Quid natum totiens, crudelis tu quoque, falsis

ludis imaginibus? Cur dextrae iungere dextram

non datur, ac veras audire et reddere voces?’

410 Talibus incusat, gressumque ad moenia tendit.

H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 407 - 410

64 of 292

CE 2020

64

At Venus obscuro gradientis aëre saepsit,

et multo nebulae circum dea fudit amictu,

cernere ne quis eos neu quis contingere posset,

molirive moram, aut veniendi poscere causas.

415 Ipsa Paphum sublimis abit, sedesque revisit

laeta suas, ubi templum illi, centumque Sabaeo

ture calent arae, sertisque recentibus halant.

H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 411 - 417

65 of 292

CE 2020

65

Corripuere viam interea, qua semita monstrat,

iamque ascendebant collem, qui plurimus urbi

420 imminet, adversasque aspectat desuper arces.

Miratur molem Aeneas, magalia quondam,

miratur portas strepitumque et strata viarum.

H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 418 - 422

66 of 292

CE 2020

66

Instant ardentes Tyrii: pars ducere muros,

molirique arcem et manibus subvolvere saxa,

425 pars optare locum tecto et concludere sulco;

iura magistratusque legunt sanctumque senatum.

Hic portus alii effodiunt; hic alta theatris

fundamenta locant alii, immanisque columnas

rupibus excidunt, scaenis decora alta futuris:

H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 423 - 429

67 of 292

CE 2020

67

430 Qualis apes aestate nova per florea rura

exercet sub sole labor, cum gentis adultos

educunt fetus, aut cum liquentia mella

stipant et dulci distendunt nectare cellas,

aut onera accipiunt venientum, aut agmine facto

435 ignavum fucos pecus a praesepibus arcent;

fervet opus, redolentque thymo fraglantia mella.

H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 430 - 436

68 of 292

CE 2020

68

‘O fortunati, quorum iam moenia surgunt!’

Aeneas ait, et fastigia suspicit urbis.

Infert se saeptus nebula (mirabile dictu)

440 per medios, miscetque viris, neque cernitur ulli.

H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 437 - 440

S

69 of 292

CE 2020

69

‘O fortunati, quorum iam moenia surgunt!’

Aeneas ait, et fastigia suspicit urbis.

Infert se saeptus nebula (mirabile dictu)

440 per medios, miscetque viris, neque cernitur ulli.

H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 437 - 440

S

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

70 of 292

CE 2020

70

Aeneas en Dido

Aeneis

6

liber IV

71 of 292

CE 2020

71

1 At regina gravi iamdudum saucia cura

vulnus alit venis et caeco carpitur igni.

Multa viri virtus animo multusque recursat

gentis honos; haerent infixi pectore vultus

5 verbaque, nec placidam membris dat cura quietem.

H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 1 - 5

72 of 292

CE 2020

72

Postera Phoebea lustrabat lampade terras

umentemque Aurora polo dimoverat umbram,

cum sic unanimam adloquitur male sana sororem:

H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 6 - 8

73 of 292

CE 2020

73

‘Anna soror, quae me suspensam insomnia terrent!

10 Quis novus hic nostris successit sedibus hospes,

quem sese ore ferens, quam forti pectore et armis!

Credo equidem, nec vana fides, genus esse deorum.

Degeneres animos timor arguit. Heu, quibus ille

iactatus fatis! Quae bella exhausta canebat!

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 9 - 14

74 of 292

CE 2020

74

15 Si mihi non animo fixum immotumque sederet,

ne cui me vinclo vellem sociare iugali,

postquam primus amor deceptam morte fefellit;

si non pertaesum thalami taedaeque fuisset,

huic uni forsan potui succumbere culpae.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 15 - 19

S

75 of 292

CE 2020

75

15 Si mihi non animo fixum immotumque sederet,

ne cui me vinclo vellem sociare iugali,

postquam primus amor deceptam morte fefellit;

si non pertaesum thalami taedaeque fuisset,

huic uni forsan potui succumbere culpae.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 15 - 19

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞͞ ͞

76 of 292

CE 2020

76

20 Anna (fatebor enim) miseri post fata Sychaei

coniugis et sparsos fraterna caede penatis

solus hic inflexit sensus animumque labantem

impulit. Agnosco veteris vestigia flammae.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 20 - 23

77 of 292

CE 2020

77

Sed mihi vel tellus optem prius ima dehiscat,

25 vel pater omnipotens adigat me fulmine ad umbras,

pallentis umbras Erebo noctemque profundam,

ante, pudor, quam te violo aut tua iura resolvo.

Ille meos, primus qui me sibi iunxit, amores

abstulit; ille habeat secum servetque sepulcro.’

30 Sic effata sinum lacrimis implevit obortis.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 24 - 30

78 of 292

CE 2020

78

Anna refert: ‘O luce magis dilecta sorori,

solane perpetua maerens carpere iuventa

nec dulcis natos Veneris nec praemia noris?

Id cinerem aut manis credis curare sepultos?

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 31 - 34

S

79 of 292

CE 2020

79

Anna refert: ‘O luce magis dilecta sorori,

solane perpetua maerens carpere iuventa

nec dulcis natos Veneris nec praemia noris?

Id cinerem aut manis credis curare sepultos?

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 31 - 34

S

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞͞ ͞

80 of 292

CE 2020

80

35 Esto: aegram nulli quondam flexere mariti,

non Libyae, non ante Tyro; despectus Iarbas

ductoresque alii, quos Africa terra triumphis

dives alit: placitone etiam pugnabis amori?

Nec venit in mentem, quorum consederis arvis?

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 35 - 39

81 of 292

CE 2020

81

40 Hinc Gaetulae urbes, genus insuperabile bello,

et Numidae infreni cingunt et inhospita Syrtis;

hinc deserta siti regio lateque furentes

Barcaei. Quid bella Tyro surgentia dicam

germanique minas?’

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 40 - 44

82 of 292

CE 2020

82

45 ‘Dis equidem auspicibus reor et Iunone secunda

hunc cursum Iliacas vento tenuisse carinas.

Quam tu urbem, soror, hanc cernes, quae surgere regna

coniugio tali! Teucrum comitantibus armis,

Punica se quantis attollet gloria rebus!

H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 45 - 49

83 of 292

CE 2020

83

50 Tu modo posce deos veniam, sacrisque litatis

indulge hospitio causasque innecte morandi,

dum pelago desaevit hiems et aquosus Orion,

quassataeque rates, dum non tractabile caelum.’

H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 50 - 53

84 of 292

CE 2020

84

His dictis impenso animum flammavit amore

55 spemque dedit dubiae menti solvitque pudorem.

Principio delubra adeunt pacemque per aras

exquirunt; mactant lectas de more bidentis

legiferae Cereri Phoeboque patrique Lyaeo,

Iunoni ante omnis, cui vincla iugalia curae.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 54 - 59

85 of 292

CE 2020

85

60 Ipsa tenens dextra pateram pulcherrima Dido

candentis vaccae media inter cornua fundit,

aut ante ora deum pinguis spatiatur ad aras,

instauratque diem donis, pecudumque reclusis

pectoribus inhians spirantia consulit exta.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 60 - 64

S

86 of 292

CE 2020

86

60 Ipsa tenens dextra pateram pulcherrima Dido

candentis vaccae media inter cornua fundit,

aut ante ora deum pinguis spatiatur ad aras,

instauratque diem donis, pecudumque reclusis

pectoribus inhians spirantia consulit exta.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 60 - 64

S

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞

87 of 292

CE 2020

87

65 Heu, vatum ignarae mentes! Quid vota furentem,

quid delubra iuvant? Est mollis flamma medullas

interea et tacitum vivit sub pectore vulnus.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 65 - 67

88 of 292

CE 2020

88

Uritur infelix Dido totaque vagatur

urbe furens, qualis coniecta cerva sagitta,

70 quam procul incautam nemora inter Cresia fixit

pastor agens telis liquitque volatile ferrum

nescius: illa fuga silvas saltusque peragrat

Dictaeos; haeret lateri letalis harundo.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 68 - 73

89 of 292

CE 2020

89

Nunc media Aenean secum per moenia ducit

75 Sidoniasque ostentat opes urbemque paratam,

incipit effari mediaque in voce resistit;

nunc eadem, labente die, convivia quaerit,

Iliacosque iterum demens audire labores

exposcit pendetque iterum narrantis ab ore.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 74 - 79

90 of 292

CE 2020

90

80 Post ubi digressi, lumenque obscura vicissim

luna premit suadentque cadentia sidera somnos,

sola domo maeret vacua stratisque relictis

incubat. Illum absens absentem auditque videtque,

aut gremio Ascanium genitoris imagine capta,

85 detinet, infandum si fallere possit amorem.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 80 - 85

91 of 292

CE 2020

91

Non coeptae adsurgunt turres, non arma iuventus

exercet portusve aut propugnacula bello

tuta parant: pendent opera interrupta minaeque

murorum ingentes aequataque machina caelo.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 86 - 89

S

92 of 292

CE 2020

92

Non coeptae adsurgunt turres, non arma iuventus

exercet portusve aut propugnacula bello

tuta parant: pendent opera interrupta minaeque

murorum ingentes aequataque machina caelo.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 86 - 89

S

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

93 of 292

CE 2020

93

Et iam prima novo spargebat lumine terras

585 Tithoni croceum linquens Aurora cubile.

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 584 - 585

94 of 292

CE 2020

94

Regina e speculis ut primam albescere lucem

vidit et aequatis classem procedere velis,

litoraque et vacuos sensit sine remige portus,

terque quaterque manu pectus percussa decorum

590 flaventisque abscissa comas ‘Pro Iuppiter! Ibit

hic,’ ait ‘et nostris inluserit advena regnis?

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 586 - 591

95 of 292

CE 2020

95

Non arma expedient totaque ex urbe sequentur,

diripientque rates alii navalibus? Ite,

ferte citi flammas, date tela, impellite remos!

595 Quid loquor? Aut ubi sum? Quae mentem insania mutat?

Infelix Dido, nunc te facta impia tangunt?

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 592 - 596

96 of 292

CE 2020

96

Tum decuit, cum sceptra dabas. En dextra fidesque,

quem secum patrios aiunt portare penatis,

quem subiisse umeris confectum aetate parentem!

600 Non potui abreptum divellere corpus et undis

spargere? Non socios, non ipsum absumere ferro

Ascanium patriisque epulandum ponere mensis?

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 597 - 602

97 of 292

CE 2020

97

Verum anceps pugnae fuerat fortuna. Fuisset:

quem metui moritura? Faces in castra tulissem

605 implessemque foros flammis natumque patremque

cum genere exstinxem, memet super ipsa dedissem.

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 603 - 606

98 of 292

CE 2020

98

Sol, qui terrarum flammis opera omnia lustras,

tuque harum interpres curarum et conscia Iuno,

nocturnisque Hecate triviis ululata per urbes

610 et Dirae ultrices et di morientis Elissae,

accipite haec, meritumque malis advertite numen

et nostras audite preces. Si tangere portus

infandum caput ac terris adnare necesse est, ...

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 607 - 613

99 of 292

CE 2020

99

... et sic fata Iovis poscunt, hic terminus haeret,

615 at bello audacis populi vexatus et armis,

finibus extorris, complexu avulsus Iuli

auxilium imploret videatque indigna suorum

funera; nec, cum se sub leges pacis iniquae

tradiderit, regno aut optata luce fruatur,

620 sed cadat ante diem mediaque inhumatus harena.

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 614 - 620

100 of 292

CE 2020

100

Haec precor, hanc vocem extremam cum sanguine fundo.

Tum vos, o Tyrii, stirpem et genus omne futurum

exercete odiis, cinerique haec mittite nostro

munera. Nullus amor populis nec foedera sunto.

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 621 - 624

S

101 of 292

CE 2020

101

Haec precor, hanc vocem extremam cum sanguine fundo.

Tum vos, o Tyrii, stirpem et genus omne futurum

exercete odiis, cinerique haec mittite nostro

munera. Nullus amor populis nec foedera sunto.

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 621 - 624

S

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

102 of 292

CE 2020

102

625 Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor

qui face Dardanios ferroque sequare colonos,

nunc, olim, quocumque dabunt se tempore vires.

Litora litoribus contraria, fluctibus undas

imprecor, arma armis: pugnent ipsique nepotesque.’

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 625 - 629

103 of 292

CE 2020

103

630 Haec ait, et partis animum versabat in omnis,

invisam quaerens quam primum abrumpere lucem.

Tum breviter Barcen nutricem adfata Sychaei,

namque suam patria antiqua cinis ater habebat:

H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 630 - 633

104 of 292

CE 2020

104

‘Annam, cara mihi nutrix, huc siste sororem:

635 dic corpus properet fluviali spargere lympha,

et pecudes secum et monstrata piacula ducat.

Sic veniat, tuque ipsa pia tege tempora vitta.

Sacra Iovi Stygio, quae rite incepta paravi,

perficere est animus finemque imponere curis

640 Dardaniique rogum capitis permittere flammae.’

H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 634 - 640

105 of 292

CE 2020

105

Sic ait. Illa gradum studio celebrabat anili.

At trepida et coeptis immanibus effera Dido

sanguineam volvens aciem, maculisque trementes

interfusa genas et pallida morte futura,

645 interiora domus inrumpit limina et altos

conscendit furibunda rogos ensemque recludit

Dardanium, non hos quaesitum munus in usus.

H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 641 - 647

106 of 292

CE 2020

106

Hic, postquam Iliacas vestis notumque cubile

conspexit, paulum lacrimis et mente morata

650 incubuitque toro dixitque novissima verba:

‘Dulces exuviae, dum fata deusque sinebat,

accipite hanc animam meque his exsolvite curis.

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 648 - 652

107 of 292

CE 2020

107

Vixi et, quem dederat cursum Fortuna, peregi,

et nunc magna mei sub terras ibit imago.

655 Urbem praeclaram statui, mea moenia vidi,

ulta virum poenas inimico a fratre recepi,

felix, heu nimium felix, si litora tantum

numquam Dardaniae tetigissent nostra carinae.’

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 653 - 658

108 of 292

CE 2020

108

Dixit, et os impressa toro ‘Moriemur inultae,

660 sed moriamur,’ ait. ‘Sic, sic iuvat ire sub umbras.

Hauriat hunc oculis ignem crudelis ab alto

Dardanus, et nostrae secum ferat omina mortis.’

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 659 - 662

S

109 of 292

CE 2020

109

Dixit, et os impressa toro ‘Moriemur inultae,

660 sed moriamur,’ ait. ‘Sic, sic iuvat ire sub umbras.

Hauriat hunc oculis ignem crudelis ab alto

Dardanus, et nostrae secum ferat omina mortis.’

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 659 - 662

S

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

110 of 292

CE 2020

110

Dixerat, atque illam media inter talia ferro

conlapsam aspiciunt comites, ensemque cruore

665 spumantem sparsasque manus. It clamor ad alta

atria: concussam bacchatur Fama per urbem.

H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 663 - 666

111 of 292

CE 2020

111

Lamentis gemituque et femineo ululatu

tecta fremunt, resonat magnis plangoribus aether,

non aliter quam si immissis ruat hostibus omnis

670 Karthago aut antiqua Tyros, flammaeque furentes

culmina perque hominum volvantur perque deorum.

H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 667 - 671

112 of 292

CE 2020

112

Audiit exanimis trepidoque exterrita cursu

unguibus ora soror foedans et pectora pugnis

per medios ruit, ac morientem nomine clamat:

675 ‘Hoc illud, germana, fuit? Me fraude petebas?

Hoc rogus iste mihi, hoc ignes araeque parabant?

H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 672 - 676

113 of 292

CE 2020

113

Quid primum deserta querar? Comitemne sororem

sprevisti moriens? Eadem me ad fata vocasses,

idem ambas ferro dolor atque eadem hora tulisset.

680 His etiam struxi manibus patriosque vocavi

voce deos, sic te ut posita, crudelis, abessem?

H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 677 - 681

114 of 292

CE 2020

114

Exstinxti te meque, soror, populumque patresque

Sidonios urbemque tuam. Date, vulnera lymphis

abluam et, extremus si quis super halitus errat,

685 ore legam.’ Sic fata gradus evaserat altos,

semianimemque sinu germanam amplexa fovebat

cum gemitu atque atros siccabat veste cruores.

H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 682 - 687

115 of 292

CE 2020

115

Illa gravis oculos conata attollere rursus

deficit; infixum stridit sub pectore vulnus.

690 Ter sese attollens cubitoque adnixa levavit,

ter revoluta toro est oculisque errantibus alto

quaesivit caelo lucem ingemuitque reperta.

H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 688 - 692

116 of 292

CE 2020

116

Tum Iuno omnipotens longum miserata dolorem

difficilisque obitus Irim demisit Olympo

695 quae luctantem animam nexosque resolveret artus.

Nam quia nec fato merita nec morte peribat,

sed misera ante diem subitoque accensa furore,

nondum illi flavum Proserpina vertice crinem

abstulerat Stygioque caput damnaverat Orco.

H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 693 - 699

117 of 292

CE 2020

117

700 Ergo Iris croceis per caelum roscida pennis

mille trahens varios adverso sole colores

devolat et supra caput astitit. ‘Hunc ego Diti

sacrum iussa fero teque isto corpore solvo’:

sic ait et dextra crinem secat, omnis et una

705 dilapsus calor atque in ventos vita recessit.

H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 700 - 705

118 of 292

CE 2020

118

Aeneas en Euander

Aeneis

9

liber VIII

119 of 292

CE 2020

119

Exim se cuncti divinis rebus ad urbem

perfectis referunt. Ibat rex obsitus aevo,

et comitem Aenean iuxta natumque tenebat

ingrediens, varioque viam sermone levabat.

310 Miratur facilisque oculos fert omnia circum

Aeneas, capiturque locis et singula laetus

exquiritque auditque virum monimenta priorum.

H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 306 - 312

120 of 292

CE 2020

120

Tum rex Euandrus Romanae conditor arcis:

‘Haec nemora indigenae Fauni Nymphaeque tenebant

315 gensque virum truncis et duro robore nata,

quis neque mos neque cultus erat, nec iungere tauros

aut componere opes norant aut parcere parto,

sed rami atque asper victu venatus alebat.’

H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 313 - 318

121 of 292

CE 2020

121

‘Primus ab aetherio venit Saturnus Olympo

320 arma Iovis fugiens et regnis exsul ademptis.

Is genus indocile ac dispersum montibus altis

composuit legesque dedit, Latiumque vocari

maluit, his quoniam latuisset tutus in oris.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 319 - 323

S

122 of 292

CE 2020

122

‘Primus ab aetherio venit Saturnus Olympo

320 arma Iovis fugiens et regnis exsul ademptis.

Is genus indocile ac dispersum montibus altis

composuit legesque dedit, Latiumque vocari

maluit, his quoniam latuisset tutus in oris.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 319 - 323

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞͞ ͞

123 of 292

CE 2020

123

Aurea quae perhibent, illo sub rege fuere

325 saecula: sic placida populos in pace regebat,

deterior donec paulatim ac decolor aetas

et belli rabies et amor successit habendi.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 324 - 327

124 of 292

CE 2020

124

Tum manus Ausonia et gentes venere Sicanae,

saepius et nomen posuit Saturnia tellus;

330 tum reges asperque immani corpore Thybris,

a quo post Itali fluvium cognomine Thybrim

diximus; amisit verum vetus Albula nomen.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 328 - 332

125 of 292

CE 2020

125

Me pulsum patria pelagique extrema sequentem

Fortuna omnipotens et ineluctabile fatum

335 his posuere locis, matrisque egere tremenda

Carmentis nymphae monita et deus auctor Apollo.’

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 333 - 336

126 of 292

CE 2020

126

Vix ea dicta, dehinc progressus monstrat et aram

et Carmentalem Romani nomine portam

quam memorant, nymphae priscum Carmentis honorem,

340 vatis fatidicae, cecinit quae prima futuros

Aeneadas magnos et nobile Pallanteum.

H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 337 - 341

127 of 292

CE 2020

127

Hinc lucum ingentem, quem Romulus acer asylum

rettulit, et gelida monstrat sub rupe Lupercal

Parrhasio dictum Panos de more Lycaei.

345 Nec non et sacri monstrat nemus Argileti

testaturque locum et letum docet hospitis Argi.

H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 342 - 346

128 of 292

CE 2020

128

Hinc ad Tarpeiam sedem et Capitolia ducit

aurea nunc, olim silvestribus horrida dumis.

Iam tum religio pavidos terrebat agrestis

350 dira loci, iam tum silvam saxumque tremebant.

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 347 - 350

S

129 of 292

CE 2020

129

Hinc ad Tarpeiam sedem et Capitolia ducit

aurea nunc, olim silvestribus horrida dumis.

Iam tum religio pavidos terrebat agrestis

350 dira loci, iam tum silvam saxumque tremebant.

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 347 - 350

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞͞ ͞

130 of 292

CE 2020

130

‘Hoc nemus, hunc’ inquit ‘frondoso vertice collem

(quis deus incertum est) habitat deus; Arcades ipsum

credunt se vidisse Iovem, cum saepe nigrantem

aegida concuteret dextra nimbosque cieret.

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 351 - 354

131 of 292

CE 2020

131

355 Haec duo praeterea disiectis oppida muris,

reliquias veterumque vides monimenta virorum.

Hanc Ianus pater, hanc Saturnus condidit arcem;

Ianiculum huic, illi fuerat Saturnia nomen.’

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 355 - 358

132 of 292

CE 2020

132

Talibus inter se dictis ad tecta subibant

360 pauperis Euandri, passimque armenta videbant

Romanoque foro et lautis mugire Carinis.

Ut ventum ad sedes, ‘Haec’ inquit ‘limina victor

Alcides subiit, haec illum regia cepit.

Aude, hospes, contemnere opes et te quoque dignum

365 finge deo, rebusque veni non asper egenis.’

H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 359 - 365

133 of 292

CE 2020

133

Dixit, et angusti subter fastigia tecti

ingentem Aenean duxit stratisque locavit

effultum foliis et pelle Libystidis ursae:

nox ruit et fuscis tellurem amplectitur alis.

H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 366 - 369

134 of 292

CE 2020

134

Het nieuwe schild voor Aeneas

Aeneis

10

liber VIII

135 of 292

CE 2020

135

At Venus aetherios inter dea candida nimbos

dona ferens aderat; natumque in valle reducta

610 ut procul egelido secretum flumine vidit,

talibus adfata est dictis seque obtulit ultro:

‘En perfecta mei promissa coniugis arte

munera. Ne mox aut Laurentis, nate, superbos

aut acrem dubites in proelia poscere Turnum.’

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 608 - 614

136 of 292

CE 2020

136

615 Dixit, et amplexus nati Cytherea petivit,

arma sub adversa posuit radiantia quercu.

Ille deae donis et tanto laetus honore

expleri nequit atque oculos per singula volvit,

miraturque interque manus et bracchia versat

620 terribilem cristis galeam flammasque vomentem,...

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 615 - 620

137 of 292

CE 2020

137

... fatiferumque ensem, loricam ex aere rigentem,

sanguineam, ingentem, qualis cum caerula nubes

solis inardescit radiis longeque refulget;

tum levis ocreas electro auroque recocto,

625 hastamque et clipei non enarrabile textum.

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 621 - 625

S

138 of 292

CE 2020

138

... fatiferumque ensem, loricam ex aere rigentem,

sanguineam, ingentem, qualis cum caerula nubes

solis inardescit radiis longeque refulget;

tum levis ocreas electro auroque recocto,

625 hastamque et clipei non enarrabile textum.

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 621 - 625

S

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

139 of 292

CE 2020

139

Illic res Italas Romanorumque triumphos

haud vatum ignarus venturique inscius aevi

fecerat ignipotens, illic genus omne futurae

stirpis ab Ascanio pugnataque in ordine bella.

H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 626 - 629

140 of 292

CE 2020

140

630 Fecerat et viridi fetam Mavortis in antro

procubuisse lupam, geminos huic ubera circum

ludere pendentis pueros et lambere matrem

impavidos, illam tereti cervice reflexa

mulcere alternos et corpora fingere lingua.

H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 630 - 634

141 of 292

CE 2020

141

635 Nec procul hinc Romam et raptas sine more Sabinas

consessu caveae, magnis Circensibus actis,

addiderat, subitoque novum consurgere bellum

Romulidis Tatioque seni Curibusque severis.

Post idem inter se posito certamine reges

640 armati Iovis ante aram paterasque tenentes

stabant et caesa iungebant foedera porca.

H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 635 - 641

142 of 292

CE 2020

142

Haud procul inde citae Mettum in diversa quadrigae

distulerant (at tu dictis, Albane, maneres!),

raptabatque viri mendacis viscera Tullus

645 per silvam, et sparsi rorabant sanguine vepres.

H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 642 - 645

S

143 of 292

CE 2020

143

Haud procul inde citae Mettum in diversa quadrigae

distulerant (at tu dictis, Albane, maneres!),

raptabatque viri mendacis viscera Tullus

645 per silvam, et sparsi rorabant sanguine vepres.

H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 642 - 645

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

144 of 292

CE 2020

144

Nec non Tarquinium eiectum Porsenna iubebat

accipere ingentique urbem obsidione premebat;

Aeneadae in ferrum pro libertate ruebant.

Illum indignanti similem similemque minanti

650 aspiceres, pontem auderet quia vellere Cocles

et fluvium vinclis innaret Cloelia ruptis.

H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 646 - 651

145 of 292

CE 2020

145

In summo custos Tarpeiae Manlius arcis

stabat pro templo et Capitolia celsa tenebat,

Romuleoque recens horrebat regia culmo.

655 Atque hic auratis volitans argenteus anser

porticibus Gallos in limine adesse canebat;

Galli per dumos aderant arcemque tenebant

defensi tenebris et dono noctis opacae.

H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 652 - 658

146 of 292

CE 2020

146

Aurea caesaries ollis atque aurea vestis,

660 virgatis lucent sagulis, tum lactea colla

auro innectuntur, duo quisque Alpina coruscant

gaesa manu, scutis protecti corpora longis.

H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 659 - 662

147 of 292

CE 2020

147

Hic exsultantis Salios nudosque Lupercos

lanigerosque apices et lapsa ancilia caelo

665 extuderat, castae ducebant sacra per urbem

pilentis matres in mollibus. Hinc procul addit

Tartareas etiam sedes, alta ostia Ditis,...

H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 663 - 667

148 of 292

CE 2020

148

.. et scelerum poenas, et te, Catilina, minaci

pendentem scopulo Furiarumque ora trementem,

670 secretosque pios, his dantem iura Catonem.

H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 668 - 670

149 of 292

CE 2020

149

Haec inter tumidi late maris ibat imago

aurea, sed fluctu spumabant caerula cano,

et circum argento clari delphines in orbem

aequora verrebant caudis aestumque secabant.

675 In medio classis aeratas, Actia bella,

cernere erat, totumque instructo Marte videres

fervere Leucaten auroque effulgere fluctus.

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 671 - 677

150 of 292

CE 2020

150

Hinc Augustus agens Italos in proelia Caesar

cum patribus populoque, penatibus et magnis dis,

680 stans celsa in puppi, geminas cui tempora flammas

laeta vomunt patriumque aperitur vertice sidus.

Parte alia ventis et dis Agrippa secundis

arduus agmen agens, cui, belli insigne superbum,

tempora navali fulgent rostrata corona.

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 678 - 684

151 of 292

CE 2020

151

685 Hinc ope barbarica variisque Antonius armis,

victor ab Aurorae populis et litore rubro,

Aegyptum virisque Orientis et ultima secum

Bactra vehit, sequiturque (nefas) Aegyptia coniunx.

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 685 - 688

S

152 of 292

CE 2020

152

685 Hinc ope barbarica variisque Antonius armis,

victor ab Aurorae populis et litore rubro,

Aegyptum virisque Orientis et ultima secum

Bactra vehit, sequiturque (nefas) Aegyptia coniunx.

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 685 - 688

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞͞ ͞

153 of 292

CE 2020

153

Una omnes ruere ac totum spumare reductis

690 convulsum remis rostrisque tridentibus aequor.

Alta petunt; pelago credas innare revulsas

Cycladas aut montis concurrere montibus altos,

tanta mole viri turritis puppibus instant.

H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 689 - 693

154 of 292

CE 2020

154

Stuppea flamma manu telisque volatile ferrum

695 spargitur, arva nova Neptunia caede rubescunt.

Regina in mediis patrio vocat agmina sistro,

necdum etiam geminos a tergo respicit anguis.

H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 694 - 697

155 of 292

CE 2020

155

Omnigenumque deum monstra et latrator Anubis

contra Neptunum et Venerem contraque Minervam

700 tela tenent. Saevit medio in certamine Mavors

caelatus ferro, tristesque ex aethere Dirae,

et scissa gaudens vadit Discordia palla,

quam cum sanguineo sequitur Bellona flagello.

H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 698 - 703

156 of 292

CE 2020

156

Actius haec cernens arcum intendebat Apollo

705 desuper; omnis eo terrore Aegyptus et Indi,

omnis Arabs, omnes vertebant terga Sabaei.

Ipsa videbatur ventis regina vocatis

vela dare et laxos iam iamque immittere funis.

H10 §1 h. De vlucht (p.156); 704 - 708

157 of 292

CE 2020

157

Illam inter caedes pallentem morte futura

710 fecerat ignipotens undis et Iapyge ferri,

contra autem magno maerentem corpore Nilum

pandentemque sinus et tota veste vocantem

caeruleum in gremium latebrosaque flumina victos.

H10 §1 h. De vlucht (p.156); 709 - 713

158 of 292

CE 2020

158

At Caesar, triplici invectus Romana triumpho

715 moenia, dis Italis votum immortale sacrabat,

maxima ter centum totam delubra per urbem.

Laetitia ludisque viae plausuque fremebant;

omnibus in templis matrum chorus, omnibus arae;

ante aras terram caesi stravere iuvenci.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 714 - 719

159 of 292

CE 2020

159

720 Ipse sedens niveo candentis limine Phoebi

dona recognoscit populorum aptatque superbis

postibus; incedunt victae longo ordine gentes,

quam variae linguis, habitu tam vestis et armis.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 720 - 723

S

160 of 292

CE 2020

160

720 Ipse sedens niveo candentis limine Phoebi

dona recognoscit populorum aptatque superbis

postibus; incedunt victae longo ordine gentes,

quam variae linguis, habitu tam vestis et armis.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 720 - 723

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞͞ ͞

͞͞ ͞

161 of 292

CE 2020

161

Hic Nomadum genus et discinctos Mulciber Afros,

725 hic Lelegas Carasque sagittiferosque Gelonos

finxerat; Euphrates ibat iam mollior undis,

extremique hominum Morini, Rhenusque bicornis,

indomitique Dahae, et pontem indignatus Araxes.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 724 - 728

162 of 292

CE 2020

162

Talia per clipeum Volcani, dona parentis,

730 miratur rerumque ignarus imagine gaudet

attollens umero famamque et fata nepotum.

H10 §1 j. Aeneas neemt het schild in ontvangst (p.160); 729 - 731

163 of 292

CE 2020

163

Vertalingen

164 of 292

CE 2020

164

De goden en het lot van Aeneas

Aeneis

2

165 of 292

CE 2020

165

En reeds was/kwam er een einde (aan), toen Jupiter vanaf het hoogste punt van de hemel naar beneden kijkend naar de door zeilschepen bevaren zee en de in de diepte liggende/uitgestrekte landen, (en) de kusten en zich wijd en zijd uitstrekkende volkeren, zó op het hoogste punt van de hemel bleef staan en zijn ogen strak richtte op het rijk van Libië.

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 223 - 226

166 of 292

CE 2020

166

En hem, die zich in dergelijke zorgen verdiepte, sprak Venus aan nogal bedroefd/bedroefder en haar stralende ogen nat van tranen: ‘O u, die de lotgevallen van (en) mensen en goden bestuurt met uw eeuwige macht/gezag en (hen) met de bliksem bang maakt, wat voor ergs kon mijn Aeneas jegens u begaan, wat konden de Trojanen begaan, voor wie, na zoveel verliezen te hebben geleden, de gehele wereld wegens Italië wordt afgesloten?

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 227 - 233

167 of 292

CE 2020

167

Zeker hebt u beloofd dat uit hen de Romeinen eens na verloop van jaren leiders zouden zijn, uit hen, (nl.) van het herstelde bloed van Teucer, die de zee, die alle landen onder hun gezag moesten houden – Welke opvatting heeft u, vader, tot andere gedachten gebracht?’

H2 §2 a. Venus beklaagt zich bij Jupiter om het lot van Aeneas (p.28); 234 - 237

168 of 292

CE 2020

168

Met deze belofte inderdaad zocht ik troost voor de ondergang en de sombere puinhopen van Troje, terwijl ik (steeds) tegen het lot het tegenovergestelde lot deed opwegen; nu achtervolgt hetzelfde ongeluk de mannen, die door zoveel lotgevallen zijn opgejaagd. Welk einde geeft u, grote koning, aan hun inspanningen/ellende?

H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 238 - 241

169 of 292

CE 2020

169

Antenor kon, ontsnapt uit het midden van de Grieken, veilig in de Illyrische baaien en het binnenste van het rijk van de Liburniërs doordringen en de bron van Timavus voorbijvaren, vanwaar hij door negen gaten met een enorm gebulder van de berg (voort)gaat als een zee die zich een weg baant en met zijn bruisende watermassa de akkers overspoelt.

H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 242 - 246

170 of 292

CE 2020

170

Hier heeft hij toch de stad Patavum en de woonplaats van de Trojanen aangelegd en aan het volk een naam gegeven en de Trojaanse wapens opgehangen, nu leidt hij een rustig leven, tot rust gebracht in een kalme vrede: wij, uw nageslacht, aan wie u de burcht van de hemel belooft, worden, na schepen (gruwelijk!) verloren te hebben wegens de toorn van één, verraden en gescheiden ver van de Italische kusten. Is dit de beloning voor trouw/plichtsbesef? Herstelt u ons zo in onze koninklijke waardigheid?’

H2 §2 b. “Jupiter laat Aeneas in de steek” (p.30); 247 - 253

171 of 292

CE 2020

171

Terwijl de vader van mensen en goden haar toelacht met het gezicht/de gelaatstrekken, waarmee hij de hemel en stormen doet opklaren, raakte hij licht de lippen van zijn dochter aan/kuste even zijn dochter, vervolgens zegt hij dergelijke woorden: ‘Hou op bang te zijn, Cytherea, ik zeg het je, het lot van de jouwen blijft onveranderlijk; je zult een stad zien en de beloofde muren van Lavinium en jij zult de edele Aeneas (om)hoog brengen naar de sterren van de hemel; en niet heeft een mening mij tot andere gedachten gebracht.

H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 254 - 260

172 of 292

CE 2020

172

Hij, ik zeg het je, (want ik zal langer spreken, aangezien de zorg hierover jou verontrust, en terwijl ik ze ontrol/voor de geest haal zal ik de geheimen van het lot openbaren) zal een geweldige oorlog voeren in Italië en woeste volkeren vernietigen en voor de mensen gebruiken instellen en muren plaatsen, totdat de derde zomer hem zal hebben zien regeren in Latium en drie winters voor de Rutuliërs, nadat ze zijn onderworpen, voorbij zullen zijn gegaan.’

H2 §2 c. De belofte van Jupiter (p.32); 261 - 266

173 of 292

CE 2020

173

‘Maar de jongen Ascanius, aan wie nu de naam (van) Iulus wordt toegevoegd (hij heette Ilus, zolang de Trojaanse staat met zijn koninklijke macht standhield) zal dertig jaarkringen met het voortrollen van de maanden vol maken met zijn gezag, en hij zal het rijk overbrengen van de woonplaats Lavinium, en hij zal met grote inspanning Alba Longa bouwen (en versterken).

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 267 - 271

174 of 292

CE 2020

174

Dan zal hier driemaal honderd gehele jaren/de volle driehonderd jaar een koninklijke heerschappij zijn onder het Trojaanse geslacht, totdat Ilia, een priesteres van koninklijke afkomst, zwanger van Mars een tweeling zal baren. Vervolgens zal Romulus trots met de bruingele bedekking van de wolvin, zijn voedster, het volk overnemen en voortzetten en hij zal de muren van Mars stichten en het (volk) Romeinen noemen naar zijn eigen naam.

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 272 - 277

175 of 292

CE 2020

175

Aan dezen stel ik noch grenzen van macht noch tijden/een periode vast: ik gaf (hun) een heerschappij zonder grens/einde. Ja zelfs de verbitterde Juno, die nu zee, (en) aarde en hemel uit angst/met angst vermoeit/afmat, zal haar plannen ten goede (doen) keren, en met mij de Romeinen koesteren, de heersers van de wereld en het in toga gehulde volk.’

H2 §2 d. Het nageslacht van Aeneas zal machtig worden (p.34); 278 - 282

176 of 292

CE 2020

176

‘Zo is besloten. Wanneer de jaren verglijden/Met het verglijden van de jaren zal er een tijd komen wanneer het huis van Assaracus Phthia en het beroemde Mycene in/met slavernij zal onderdrukken en het overwonnen Argos zal overheersen.

H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 282 - 285

177 of 292

CE 2020

177

Een Trojaan zal geboren worden van edel geslacht, Caesar, zodanig dat hij/wiens bestemming het is dat hij zijn rijk met de Oceaan, zijn roem met de sterren afbakent, Julius, een naam afgeleid van de grote Julus. Eens zal jij deze, beladen met buit van het Oosten, in de hemel onbezorgd opnemen; ook hij zal met gebeden aangeroepen worden.

H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 286 - 290

178 of 292

CE 2020

178

Generaties van geweld zullen dan, wanneer de oorlogen beëindigd zijn, verzachten: de eerbiedwaardige Fides en Vesta, (en) Quirinus samen met zijn broer Remus zullen wetgevers zijn; verschrikkelijk in hun stevige ijzeren frame zullen de poorten van de Oorlog gesloten worden; de goddeloze Furor zal, daarbinnen zittend bovenop de woeste/grimmige wapens en geboeid met honderd metalen ketens op zijn rug, huiveringwekkend brullen met zijn bebloede mond/gelaat.’

H2 §2 e. Jupiter kondigt de komst van Augustus aan (p.36); 291 - 296

179 of 292

CE 2020

179

Dit zegt hij en hij stuurt de zoon van Maia naar beneden uit de hemel, opdat/om ervoor te zorgen dat het land, dat de burcht van het nieuwe Carthago gastvrij openstaat voor de Trojanen, om te voorkomen dat Dido, onkundig met het lot, hen zou weren uit haar gebied. Hij vliegt door het uitgestrekte luchtruim met/op de riemen van zijn vleugels en snel bleef hij staan op de kust(en) van Libië.

H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 297 - 301

180 of 292

CE 2020

180

En reeds brengt hij de bevelen over en de Poeniërs laten hun woeste geest varen omdat de god het wil; vooral de koningin krijgt een rustig gevoel en neemt een vriendelijke houding aan ten opzichte van de Trojanen.

H2 §2 f. Mercurius gaat naar Carthago (p.39); 302 - 304

181 of 292

CE 2020

181

Aeneas ontmoet zijn moeder

Aeneis

3

182 of 292

CE 2020

182

Maar de trouwe Aeneas, terwijl hij gedurende de nacht zeer veel overdacht, besloot, zodra het voedende licht gegeven werd/verscheen, weg te gaan en de nieuwe streek te verkennen (en) (uit)zoeken, welke kusten hij door de wind heeft bereikt, wie ze bewonen (want hij ziet onbebouwde streken), mensen of wilde dieren, en het resultaat (van zijn onderzoek) aan zijn makkers mee te delen.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 305 - 309

183 of 292

CE 2020

183

Hij verbergt de vloot/schepen in een welving van bossen onder een uitgeholde rots, (zodat hij) rondom omsloten (is) door bomen en sombere schaduwen; zelf gaat hij vergezeld door alleen Achates, terwijl hij in zijn hand twee werpspiezen met brede ijzeren punt vasthoudt.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 310 - 313

184 of 292

CE 2020

184

Hem snelde zijn moeder midden in het bos tegemoet, hebbend/met het gezicht en de gestalte van een meisje, en de wapens van een Spartaans meisje, of zodanig (zo)als de Thracische Harpalyce is wanneer zij de paarden vermoeit, en in snelle vaart de snelstromende Hebrus inhaalt. Want aan haar schouders had ze volgens gebruik een lichte boog opgehangen, de jageres, en ze had haar haren aan de wind gegeven om uit te laten waaien, bloot wat betreft haar knie(ën), en terwijl zij met een knoop haar golvende kleed samengenomen had.

H3 § a. Aeneas en Achates gaan op onderzoek en ontmoeten een jonge jageres (p.40); 314 - 320

185 of 292

CE 2020

185

En als eerste zei ze: ‘Hé daar, jongemannen, licht me in, als jullie toevallig een van mijn zusters hier hebt zien rondzwerven, uitgerust met een pijlkoker en met de huid van een gevlekte lynx, of terwijl ze met geschreeuw een rennend, schuimbekkend wild zwijn in het nauw brengt.’

H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 321 - 324

186 of 292

CE 2020

186

Zo (sprak) Venus en zo begon de zoon van Venus op zijn beurt te spreken: ‘Geen van uw zusters is door mij gehoord noch/of gezien, o hoe moet ik u noemen, meisje? Want u heeft geen sterfelijk/menselijk gelaat, en ook uw stem klinkt niet menselijk; o, een godin zeker (of de zuster van Phoebus? of een van het bloed der nimfen?), …

H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 325 - 329

187 of 292

CE 2020

187

… moge u gelukbrengend zijn, en onze ellende verlichten, wie u ook bent, en, moge u (ons) leren/meedelen onder welke hemel, in welke streken van de wereld wij eigenlijk worden geslingerd: onbekend (en) met de mensen en met het gebied zwerven wij rond, door de wind en de woeste golven hierheen gevoerd. Veel offerdieren zullen voor u voor de altaren vallen door onze/mijn rechterhand.’

H3 § b. Aeneas vraagt de jageres om hulp (p.42); 330 - 334

188 of 292

CE 2020

188

Toen zei Venus: ‘Zeker niet acht ik mijzelf een dergelijke eer waard; het is de gewoonte voor/van Tyrische meisjes een pijlkoker te dragen en de kuiten hoog met een purperen jachtlaars te (om)binden. Je ziet het Punische koninkrijk, Tyriërs en de stad van Agenor; maar het gebied is Libisch, een geslacht/ volksstam onbedwingbaar in oorlog.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 335 - 339

189 of 292

CE 2020

189

Dido heeft de macht, vertrokken uit de stad Tyrus, vluchtend/op de vlucht voor haar broer. Lang (om te vertellen) is het onrecht, een lang ingewikkeld verhaal; maar ik zal de hoofdzaken van de gebeurtenissen behandelen.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 340 - 342

190 of 292

CE 2020

190

Zij had een echtgenoot Sychaeus, van de Feniciërs de rijkste aan goud, en met grote liefde bemind door de ongelukkige aan wie haar vader haar maagdelijk had gegeven, en in het eerste huwelijk had verbonden. Maar haar broer Pygmalion had de heerschappij over Tyrus, in misdaad wreder voor/dan alle anderen.

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 343 - 347

191 of 292

CE 2020

191

Midden tussen hen in kwam waanzin. Hij, goddeloos voor het huisaltaar, en verblind door gouddorst, overwint/overweldigt Sychaeus heimelijk met het zwaard onverhoeds, zich niet bekommerend om de liefde van zijn zuster; hij hield de daad lange tijd geheim, en de slechterik, door veel te veinzen, leidde hij met lege/ijdele hoop de verdrietige liefhebbende (vrouw) om de tuin.’

H3 § c. Dido’s broer Pygmalion heeft haar echtgenoot Sychaeus vermoord (p.44); 348 - 352

192 of 292

CE 2020

192

‘Maar de schim zelf van haar onbegraven echtgenoot kwam in haar slaap /droom, terwijl hij op wonderbaarlijke wijze zijn bleke gezicht ophief; hij onthulde/toonde het wrede altaar en zijn met het zwaard doorboorde borst, en openbaarde de hele verborgen misdaad van het huis/de familie. Dan raadt hij (haar) aan haast te maken met de vlucht en uit het vaderland weg te gaan, en onthult als hulp voor de tocht de oude schatten/schatkamer in de aarde/onder de grond, een onbekend gewicht aan zilver en goud.

H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 353 - 359

193 of 292

CE 2020

193

Hierdoor/Door deze gebeurtenissen verbijsterd bereidde Dido de vlucht en metgezellen voor. Zij komen bijeen, die of een wrede haat jegens de tiran of een hevige vrees hadden/koesterden; schepen, die toevallig gereed waren/ lagen, eigenen ze zich toe, en laden ze vol met goud. De rijkdom van de hebzuchtige Pygmalion wordt over zee vervoerd; een vrouw is leider van de daad.

H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 360 - 364

194 of 292

CE 2020

194

Zij kwamen terecht in het gebied, waar je nu enorme muren en de burcht van het nieuwe Carthago zult zien verrijzen, en zij kochten grond, Byrsa genaamd naar de daad, zoveel als ze met een stierenhuid konden omgeven.’

H3 § d. Dido c.s. vlucht met een grote schat naar Libië (p.46); 365 - 368

195 of 292

CE 2020

195

‘Maar wie zijn jullie eigenlijk? Of van welke kusten zijn jullie gekomen? Of waarheen zijn jullie op weg?’ Tot haar die vroeg zei hij met dergelijke woorden zuchtend, en terwijl hij zijn stem uit het diepst van zijn hart trok: ‘O godin, als ik bij de eerste oorsprong beginnend zou doorgaan (te vertellen) en u tijd zou hebben de geschiedenis van onze inspanning/ellende (aan) te horen, dan zal de Avondster (al) eerder de dag te ruste brengen, na de hemel gesloten te hebben.

H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 369 - 374

196 of 292

CE 2020

196

Ons heeft een storm varend vanaf het oude Troje, als toevallig de naam (van) Troje door jullie/uw oren is gegaan/jullie/u ter ore is gekomen, over afgelegen zeeën, met de hem eigen grilligheid naar de Libische kusten gedreven. Ik ben de trouwe Aeneas, die de van de vijand afgepakte stadsgoden met zijn vloot met mij vervoer, door zijn reputatie hemelhoog bekend; ik zoek mijn vaderland Italië, en mijn geslacht is van(af) de hoogste Jupiter.

H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 375 - 380

197 of 292

CE 2020

197

Met tweemaal tien schepen bevoer ik de Phrygische zee, terwijl mijn moeder de godin de weg toonde, volgend de gegeven lotsbepalingen/orakels; met moeite zijn er zeven (schepen), door de golven en de wind uit hun voegen gerukt, over. Zelf, onbekend, berooid, doorkruis ik het verlaten gebied van Libië, verdreven uit Europa en Azië.’ En omdat Venus hem niet toeliet/ verdroeg meer te klagen, viel zij (hem) midden in zijn verdriet, zo in de rede:

H3 § e. Aeneas maakt zich bekend (p.48); 381 - 386

198 of 292

CE 2020

198

‘Wie u ook bent, niet, geloof ik, gehaat/geliefd bij de goden ademt u de levenslucht in, omdat u bent aangekomen in de Tyrische stad; ga slechts voort, en begeef u vanaf hier naar het paleis van de koningin. Want ik bericht u dat uw makkers teruggekeerd zijn en uw vloot teruggebracht is en, nadat de winden zijn gedraaid in een veilige haven is gebracht, als niet/tenzij mijn ouders zonder kennis van zaken (mij) vergeefs de voorspellingskunst hebben geleerd.

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 387 - 392

199 of 292

CE 2020

199

Zie de tweemaal zes zwanen blij (weer) in kolonne te vliegen, die de vogel van Jupiter glijdend/in een glijvlucht vanuit het luchtruim in de open hemel in verwarring bracht; nu worden ze gezien/ziet men dat ze in een lange rij ofwel de aarde bereiken ofwel neerzien op de reeds bereikte aarde:

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 393 - 396

200 of 292

CE 2020

200

zoals zij teruggekeerd spelen met klapperende vleugels, en in een groep de hemel omringden/in de hemel rondvlogen, en gekrijs gaven/lieten horen, niet anders hebben én uw schepen én de manschappen van de uwen óf de haven bereikt óf naderen met volle zeil(en) de ingang (van de haven). Ga slechts voort en richt uw schreden, waarlangs de weg u leidt.’

H3 § f. Venus zegt Aeneas dat zijn vloot veilig is (p.50); 397 - 401

201 of 292

CE 2020

201

Zij sprak (zo), en zich omdraaiend schitterde zij met haar rozenkleurige nek, en haar naar ambrozijn geurende haren verspreidden vanaf de kruin een goddelijke geur; haar kleed golfde omlaag tot onder aan haar voeten, en door haar manier van lopen verried de echte godin zich/verried ze zich als echte godin. Zodra hij zijn moeder had herkend, volgde hij haar, vluchtend, met dergelijke woorden:

H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 402 - 406

202 of 292

CE 2020

202

‘Waarom misleidt u zovaak uw zoon, ook u bent wreed, met valse beelden? Waarom is het niet geoorloofd mijn rechterhand te verbinden met uw rechterhand/elkaar de hand te geven, en echte woorden te horen en terug te geven/te antwoorden?’ Met dergelijke woorden beschuldigt hij (zijn moeder), en richt zijn schreden naar de muren.

H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 407 - 410

203 of 292

CE 2020

203

Maar Venus omgaf hen, terwijl zij gingen, met een donkere wolk, en de godin omhulde (hen) met veel/dikke bedekking van nevel, opdat niet/om te voorkomen dat iemand hen kon zien en opdat niemand hen kon aanraken, of oponthoud veroorzaken of naar de redenen van het komen/hun komst vragen. Zelf gaat ze weg door de lucht naar Paphus, en zocht blij haar woonplaats op, waar zij een tempel heeft, en honderd altaren gloeien door/met Arabische wierook, en geuren naar verse kransen.

H3 § g. Aeneas herkent zijn moeder en is boos (p.52); 411 - 417

204 of 292

CE 2020

204

Ondertussen legden ze snel hun weg af, waarlangs een pad (hen) wijst, en ze beklommen al de heuvel, die over zeer grote uitgestrektheid boven de stad uitsteekt, en van bovenaf op de torens/burcht ertegenover uitkijkt. Aeneas bewondert de grote bouwwerken, eens hutten, hij bewondert de poorten en het lawaai en de geplaveide straten.

H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 418 - 422

205 of 292

CE 2020

205

De Tyriërs pakken vol vuur het werk aan: een deel trekt muren op en bouwt de burcht en rollen met hun handen stenen omhoog, een deel kiest een plaats voor een huis uit en omsluit/omgeeft (deze) met een greppel; zij kiezen wetten en magistraten en de heilige senaat. Hier graven sommigen havens uit; hier plaatsen anderen hoge fundamenten voor theaters, en hakken reusachtige zuilen uit de rotsen, (als) hoge sieraden/versieringen voor toekomstige podia/tonelen.

H3 § h. Aeneas ziet de Carthagers bezig met de bouw van hun stad (p.54); 423 - 429

206 of 292

CE 2020

206

(Zodanig is de inspanning) zoals bijen in de nieuwe/vroege zomer over bloemrijke velden onder de zon druk bezig houdt, wanneer zij de volwassen jongen van het volk naar buiten brengen, of wanneer ze de vloeibare honing opeenhopen en de bijencellen met zoete nectar geheel vullen, of de last van hen die (terug)komen aannemen, of na een colonne te hebben gemaakt /gevormd de darren, het luie vee van de bijenkorven afweren; het werk is in volle gang, en de geurige honing ruikt naar tijm.

H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 430 - 436

207 of 292

CE 2020

207

‘O gezegenden, wier muren zich reeds oprichten/verrijzen!’ zegt Aeneas, en hij kijkt omhoog naar de gevels van de stad. Hij begeeft zich, omgeven door een wolk (het is wonderlijk om te zeggen) midden door de mannen en mengt zich onder de mannen, en wordt door niemand gezien.

H3 § i. Aeneas bewondert de bedrijvigheid (p.56); 437 - 440

208 of 292

CE 2020

208

Aeneas en Dido

Aeneis

6

209 of 292

CE 2020

209

Maar de koningin, allang gewond door een hevige liefde/zware liefdespijn, voedt de wond met haar bloed en wordt verteerd door een verborgen vuur. Veelvuldig komen de goede eigenschappen van de man (haar) telkens weer voor de geest en veelvuldig het aanzien van zijn volk; zijn gelaatstrekken en zijn woorden staan in haar borst/hart gegrift, en niet geeft de liefde een vreedzame rust aan haar ledematen.

H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 1 - 5

210 of 292

CE 2020

210

De volgende Aurora/Dageraad verlichtte met de fakkel van Phoebus de landen en had de vochtige duisternis verdreven uit de hemel, wanneer zij, nauwelijks bij haar verstand, zo/als volgt tot haar eensgezinde zuster spreekt:

H6 §1 a. Dido wordt verteerd door een heimelijk vuur (p.76); 6 - 8

211 of 292

CE 2020

211

‘Anna, zuster, wat voor droomgezichten maken mij bang, zodat ik onrustig ben! Wat voor een buitengewone man is deze vreemdeling die gekomen is bij onze woonplaats, hoe imponerend zich gedragend in zijn optreden, met/van een hoe dapper hart en krijgsdaden/schouders!

Ik geloof stellig, en mijn vertrouwen is niet ongefundeerd, dat hij een zoon van goden is. Angst brengt geesten/harten van lage afkomst aan het licht. Ach, door welke lotsbestemmingen is hij heen en weer geslingerd! Wat voor een oorlogen, die (door hem) doorstaan zijn, bezong hij!

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 9 - 14

212 of 292

CE 2020

212

Als het voor mij in mijn hart niet vast/blijvend en onbeweeglijk/onwrikbaar vast zou staan/vaststond dat ik mij met niemand zou willen verenigen in een huwelijksband, nadat mijn eerste liefde mij teleurgesteld is ontglipt/ontvallen door de dood; als ik geen afkeer had gehad van het bruidsvertrek en de

huwelijksfakkel, kon ik misschien bezwijken voor deze éne ontrouw.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 15 - 19

213 of 292

CE 2020

213

Anna (want ik zal het bekennen) na de dood van mijn ongelukkige echtgenoot Sychaeus, en na het besmeuren van de huisgoden door de moord door mijn broer, heeft híj alleen mijn gevoelens omgebogen en mijn wankelende hart in beweging gebracht. Ik herken de sporen van een oud vuur.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 20 - 23

214 of 292

CE 2020

214

Maar ik zou wensen dat óf voor mij de aarde eerder in zijn diepten zich zou openen, óf de almachtige vader mij met zijn bliksem naar de schimmen zou slingeren, naar de bleke schimmen in de Erebus en naar de diepe nacht, voordat ik jou, eergevoel, schend, of jouw wetten overtreed. Hij die als eerste mij aan zich heeft gebonden, heeft mijn liefde/liefdesgevoelens meegenomen; moge hij deze bij zich houden en in zijn graf bewaren.’ Nadat zij zo gesproken had, vulde zij haar boezem met tranen, die opgeweld waren.

H6 §1 b. Dido bekent tegenover Anna dat ze verliefd is (p.78); 24 - 30

215 of 292

CE 2020

215

Anna antwoordt: ‘O jij, die aan je zuster dierbaarder bent dan het levenslicht, zul jij alleen, bedroefd gedurende je hele jeugd verteerd worden en zul je geen zoete kinderen en geen beloningen van Venus kennen? Geloof jij dat de as of de begraven schimmen/schimmen in het graf zich hierom bekommeren?

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 31 - 34

216 of 292

CE 2020

216

Het zij zo: vroeger hebben geen huwelijkskandidaten jou ziek van verdriet/in je verdriet, voor zich gewonnen, niet in Libië, niet daarvóór vanuit Tyrus; Iarbas werd afgewezen en andere vorsten, die het Afrikaanse land, rijk aan triomfen, voedt: zul jij je zelfs verzetten tegen een liefde die (bij jou) in de smaak valt? En komt het niet in je gedachten op in wier land jij je gevestigd hebt?

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 35 - 39

217 of 292

CE 2020

217

Aan de ene kant omringen de Gaetulische steden, een volksstam onoverwinnelijk in de oorlog, en de teugelloze Numidiërs en de ongastvrije Syrte (onze stad); aan de andere kant een door droogte verlaten gebied en de wijd en zijd tierende Barceeërs. Waarom zal/moet ik de oorlogen die vanuit Tyrus ontstaan en de bedreiging(en) van je broer noemen?’

H6 §1 c. Anna raadt Dido aan toe te geven aan haar gevoelens (p.80); 40 - 44

218 of 292

CE 2020

218

‘Stellig onder bescherming van de goden en met de gunst van Juno meen ik dat de Trojaanse schepen door de wind hierheen koers hebben gezet. Welk een stad zul jij, zuster, hier zien oprijzen, welk een rijk (zul jij zien oprijzen) door een dergelijke verbintenis! Wanneer de wapens van de Trojanen (ons) vergezellen, tot wat een grote macht zal de Punische roem zich verheffen!

H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 45 - 49

219 of 292

CE 2020

219

Vraag de goden slechts om toestemming, en na offers met gunstig resultaat te hebben gebracht, draag zorg voor gastvrijheid en rijg reden aan reden om hem op te houden, zolang op zee de storm raast en de regenbrengende Orion, en (zolang) de schepen beschadigd zijn, zolang de hemel niet hanteerbaar is.’

H6 §1 d. ‘Een verbintenis met Aeneas is erg gunstig’ (p.82); 50 - 53

220 of 292

CE 2020

220

Met deze woorden heeft zij (Anna) haar geest/hart doen ontbranden in een hevige liefde en hoop gegeven aan haar onzekere geest en een einde gemaakt aan haar schaamte. Eerst gaan ze naar de tempels en vragen om goddelijke bijstand van altaar naar altaar (gaand); ze slachten volgens vast gebruik uitgelezen schapen aan de wetgevende Ceres en aan Phoebus en aan vader Lyaeus, in het bijzonder aan Juno, aan wie de huwelijksbanden tot zorg zijn.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 54 - 59

221 of 292

CE 2020

221

Terwijl de zeer mooie Dido zelf de offerschaal met haar rechterhand vasthoudt, giet zij deze leeg midden tussen de hoorns van een glanzend witte koe, of loopt heen en weer vóór de gezichten van de goden naar de altaren druipend van het vet, en ze hernieuwt de dag met geschenken, en terwijl ze met open mond naar de geopende borsten/lichamen van de dieren staart, raadpleegt ze de nog warme ingewanden.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 60 - 64

222 of 292

CE 2020

222

Ach, onwetende geesten van offerschouwers! Wat baten geloften haar die buiten zinnen is, wat baten tempels? Intussen verteert een vuur haar zachte merg en een zwijgende wond leeft diep in haar borst.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 65 - 67

223 of 292

CE 2020

223

De ongelukkige Dido wordt verteerd en dwaalt rond door de hele stad buiten zinnen, zoals een hert nadat een pijl is afgeschoten (een hert) dat argeloos op een afstand een herder te midden van de wouden van Kreta jagend met zijn pijlen heeft getroffen en hij heeft het vliegende ijzer achtergelaten, zonder het te weten: het (hert) dwaalt op zijn vlucht door de bossen en bosrijke dalen van de Dicte; het dodelijk riet blijft vastzitten in zijn flank.

H6 §1 e. Dido laat zich overhalen (p.84); 68 - 73

224 of 292

CE 2020

224

Nu eens leidt zij Aeneas met zich mee midden door de stad en toont de Sidonische macht en de stad die klaar is (om hem te ontvangen), ze begint te spreken en blijft midden in een woord steken; dan weer zoekt zij, wanneer de dag verstrijkt, eenzelfde maaltijd/gastmaal op, en zij verlangt, buiten zinnen, weer te luisteren naar de ellende van Ilium en weer hangt zij aan de lippen van degene/hem die vertelt.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 74 - 79

225 of 292

CE 2020

225

Later, zodra zij zijn uiteengegaan, en de verbleekte maan op haar beurt haar licht dooft en de ondergaande sterren uitnodigen tot de slaap, treurt zij alleen in het lege huis en legt ze zich ter ruste op het aanligbed dat verlaten is. Terwijl zij afwezig is/van hem gescheiden is en luistert zij naar hem en ziet hem die afwezig is of, in de ban van de gelijkenis met zijn vader, houdt zij Ascanius op haar schoot, om te zien of zij de onuitsprekelijke liefde kan misleiden.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 80 - 85

226 of 292

CE 2020

226

De torens, waaraan men begonnen was, verheffen zich niet, niet oefent de jeugd met wapens of bouwen zij aan de havens of versterkingen (die) veilig(heid moeten geven) tegen de oorlog: onvoltooid blijven de onderbroken werken, de geweldige bedreiging van de muren en de hijskraan, gelijkgemaakt aan de hemel.

H6 §1 f. Dido heeft uitsluitend oog voor Aeneas (p.86); 86 - 89

227 of 292

CE 2020

227

En de eerste Dageraad bestrooide de landen al met nieuw licht, terwijl ze het saffraangele bed van Tithonus verliet.

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 584 - 585

228 of 292

CE 2020

228

Zodra de koningin vanuit haar uitkijkpost(en) het eerste licht zag gloren en de vloot gelijkmatig zeilend zag voortgaan, en merkte dat de kusten leeg waren en de havens leeg zonder roeiers waren, zei ze, zich en driemaal en viermaal met haar hand op haar bekoorlijke borst slaand en zich de blonde haren uitrukkend: ‘O Jupiter! Zal deze gaan en zal hij, een vreemdeling, ons rijk bespot hebben?

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 586 - 591

229 of 292

CE 2020

229

Zullen sommigen geen wapens tevoorschijn halen en hen vanuit de hele stad (achter)volgen, en (zullen) anderen de schepen uit de werven wegslepen? Komt, brengt snel fakkels, geeft wapens, brengt de roeiriemen in beweging! Wat zeg ik? Of waar ben ik? Welke waanzin verandert mijn geest? Ongelukkige Dido, treffen nú jou de goddeloze daden?

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 592 - 596

230 of 292

CE 2020

230

Toen/op dat moment paste het (dat de goddeloze daden je troffen), toen je (hem) de heerschappij wilde geven. Kijk, de rechterhand en de trouw van hem, die/van wie ze zeggen dat hij de Penaten van zijn voorvaders met zich mee droeg, (van wie ze zeggen) dat hij zijn vader uitgeput door zijn leeftijd, op zijn schouders heeft genomen! Had ik zijn weggesleurde lichaam niet kunnen verscheuren en over de golven verstrooien? (Had ik) niet zijn metgezellen, niet Ascanius zelf met het zwaard (kunnen) doden en hem te eten aanbieden op de tafel van zijn vader?

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 597 - 602

231 of 292

CE 2020

231

Maar de uitslag van de strijd was onzeker geweest. Laat dat zo geweest zijn: wie had ik te vrezen, ik die op het punt stond te sterven? Dan had ik/zou ik fakkels naar zijn legerkamp hebben gebracht en de gangboorden met vlammen hebben gevuld en de zoon en de vader met zijn geslacht hebben uitgeroeid, (en) had/zou ik zelf mij erbovenop hebben gegeven/gegooid.’

H6 §3 a. Dido ziet onverwachts Aeneas met zijn vloot vertrekken (p.92); 603 - 606

232 of 292

CE 2020

232

‘Zon, (u) die met uw vlammen alle werken van/op aarde verlicht, en u Juno, bemiddelaar en getuige van deze liefde, en Hecate huilend aangeroepen op de nachtelijke driesprongen in de steden en wraakzuchtige Wraakgodinnen en (wraakzuchtige) goden van de stervende Elissa, laat dit goed tot u doordringen, en richt uw goddelijke macht die zij verdienen op de slechterikken/die ik verdien op mijn ellende en hoort onze/mijn gebeden. Als het noodzakelijk is dat de afschuwelijke kerel havens bereikt en aan land aanspoelt, …

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 607 - 613

233 of 292

CE 2020

233

… en de lotsbepalingen van Jupiter het zo eisen (en) dit einde vaststaat, moge hij dan, geteisterd door een oorlog met een moedig volk en door wapens, verdreven uit zijn gebied, weggerukt uit de omarming van Julus, om hulp smeken en onwaardige dood(sgevallen) van de zijnen zien; en moge hij niet, wanneer hij zich zal hebben overgeleverd onder/aan de voorwaarden van een vijandige vrede, genieten van zijn heerschappij of (het door hem) gewenste leven, maar moge hij sneuvelen vóór zijn dag en onbegraven midden op het strand (liggen).

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 614 - 620

234 of 292

CE 2020

234

Dit/hierom smeek ik, deze laatste woorden giet ik uit samen met mijn bloed. Dan moeten jullie, Tyriërs, zijn familie en zijn hele toekomstige geslacht met haat(gevoelens) achtervolgen, en deze laatste eer aan onze/mijn as zenden/geven. Er moet geen enkele liefde en geen verdragen voor/tussen de volkeren zijn.

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 621 - 624

235 of 292

CE 2020

235

Moge jij als een of andere wreker uit onze botten opstaan die met fakkel en ijzer/te vuur en te zwaard de Trojaanse kolonisten moet achtervolgen, nu, ooit, op welk moment ook maar de krachten/macht voorhanden zullen/zal zijn. Dat kusten vijandig aan kusten zijn, golven (vijandig) aan golven (zijn) spreek ik als verwensing uit, wapens (vijandig) aan wapens: mogen en zijzelf en hun nakomelingen strijden.’

H6 §3 b. Dido vervloekt Aeneas en zijn nageslacht (p.94); 625 - 629

236 of 292

CE 2020

236

Dit zei zij, en zij wendde haar geest naar alle kanten, zoekend zo snel mogelijk het gehate levenslicht af te snijden. Toen sprak zij kort tot Barce, de voedster van Sychaeus, want de donkere as in haar oude/vroegere vaderland had haar eigen voedster:

H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 630 - 633

237 of 292

CE 2020

237

‘Aan mij dierbare voedster, breng mijn zuster Anna hierheen: zeg dat ze zich moet haasten haar lichaam met het water uit de rivier te besprenkelen en dat ze dieren en de voorgeschreven zoenoffers met zich meeneemt. Laat zij zó komen, en jij moet zelf je slapen bedekken met een heilige band. Het is mijn bedoeling om voor de Stygische Jupiter de offerhandelingen, die ik, volgens voorschrift begonnen, heb voorbereid, te voltooien en een eind te maken aan mijn liefdesverdriet en de brandstapel van de Trojaanse persoon/schepsel prijs te geven aan het vuur.’

H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 634 - 640

238 of 292

CE 2020

238

Zo sprak zij. Zij (Barce) ging vlijtig op weg met de ijver van een oude vrouw. Maar Dido, onrustig en verwilderd door de afschuwelijke onderneming, draaiend/rollend haar met bloed doorlopen ogen, en haar trillende wangen bestrooid met/vol vlekken en bleek door de naderende dood, stormt het meer naar binnen gelegen gedeelte van haar huis binnen en beklimt bezeten de hoge brandstapel en ontbloot het Trojaanse zwaard, een geschenk niet voor dit gebruik verworven.

H6 §3 c. Dido wil sterven (p.98); 641 - 647

239 of 292

CE 2020

239

Toen/hier, nadat zij de Trojaanse kleding en het bekende bed aanschouwd had, pauzeerde zij een korte tijd in tranen en in gedachten, en liet zich vallen op het bed en zei haar laatste woorden:

‘Aangename/zoete kleding die eens van hem was, (aangenaam) zolang het lot en de god het toestonden, neem dit leven aan en verlos mij van dit liefdesverdriet.

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 648 - 652

240 of 292

CE 2020

240

Ik heb geleefd en de gang, die Fortuna mij gegeven had, heb ik voltooid, en nu zal de grote schim van mij onder de aarde gaan. Ik heb een prachtige stad gebouwd, ik heb mijn muren gezien, ik heb, mijn man gewroken hebbend, van mijn vijandige broer genoegdoening gekregen, gelukkig, ach, al te gelukkig, als de Dardanische schepen maar nooit onze kusten hadden bereikt.’

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 653 - 658

241 of 292

CE 2020

241

Ze heeft gesproken, en met haar gezicht op het bed gedrukt zei ze: ‘Wij zullen ongewroken sterven, maar laten we sterven. Zo, zo behaagt het me/wil ik afdalen in de Onderwereld. Moge de wrede Trojaan dit vuur met zijn ogen vanaf de zee in zich opnemen en met zich het onheilsteken van onze dood meedragen.’

H6 §3 d. Dido neemt afscheid (p.100); 659 - 662

242 of 292

CE 2020

242

Ze had gesproken, en te midden van dergelijke woorden zien de begeleiders dat zij door (de klap van) het zwaard neergestort is en dat het zwaard schuimt van het bloed en haar handen bespat zijn. Een geschreeuw stijgt op naar de hoge hallen: het Gerucht gaat als een razende rond door de geschokte stad.

H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 663 - 666

243 of 292

CE 2020

243

De huizen weerklinken van gejammer en gezucht en geschreeuw van vrouwen, de hemel weergalmt van groot/luid weeklagen, niet anders dan als, wanneer de vijanden zijn binnengedrongen, heel Carthago of het oude Tyrus zou instorten, en woedende vlammen zich en langs de huizen van mensen en langs die van goden zouden kronkelen.

H6 §3 e. Dido stort zich in het zwaard (p.103); 667 - 671

244 of 292

CE 2020

244

Haar zuster hoorde het verbijsterd en verschrikt haast zij zich in angstige gang/met angstige snelheid door degenen (heen) die tussen hen in stonden, haar gezicht met haar nagels en haar borst met haar vuisten verminkend, en zij roept de stervende bij naam: ‘Was dit dat, zuster? Was het mij die jij bedroog? Dit verschafte mij die brandstapel, dit de vuren en altaren?

H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 672 - 676

245 of 292

CE 2020

245

Waarover moet ik, verlaten, het eerst klagen? Heb jij al stervend je zuster als vriendin afgewezen? Jij had mij naar hetzelfde lot moeten roepen/had jij me maar . . ., dezelfde pijn (door het zwaard) en hetzelfde uur hadden ons beiden met het zwaard moeten wegnemen. Ik heb zelfs met deze handen (de brandstapel) opgericht en luid de voorvaderlijke goden aangeroepen, opdat ik van jou, wreedaard, zo gelegen, gescheiden was?

H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 677 - 681

246 of 292

CE 2020

246

Jij hebt jezelf en mij, zuster, vernietigd en het volk en de vaders/senatoren van Sidon en jouw stad. Geef (water), laat ik je wonden met (helder) water schoonmaken en laat ik, als er een laatste adem boven rond dwaalt, deze met mijn mond opvangen.’ Zo sprekend had zij de hoge treden beklommen en zij koesterde haar halfdode zuster, haar omarmend, aan haar boezem met/onder gezucht en zij droogde (de stromen/druppels van) het donkere bloed met haar kleed.

H6 §3 f. Anna vindt haar zuster (p.104); 682 - 687

247 of 292

CE 2020

247

Zij, terwijl ze haar zware ogen op haar beurt probeert op te richten, verliest haar kracht; de wond die is toegebracht sist diep in haar borst.

Driemaal zich oprichtend en steunend op haar elleboog heeft ze zich opgericht, driemaal is zij terug gevallen op het kussen en met ronddwalende/rondwarende ogen zocht zij het licht aan/in de hoge hemel en toen zij het gevonden had slaakte zij een diepe zucht.

H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 688 - 692

248 of 292

CE 2020

248

Toen/op dat moment stuurde de almachtige Juno, omdat ze medelijden had met de langdurige pijn en de moeilijke doodsstrijd Iris naar beneden van de Olympus, opdat zij de worstelende ziel en de daarmee vastgeknoopte ledematen zou bevrijden. Want omdat zij noch stierf door het lot noch door een verdiende/rechtmatige dood, maar ongelukkig vóór haar tijd en aangestoken door een plotselinge waanzin, had Proserpina nog niet bij haar van haar hoofd blond haar weggenomen en haar hoofd/persoon/leven aan de Stygische Orcus overgeleverd/gewijd.

H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 693 - 699

249 of 292

CE 2020

249

Dus vliegt Isis bedauwd met haar saffraangele vleugels door de hemel naar beneden, terwijl ze duizend afwisselende kleuren meesleept in de stralen van de zon en ze ging staan boven haar hoofd. ‘Ik neem op bevel dit als offer voor Pluto mee en ik maak je los van dat lichaam’: Zo spreekt ze en ze snijdt met haar rechterhand de haren af, en alle warmte verdween tegelijk en het leven week terug in de wind(en).

H6 §3 g. Dido sterft (p.106); 700 - 705

250 of 292

CE 2020

250

Aeneas en Euander

Aeneis

9

251 of 292

CE 2020

251

Vervolgens keren allen terug naar de stad, nadat de godsdienstige plechtigheden waren volbracht. De koning, hoogbejaard, ging en hij hield zijn metgezel Aeneas dichtbij (zich) en zijn zoon, terwijl hij voortging, en hij bekortte de weg met een afwisselend gesprek. Aeneas bewondert /verwondert zich en hij laat zijn beweeglijke ogen rondgaan over alles, en wordt geboeid door het gebied en verheugd stelt hij vragen over alles één voor één en hoort de herinneringen aan eerdere/vroegere mannen.

H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 306 - 312

252 of 292

CE 2020

252

Toen zei koning Euander, stichter van de Romeinse burcht: ‘Inheemse faunen en nimfen bewoonden deze bossen en een volk van mannen geboren uit boomstammen en hard eikenhout, aan wie was/die hadden noch goede zeden noch beschaving, en die geen stieren onder het juk konden brengen of bezit vergaren of zuinig zijn met wat verworven is, maar boomvruchten en de jacht, moeilijk wat betreft levensonderhoud, voedden (hen).’

H9 §2 a. Euander begint zijn rondleiding (p.130); 313 - 318

253 of 292

CE 2020

253

‘Als eerste kwam Saturnus vanaf de hoge Olympus, vluchtend voor de wapens van Jupiter en als balling nadat zijn heerschappij (hem) was ontnomen. Hij verenigde het onwetende en verspreid in de hoge bergen wonende volk en gaf (het) wetten, en wilde liever dat het Latium genoemd werd/heette, aangezien hij zich op deze kusten veilig had schuil gehouden.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 319 - 323

254 of 292

CE 2020

254

Onder die koning waren de eeuwen die ze gouden noemen: zo regeerde hij de volkeren in rustige vrede, totdat langzamerhand een slechtere en verbleekte tijd en oorlogswaanzin en bezitsdrang volgden.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 324 - 327

255 of 292

CE 2020

255

Toen kwamen de Ausonische groep en Sicilische volkeren/stammen, en vaker/vrij vaak verloor het Saturnische land zijn naam; toen kwamen de koningen en Thybris, ruw door/met zijn reusachtige lichaam, naar wie wij Italiërs later de rivier met de naam Thybris/Tiber noemden; de oude Albula verloor haar echte naam.

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 328 - 332

256 of 292

CE 2020

256

Mij, verdreven uit mijn vaderland en zoekend de uiterste grens van de zee, hebben de almachtige Fortuna en het onontkoombare lot in dit gebied geplaatst/gebracht, en de angstaanjagende voorspellingen van mijn moeder, de nimf Carmentis en de god Apollo als haar zegsman dreven mij voort.’

H9 §2 b. De eerdere bewoners (p.132); 333 - 336

257 of 292

CE 2020

257

Nauwelijks zijn deze woorden gezegd/nauwelijks had hij deze woorden geuit, of verder lopend toont hij én het altaar én de poort die de Romeinen met de naam Carmentalis noemen, als een oud eerbewijs van/voor de nimf Carmentis, een voorspellende profetes, die als eerste voorspelde dat de Aeneaden groot zouden zijn en het Pallanteum beroemd.

H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 337 - 341

258 of 292

CE 2020

258

Vandaar toont hij een reusachtig woud, dat de krijgslustige Romulus als asyl aanwees, en onder een ijskoude rots/grot het Lupercal, op Arcadische wijze (de grot) van Pan van het Lycaeusgebergte geheten. Verder ook toont hij het bos van het heilige Argiletum en roept hij de plaats tot getuige en onderwijst /vertelt hij over de dood van zijn gastvriend Argus.

H9 §2 c. Euander toont beroemde plaatsen (p.134); 342 - 346

259 of 292

CE 2020

259

Vanhier leidt hij naar de Tarpeïsche rots en het Capitool, nu van goud, eens ruig door/met bosachtig kreupelhout. Reeds toen maakte een huiveringwekkend ontzag voor de plaats de angstige boeren bang, reeds toen huiverden ze voor het bos en de rots.

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 347 - 350

260 of 292

CE 2020

260

‘Dit bos, deze’ zegt hij ‘heuvel met loverrijke top - welke god (er woont) is onzeker - bewoont een god; de Arcadiërs geloven dat ze Jupiter zelf hebben gezien, toen hij dikwijls zijn donkere aegis met zijn rechterhand zwaaide en de donderwolken in beweging bracht.

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 351 - 354

261 of 292

CE 2020

261

Je ziet bovendien deze twee steden met vervallen muren, resten en aandenkens van oude/vroegere mannen. Vader Janus stichtte deze (burcht), Saturnus deze burcht; voor de ene was de naam geweest/de ene had de naam Janiculum, de andere Saturnia.’

H9 §2 d. Aeneas ziet het Capitool (p.136); 355 - 358

262 of 292

CE 2020

262

Met dergelijke gesprekken onderling naderden ze het huis van de arme Euander, en zagen ze overal kuddes op het Forum Romanum en in de rijke Carinae loeien. Zodra men gekomen was/ze gekomen waren bij zijn woning, zei hij: ‘Deze drempel/dit huis heeft de zegevierende Hercules betreden, dit paleis heeft hem opgenomen. Heb de moed, gastvriend, om bezit te minachten en betoon u ook een god waardig, en kom zonder kritiek op armzalige zaken.’

H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 359 - 365

263 of 292

CE 2020

263

Hij sprak (zo), en hij bracht de reusachtige Aeneas onder het dak van zijn nauwe/krappe huis en deed hem plaatsnemen zodat hij lag op uitgespreide bladeren en op de huid van een Libische berin: de nacht valt in en omvat met zijn donkere vleugels de aarde.

H9 §2 e. Ontvangst in Euanders ‘paleis’ (p.136); 366 - 369

264 of 292

CE 2020

264

Het nieuwe schild voor Aeneas

Aeneis

10

265 of 292

CE 2020

265

Maar Venus, de stralende godin verscheen omgeven door hemelse wolken terwijl ze de geschenken droeg; en zodra zij haar zoon op een afstand in een afgelegen dal afgezonderd zag bij een zeer koude rivier, sprak zij hem toe met dergelijke woorden en zij toonde zich onverwachts: ‘Kijk de beloofde geschenken, voltooid door de vaardigheid/het vakmanschap van mijn echtgenoot. Aarzel niet om weldra, mijn zoon, of de trotse inwoners van Laurentum of de vurige Turnus tot een gevecht uit te dagen.’

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 608 - 614

266 of 292

CE 2020

266

(Zo) sprak ze, en Cytherea wilde haar zoon omarmen/omarmde haar zoon, ze plaatste de stralende wapens onder/aan de voet van een tegenoverliggende eik. Hij, blij met de geschenken van de godin en de zo grote pracht, heeft geen ogen genoeg en hij laat zijn ogen gaan over de afzonderlijke dingen, en hij bewondert en hij wendt en keert steeds tussen zijn handen en armen/hij laat steeds door zijn handen en armen gaan een helm verschrikkelijk door de helmbos en vlammen uitspuwend, …

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 615 - 620

267 of 292

CE 2020

267

… en een dood brengend zwaard, een harnas stijf staand van het koper, rood als bloed, geweldig, zoals wanneer een blauwe wolk gloeiend wordt door de stralen van de zon en wijd en zijd schittert; dan/vervolgens lichte scheenplaten van omgesmolten zilvergoud en goud, en een speer en een niet te vertellen samenstel van een schild.

H10 §1 a. Venus geeft de nieuwe wapens aan Aeneas (p.140); 621 - 625

268 of 292

CE 2020

268

Daar had de vuurgod, niet onbekend met zieners en niet onwetend met de tijd die zou komen, Italische krijgsdaden/geschiedenis en zegetochten van de Romeinen afgebeeld, daar het hele geslacht van de toekomstige nakomelingen vanaf Ascanius en de oorlogen die achtereenvolgens gevochten zijn.

H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 626 - 629

269 of 292

CE 2020

269

Hij had ook afgebeeld dat een wolvin die pas jongen had geworpen, in de grasrijke grot van Mars was gaan liggen, dat de beide jongens speelden terwijl ze rondom haar tepels hingen en dat zij zonder angst bij hun moeder dronken, dat zij, nadat ze haar ronde nek naar achteren gebogen had, hen beurtelings likte en met haar tong de lichamen vormde/vorm gaf.

H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 630 - 634

270 of 292

CE 2020

270

En niet ver hiervandaan had hij Rome en de Sabijnse vrouwen, gewelddadig geroofd van/uit het publiek van de toeschouwersruimte, terwijl de grote Spelen in de circus werden gehouden, toegevoegd, en dat plotseling een onverwachte oorlog uitbrak tussen het volk van Romulus en de oude Tatius en het strenge Cures. Hierna stonden, nadat de strijd was beëindigd, dezelfde koningen bij elkaar vóór het altaar van Jupiter gewapend en terwijl ze offerschalen vasthielden, en nadat een zeug was gedood, sloten ze een verbond.

H10 §1 b. De vroegste geschiedenis van Rome (p.142); 635 - 641

271 of 292

CE 2020

271

Niet ver hiervandaan hadden vierspannen, in tegengestelde richtingen in beweging gezet, Mettus uiteengescheurd (maar was jij maar, inwoner van Alba, trouw gebleven aan je woorden!), en Tullus sleepte met geweld de ingewanden van de leugenachtige man door het bos, en besprenkeld met bloed dropen de struiken van het bloed.

H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 642 - 645

272 of 292

CE 2020

272

En ook beval Porsenna (de Romeinen) de verbannen Tarquinius aan te nemen/op te nemen en hij bracht de stad door een geweldige belegering in het nauw; het volk van Aeneas snelde voor de vrijheid te wapen. Je zou hem kunnen zien gelijk aan degene/iemand die verontwaardigd is en gelijk aan degene/iemand die dreigt, omdat Cocles het waagde de brug af te breken en Cloelia, nadat ze haar boeien had gebroken, in de rivier zwom.

H10 §1 c. Het vervolg van de koningstijd (p.144); 646 - 651

273 of 292

CE 2020

273

Op de top stond Manlius, de wachter van de Tarpeïsche burcht voor de tempel en beschermde het hoge Capitool, en het pas herstelde paleis had met/door het strodak van Romulus een ruw uiterlijk. En hier krijste een gans van zilver, klapwiekend in de met goud versierde zuilengangen, dat de Galliërs op de drempel aanwezig waren/verschenen; de Galliërs verschenen door het kreupelhout en bereikten de burcht, beschermd door de duisternis en het geschenk van de donkere nacht.

H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 652 - 658

274 of 292

CE 2020

274

Zij hadden haar van goud en kleding van goud, ze schitteren in hun gestreepte korte mantels, verder worden hun melkwitte halzen omstrengeld met goud, ieder slingert met zijn hand twee zware alpenwerpspiezen, beschermd wat hun lichamen betreft/hun lichamen beschermend door lange schilden.

H10 §1 d. Rome in gevaar (p.146); 659 - 662

275 of 292

CE 2020

275

Hier had hij de dansende Saliërs en de naakte Luperci en de woldragende puntmutsen en de schilden, gevallen uit de hemel, uitgeslagen, eerzame moeders voerden heilige voorwerpen mee door de stad in hun zachte staatsiekoetsen. Ver hiervandaan voegt hij ook de plaatsen van de Onderwereld toe, de hoge poorten van Dis, …

H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 663 - 667

276 of 292

CE 2020

276

en de straffen voor de misdaden/van de misdadigers, en jou, Catilina, hangend aan een dreigend uitstekende hoge rots en sidderend voor de gezichten van de Furiën, en op een aparte plaats de vromen (en) Cato die aan hen recht geeft.

H10 §1 e. Priesters en vermaarde doden (p.148); 668 - 670

277 of 292

CE 2020

277

Tussen deze (voorstellingen) ging wijd en zijd het gouden beeld van de stormachtige zee, maar de zee schuimde met zijn grijswitte golven, en rondom streken dolfijnen blinkend door/van zilver in een cirkel over de zeespiegel heen met hun staarten en zij doorkliefden de branding. In het midden (van de zee) was het mogelijk om met brons beslagen vloten, de oorlog/strijd bij Actium, te zien, en je had heel Leucates kunnen zien krioelen van geordende strijdkrachten en de golven (had je kunnen zien) schitteren van goud.

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 671 - 677

278 of 292

CE 2020

278

Aan deze kant Caesar Agustus/de Verhevene die de Italiërs ten strijde voert samen met de senatoren en het volk, de penaten en/namelijk de grote goden, terwijl hij op de hoge achtersteven stond, voor wie/wiens slapen opgewekt twee vlammen uitstralen en op wiens kruin de komeet van zijn vader zich vertoont. Aan een andere kant Agrippa, die hoog verheven/trots met gunstige wind(en) en goden zijn krijgsmacht aanvoert, voor wie, een trots oorlogsteken, de met scheepssnebben versierde slapen schitteren door/van de scheepskrans.

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 678 - 684

279 of 292

CE 2020

279

Aan die kant Antonius met een uitheemse legermacht/pracht en uiteenlopende wapens, voert, als overwinnaar terugkerend van volkeren van het Oosten en de rode kust, Egypte (en) strijdkrachten van het Oosten en het uiterste Bactra met zich mee, en zijn Egyptische echtgenote (een misdaad) volgt (hem).

H10 §1 f. De deelnemers aan de slag bij Actium (p.150); 685 - 688

280 of 292

CE 2020

280

Tegelijk stormen allen voort en de hele zee schuimt omgewoeld door roeispanen, die ze naar zich toe hebben getrokken, en door de drietandige scheepssnebben. Ze gaan af op de volle zee; je zou kunnen geloven dat de losgerukte Cycladen op de zee dreven of hoge bergen op bergen botsten, met de van torens voorziene schepen van zo’n gevaarte achtervolgen de mannen/van zo’n gevaarte zijn de van torens voorziene schepen waarmee de mannen op de hielen zitten.

H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 689 - 693

281 of 292

CE 2020

281

Met de hand worden vlammen/brandpijlen van (touw)werk en vliegend ijzer van hun schachten geworpen, de velden van Neptunus worden met/door het recente/ongehoorde bloedbad rood gekleurd. In het midden roept de koningin haar troepen met de voorvaderlijke ratel, en ook nog niet kijkt zij om naar de twee slangen in de rug.

H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 694 - 697

282 of 292

CE 2020

282

En wonderlijke verschijnsels van allerlei soorten goden en de blaffer Anubis houden hun wapens (gericht) tegen Neptunus en Venus en tegen Minerva.

In het midden van de strijd raast Mars, uit ijzer gedreven, en vanuit de lucht de sombere/akelige Wraakgodinnen, en zich verheugend schrijdt Tweedracht voort in haar gescheurde mantel, die Bellona met haar bloedige zweep volgt.

H10 §1 g. Beschrijving van de zeeslag; goden vechten mee (p.154); 698 - 703

283 of 292

CE 2020

283

Terwijl hij dit zag, spande Apollo van Actium zijn boog van boven af; uit angst voor hem sloegen heel Egypte en de Indiërs, elke Arabier, alle inwoners van Saba op de vlucht. De koningin zelf werd gezien/Men zag dat de koningin zelf nadat zij de winden had aangeroepen, de zeilen hees en aanstonds de schoten vierde.

H10 §1 h. De vlucht (p.156); 704 - 708

284 of 292

CE 2020

284

De Vuurgod had afgebeeld dat zij temidden van het bloedbad, bleek door de toekomstige/naderende dood, meegevoerd werd door golven en de Noordwestenwind, ertegenover echter de Nijl met zijn grote lichaam terwijl hij treurde en zijn plooien opende en met zijn gehele kleding de overwonnenen riep naar zijn blauwe schoot en zijn stromen vol schuilplaatsen.

H10 §1 h. De vlucht (p.156); 709 - 713

285 of 292

CE 2020

285

Maar Caesar, nadat hij in/met een drievoudige triomftocht de Romeinse muren was binnengetrokken, wijdde aan de Italische goden een onsterfelijk offer/droeg aan de Italische goden een onsterfelijke wens op, driehonderd zeer grote tempels over de hele stad. De straten weerklonken van blijdschap (en) spelen en applaus; bij alle tempels was een koor van moeders, alle hadden altaren; vóór de altaren bedekten gedode jonge stieren de grond.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 714 - 719

286 of 292

CE 2020

286

Zelf, zittend op de schitterende witte drempel van de stralende Phoebus, inspecteert hij de geschenken van volkeren en hij maakt ze vast aan de trotse deurposten; de overwonnen volkeren gaan voort in een lange rij, net zo verschillend in hun talen, als in de aard van hun kleding en in hun wapens.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 720 - 723

287 of 292

CE 2020

287

Hier had Mulciber de volksstam van de Nomaden en de Afrikanen met loshangend gewaad vervaardigd, hier de Lelegers en de Cariërs en de pijlendragende Gelonen; de Euphraat ging met zijn golven nu zachter, en als uiterste/laatste van de mensen (gingen) de Morini, en de Rijn met zijn twee mondingen en de ongetemde Dahers, en Araxes, die zich had boos gemaakt over de brug.

H10 §1 i. De overwinnaar (p.158); 724 - 728

288 of 292

CE 2020

288

Dergelijke dingen bewondert hij overal op het schild van Vulcanus, het geschenk van zijn moeder, en onbekend met de dingen/gebeurtenissen verheugt hij zich in de afbeelding ervan, terwijl hij en de roem en de lotgevallen van zijn nakomelingen op zijn schouder tilt/neemt.

H10 §1 j. Aeneas neemt het schild in ontvangst (p.160); 729 - 731

289 of 292

CE 2019

289

͞

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞͞ ͞

290 of 292

CE 2019

290

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

291 of 292

CE 2019

291

U

U

U

U

292 of 292

CE 2019

292

Si quid habent igitur vatum praesagia veri,

130 protinus ut moriar, non ero, terra, tuus.

Sive favore tuli, sive hanc ego carmine famam,

iure tibi grates, candide lector, ago.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

S

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U