Lucius Annaeus Seneca
Epistulae Morales ad Lucilium
epistulae 116 + 47
De juiste houding tegenover emoties (116 CD)
(Parnassus pp.165 – 166)
De juiste houding tegenover slaven (47 ABCEF)
(Parnassus pp.150 – 152; 154 – 155)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
1
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
2
47 B 1-7
LATIJNSE TEKSTEN
VERTALINGEN
L. Annaeus Seneca – Epistulae morales ad Lucilium 116 (CD) – 47 ABCEF
47 B 7-12
47 B 13-18
47 C 1-7
47 A 1-6
Planning / toetsstof
Stijlmiddelen
47 C 8-12
47 E 1-8
47 E 9-17
47 F 1-5
47 F 5-11
47 B 1-7
47 B 7-12
47 B 13-18
47 C 1-7
47 A 1-6
47 C 8-12
47 E 1-8
47 E 9-17
47 F 1-5
47 F 5-11
LATIJNSE TEKSTEN
VERTALINGEN boek
116 C 7-14
116 C 14-19
116 D 1-4
116 D 5-11
116 C 1-6
116 C 7-14
116 C 14-19
116 D 1-4
116 D 5-11
116 C 1-6
116 D 11-16
116 D 11-16
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
3
Planning Toetsstofomschrijving
Week | Dag | Klassikaal | Zelf |
10 7/3- 11/3 | Do |
|
|
Do |
| ||
Vrij |
| ||
Vrij |
| ||
11 14/3- 18/3 | Do |
| Ma: DEADLINE werk vorige week
|
Do |
| ||
Vrij |
| ||
Vrij |
| ||
12 21/3- 25/3 | Do | | Ma: DEADLINE werk vorige week
|
Do | | ||
Vrij |
| ||
Vrij |
| ||
13 28/3-�1/4 | Do |
| Ma: DEADLINE werk vorige week
|
Do |
| ||
Vrij |
| ||
Vrij |
| ||
�14 4/4-�8/4 | Do |
| Ma: DEADLINE werk vorige week
|
Do |
| ||
Vrij |
| ||
Vrij |
| ||
15 11/4-�15/4 | Do |
| Ma: DEADLINE werk vorige week
|
Do |
| ||
Vrij |
| ||
Vrij |
| ||
16 18/4-�22/4 | Toets-week 4
| Stof:
Toets 90 min
| |
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
4
Stilistische middelen (1)
1. Alliteratie: herhaling van medeklinker
Omschrijving: Herhaling van dezelfde medeklinker aan het begin van twee of meer naburige woorden.
2. Anafoor: herhaling
Omschrijving: Herhaling van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van twee of meer opeenvolgende zinnen, zinsdelen of versregels.
3. Antithese: tegenstelling
Omschrijving: Tegengestelde woorden of tekstelementen worden naast elkaar geplaatst, bv. om de aandacht te trekken
4. Apostrofe: aanspreking personage of zaak
Omschrijving: De schrijver/dichter spreekt een personage toe, ofwel een personage spreekt een afwezig personage/ object/ iets abstracts toe
5. Asyndeton: niet verbonden
Omschrijving: Woorden, woordgroepen of zinnen woorden zonder verbindingswoord achter elkaar geplaatst (effect: snelheid, levendigheid, beweeglijkheid)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
5
Stilistische middelen (2)
6. Chiasme: kruisstelling (abba)
Omschrijving: overeenkomstige tekstelementen zijn in tegengestelde volgorde geplaatst
7. Ellips: weglating
Omschrijving: Weglaten van een of meerdere woorden, meestal een vorm van esse.
8. Enallage: verwisseling
Omschrijving: Een bijvoeglijk naamwoord wordt grammaticaal verbonden met een bepaald naamwoord, terwijl het inhoudelijk bij een ander woord hoort
9. Enjambement: einde vers valt niet samen met einde zin
Omschrijving: een bepaald woord ‘valt over de rand van het vers’ en krijgt daarmee nadruk
10. Exclamatio: uitroep
Omschrijving: Uitroep, die emotie of verbazing uitdrukt of nadruk geeft
11. Hyperbaton: overstap
Omschrijving: woorden die bij elkaar horen worden uit elkaar geplaatst, geeft extra nadruk
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
6
Stilistische middelen (3)
12. Iconiciteit: vorm weerspiegelt inhoud
Omschrijving: de plaatsing van de woorden in de zin weerspiegelt de inhoud
13. Iuxtapositie: naast elkaar plaatsing
Omschrijving: naast elkaar plaatsing van zaken om een bepaald effect te bereiken
14. Litotes: ontkenning tegendeel
Omschrijving: Het tegendeel wordt ontkend om versterkend effect teweeg te brengen
15. Metafoor: figuurlijk taalgebruik (vergelijking zonder afgebeelde...)
Omschrijving: Figuurlijk taalgebruik of beeldspraak
16. Metonymie: naamsverwisseling
Omschrijving: iets wordt aangeduid d.m.v een ander, verwant begrip. Het kan gaan om iets abstracts ter vervanging van het concrete, of iets concreets ter vervanging van het abstracte, de godheid in plaats van de gave (Bacchus = wijn), of het materiaal in plaats van het voorwerp (ijzer = zwaard). Een frequente vorm is pars pro toto (zie onder).
* iemand die METONYMIA toepast wil door een (opmerkelijk) woord te gebruiken een associatie oproepen met wat hij eigenlijk bedoelt te zeggen. De spreker laat de geadresseerde het nadenkwerk doen en zelf op een idee komen.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
7
Stilistische middelen (4)
17. Parallellisme: gelijke opbouw (ABAB)
Omschrijving: twee zinnen of zinsdelen zijn qua inhoud of opbouw min of meer gelijk
18. Personificatie: vermenselijking
Omschrijving: Dieren, levenloze dingen of verschijnselen worden als persoon beschreven
19. Polysyndeton: veel verbindingen
Omschrijving: Drie of meer woorden of woordgroepen met dezelfde functie worden steeds door een nevenschikkend voegwoorden (et, ac, que, atque, aut) met elkaar verbonden.
20. Praeteritio: overslaan
Omschrijving: zeggen dat je iets niet gaat bespreken (of hoeft te bespreken), maar het daarmee juist of toch doen
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
8
Stilistische middelen (5)
21. Prolepsis: vooropstelling
Omschrijving: het zinsdeel dat de aandacht moet krijgen wordt als eerste genoemd
22. Retorische vraag: nepvraag
Omschrijving: vraag die geen echte vraag is (effect: geeft nadruk aan boosheid, verontwaardiging, ongeloof). Mededeling in de vorm van een vraag.
23. Trikolon: drie onderdelen
Omschrijving: opsomming van drie tekstelementen, vaak gepaard met climax (uitsmijter)
24. Vergelijking (soms zeer uitgebreid, dan ‘Homerisch’):
Omschrijving: iets (afgebeelde) wordt vergeleken met iets anders (beeld), beiden worden genoemd en verbonden door het voegwoord (zo)als. Er is ook sprake van een ‘raakpunt’, een punt van overeenkomst (tertium comparationis), dus hetgeen afgebeelde en beeld gemeen hebben.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
9
Seneca epistula 116, C (p.165) rr. 1 - 6
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
10
Seneca epistula 116, C (p.165) rr. 7 - 14
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
11
Seneca epistula 116, C (p.165) rr. 14 - 19
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
12
Seneca epistula 116, D (p.166) rr. 1- 4
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
13
Seneca epistula 116, D (p.166) rr. 5- 11
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
14
Seneca epistula 116, D (p.166) rr. 11- 16
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
15
Seneca epistula 47, A (p.150) rr. 1 - 6
Seneca Lucilio suo salutem
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
16
Seneca epistula 47, B (p.151) rr. 1 - 7
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
17
Seneca epistula 47, B (p.151) rr. 7 - 12
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
18
Seneca epistula 47, B (p.151) rr. 13 – 18
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
19
Seneca epistula 47, C (p.152) rr. 1 - 7
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
20
Seneca epistula 47, C (p.152) rr. 8 - 12
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
21
Seneca epistula 47, D (p.152) rr. 1 - 6
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
22
Seneca epistula 47, D (p.152) rr. 7 - 13
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
23
Seneca epistula 47, D (p.152) rr. 14 - 16
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
24
Seneca epistula 47, E (p.154) rr. 1 - 8
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
25
Seneca epistula 47, E (p.154) rr. 9 - 17
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
26
Seneca epistula 47, F (p.155) rr. 1 - 5
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
27
Seneca epistula 47, F (p.155) rr. 5 - 11
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
28
Seneca epistula 47, G (p.155) rr. 1 – 6 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
29
Seneca epistula 47, G (p.155) rr. 7 – 14 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
30
Seneca epistula 47, H (p.156) rr. 1 – 6 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
31
Seneca epistula 47, H (p.156) rr. 6 – 11 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
32
Seneca epistula 47, H (p.156) rr. 12 – 17 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
33
Seneca epistula 47, I (p.156) rr. 1 – 7 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
34
Seneca epistula 47, I (p.156) rr. 7 – 13 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
35
Seneca epistula 47, I (p.156) rr. 13 – 17 (voorvertaald)
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
36
Seneca epistula 47, J (p.157) rr. 1 – 6
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
37
Seneca epistula 47, J (p.157) rr. 7 – 13
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
38
Seneca epistula 47, J (p.157) rr. 13 – 16
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
39
Seneca epistula 116, C (p.165) rr. 1 - 6
'Aliquatenus' inquis 'dolere, aliquatenus timere permitte.’ Sed illud 'aliquatenus' longe producitur nec, ubi vis, accipit finem. Sapienti non sollicite custodire se tutum est, et lacrimas suas et voluptates, ubi volet, sistet: nobis, quia non est regredi facile, optimum est omnino non progredi.
‘Sta toe in zekere mate,’ zeg jij, ‘bedroefd te zijn, in zekere mate bang te zijn.’ Maar dat ‘in zekere mate’ breidt zich ver uit en eindigt niet waar jij wil. Voor een wijze is het ongevaarlijk onbekommerd over zichzelf te waken en hij zal zijn tranen en genietingen, waar hij zal willen, tegenhouden: voor óns is het, omdat het niet gemakkelijk is terug te gaan, het beste om helemaal niet voort te gaan.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
40
Seneca epistula 116, C (p.165) rr. 7 - 14
Eleganter mihi videtur Panaetius respondisse adulescentulo cuidam quaerenti, an sapiens amaturus esset. 'De sapiente' inquit 'videbimus: mihi et tibi, qui adhuc a sapiente longe absumus, non est committendum, ut incidamus in rem commotam, inpotentem, alteri emancipatam, vilem sibi. Sive enim nos respicit, humanitate eius inretimur, sive contempsit, superbia accendimur.
Panaetius schijnt mij toe fijnzinnig aan een zekere jongeman geantwoord te hebben die (hem) vroeg of het zal gebeuren dat een wijze verliefd wordt. ‘Over de wijze’, zei hij,’ zullen we later zien: ik en jij, die nog ver van een wijze verwijderd zijn, moeten het er niet op laten aan-komen dat wij terechtkomen in een emotionele, onbeheersbare situatie/staat waarin men geheel aan een ander is overgeleverd, waarin men in zijn eigen ogen verachtelijk is. Want als hij/zij zich om ons bekommert, raken wij verstrikt in zijn/haar vriendelijkheid, als hij/zij ons afgewezen heeft, worden wij door trots aangestoken.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
41
Seneca epistula 116, C (p.165) rr. 14 - 19
Aeque facilitas amoris quam difficultas nocet: facilitate capimur, cum difficultate certamus. Itaque conscii nobis
inbecillitatis nostrae quiescamus: nec vino infirmum animum committamus nec formae nec adulationi nec ullis rebus blande trahentibus.’
Evenzeer doet de toegevendheid van de liefde kwaad als de onhandelbaarheid: door toegevendheid worden wij verleid, wij binden de strijd aan met de onhandelbaarheid / wanneer liefde onhandelbaar is. Laten we daarom, ons bewust van onze zwakheid, ons rustig houden: laten wij noch onze zwakke geest blootstellen aan wijn, noch aan schoonheid, noch aan vleierij, noch aan enige (andere) zaken die ons verleidelijk meeslepen.’
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
42
Seneca epistula 116, D (p.166) rr. 1- 4
Quod Panaetius de amore quaerenti respondit, hoc ego de omnibus adfectibus dico. Quantum possumus, nos a lubrico recedamus: in sicco quoque parum fortiter stamus.
Wat Panaetius antwoordde aan degene die over de liefde een vraag stelde, dit zeg ik over alle emoties. Laten wij zoveel als wij kunnen ons van het glibberige terugtrekken: ook op het droge staan wij weinig stevig.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
43
Seneca epistula 116, D (p.166) rr. 5- 11
Occurres hoc loco mihi illa publica contra Stoicos voce: ‘Nimis magna promittitis, nimis dura praecipitis. Nos homunciones sumus; omnia nobis negare non possumus. Dolebimus, sed parum; concupiscemus, sed temperate; irascemur, sed placabimur.’ Scis, quare non possimus ista? Quia nos posse non credimus.
Op deze plaats zul jij mij confronteren met die algemene uitspraak tegen de stoïcijnen: ‘Jullie beloven al te grote dingen, jullie schrijven al te lastige dingen voor. Wij zijn zwakke mensen; wij kunnen ons niet alles ontzeggen. Wij zullen bedroefd zijn, maar weinig; wij zullen begeren, maar gematigd; wij zullen boos zijn, maar we zullen ons verzoenen.’ Weet jij, waarom wij die dingen niet kunnen? Omdat wij niet geloven dat wij ze kunnen.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
44
Seneca epistula 116, D (p.166) rr. 11- 16
Immo mehercules aliud est in re: vitia nostra quia amamus, defendimus et malumus excusare illa quam excutere. Satis natura homini dedit roboris, si illo utamur, si vires nostras colligamus ac totas pro nobis, certe non contra nos concitemus. Nolle in causa est, non posse praetenditur. Vale.
Sterker nog, bij Hercules, het ligt anders: omdat wij van onze fouten houden, verdedigen wij ze en willen wij ze liever verontschuldigen dan verdrijven. De natuur heeft aan de mens genoeg kracht gegeven, als wij slechts die zouden gebruiken, als wij slechts onze krachten zouden verzamelen en deze geheel en al voor ons, zeker niet tegen ons zouden mobiliseren. Niet willen is de oorzaak, niet kunnen wordt voorgewend. Gegroet.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
45
Seneca epistula 47, A (p.150) rr. 1 - 6
Seneca Lucilio suo salutem�Libenter ex iis, qui a te veniunt, cognovi familiariter te cum servis tuis vivere. Hoc prudentiam tuam, hoc
eruditionem decet. 'Servi sunt.' Immo homines. 'Servi sunt.' Immo contubernales. 'Servi sunt.' Immo humiles
amici. 'Servi sunt.' Immo conservi, si cogitaveris tantundem in utrosque licere fortunae.
Seneca groet zijn Lucilius
Tot mijn genoegen vernam ik van hen die van jou af komen dat jij op huiselijke wijze met jouw slaven leeft: dit past jouw inzicht, dit (past jouw) ontwikkeling. “Het zijn slaven.” Ja zelfs mensen. “Het zijn slaven.” Ja zelfs huisgenoten. “Het zijn slaven.” Ja zelfs vrienden van eenvoudige komaf. “Het zijn slaven.” Ja zelfs medeslaven, als je bedacht zult hebben dat het lot ten opzichte van beide evenveel geoorloofd is.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
46
Seneca epistula 47, B (p.151) rr. 1 - 7
Itaque rideo istos, qui turpe existimant cum servo suo cenare: quare, nisi quia superbissima consuetudo cenanti domino stantium servorum turbam circumdedit? Est ille plus quam capit, et ingenti aviditate onerat distentum ventrem ac desuetum iam ventris officio, ut maiore opera omnia egerat quam ingessit: ...
Daarom lach ik om die figuren die het beschouwen als schandelijk samen met hun slaaf te dineren: waarom anders dan omdat een zeer arrogante gewoonte een groep staande slaven gezet heeft rondom een dinerende meester? Die eet meer dan hij kan bevatten, en met een enorme gulzigheid laadt hij zijn maag vol, die gespannen is en de functie van maag al ontwend is, zodat hij met grotere moeite alles uitbraakt dan waarmee hij het erin heeft gepropt: ...
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
47
Seneca epistula 47, B (p.151) rr. 7 - 12
at infelicibus servis movere labra ne in hoc quidem, ut loquantur, licet. Virga murmur omne conpescitur, et ne fortuita quidem verberibus excepta sunt, tussis, sternumenta, singultus. Magno malo ulla voce interpellatum silentium luitur. Nocte tota ieiuni mutique perstant.
Maar de ongelukkige slaven is het zelfs niet hiervoor toegestaan hun lippen te bewegen, namelijk dat zij spreken/om te spreken; met een zweep wordt elk gemompel bedwongen, en zelfs toevalligheden zijn niet van zweepslagen uitgezonderd, een hoestbui, niesen, de hik; het met enig stemgeluid onderbreken van de stilte wordt met een zware straf bestraft; de hele nacht blijven zij zonder eten en zwijgend staan.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
48
Seneca epistula 47, B (p.151) rr. 13 – 18
Sic fit, ut isti de domino loquantur, quibus coram domino loqui non licet. At illi, quibus non tantum coram dominis, sed cum ipsis erat sermo, quorum os non consuebatur, parati erant pro domino porrigere cervicem, periculum inminens in caput suum avertere: in conviviis loquebantur, sed in tormentis tacebant.
Zo gebeurt het dat zij over hun meester spreken, aan wie het niet geoorloofd is in het bijzijn van hun meester te spreken. Maar zij die niet alleen een mogelijkheid tot een gesprek hadden in het bijzijn van hun meesters maar (ook) met hen zelf, van wie de mond niet dichtgenaaid werd, waren bereid voor hun meester hun nek uit te steken, een dreigend gevaar op hun eigen hoofd af te wentelen; bij maaltijden spraken zij, maar bij martelingen zwegen zij.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
49
Seneca epistula 47, C (p.152) rr. 1 - 7
Deinde eiusdem adrogantiae proverbium iactatur, totidem hostes esse quot servos. Non habemus illos hostes, sed facimus. Alia interim crudelia, inhumana praetereo, quod ne tamquam hominibus quidem, sed tamquam iumentis abutimur. Cum ad cenandum discubuimus, alius sputa deterget, alius reliquias temulentorum toro subditus colligit.
Vervolgens wordt een spreekwoord van/met dezelfde arrogantie herhaaldelijk naar voren gebracht, dat er evenveel vijanden zijn als slaven: we hébben hen niet als vijanden, dat máken we ze. Ondertussen ga ik voorbij aan andere wreedheden, onmenselijkheden, namelijk dat wij hen zelfs niet als mensen, maar als lastdieren misbruiken. Wanneer wij aan zijn gaan liggen om te dineren, veegt de een speekselresten af, verzamelt een ander, verborgen onder het bed van dronken mensen, de/hun resten.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
50
Seneca epistula 47, C (p.152) rr. 8 - 12
Alius pretiosas aves scindit: per pectus et clunes certis ductibus circumferens eruditam manum frusta excutit, infelix, qui huic uni rei vivit, ut altilia decenter secet, nisi quod miserior est, qui hoc voluptatis causa docet, quam qui necessitatis discit.
Weer een ander snijdt kostbaar gevogelte voor; terwijl hij met zekere halen zijn vaardige hand door borst en bouten voert, snijdt hij brokken af, de ongelukkige, die voor deze ene zaak leeft, namelijk dat hij gevogelte snijdt zoals het hoort, behalve dan dat hij ongelukkiger is die dit vanwege genoegen onderwijst dan hij die (dit) uit noodzaak leert.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
51
Seneca epistula 47, D (p.152) rr. 1 - 6
Alius vini minister in muliebrem modum ornatus cum aetate luctatur: non potest effugere pueritiam, retrahitur, iamque militari habitu glaber retritis pilis aut penitus evulsis tota nocte pervigilat, quam inter ebrietatem domini ac libidinem dividit, et in cubiculo vir, in convivio puer est.
Weer een ander die als wijnschenker op vrouwelijke wijze opgedoft is, worstelt met zijn leeftijd: hij kan niet ontsnappen aan zijn knapenleeftijd, hij wordt er naar terug getrokken, en hoewel hij reeds het uiterlijk van een soldaat heeft blijft hij, onbehaard doordat zijn haartjes afgeschuurd of er helemaal uitgetrokken zijn, de hele nacht wakker, die hij verdeelt tussen de dronkenschap en de wellust van zijn meester, en in de slaapkamer is hij een man, bij de maaltijd een slaaf/jongetje.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
52
Seneca epistula 47, D (p.152) rr. 7 - 13
Alius, cui convivarum censura permissa est, perstat infelix et exspectat, quos adulatio et intemperantia aut gulae aut linguae revocet in crastinum. Adice obsonatores, quibus dominici palati notitia subtilis est, qui sciunt, cuius illum rei sapor excitet, cuius delectet aspectus, cuius novitate nauseabundus erigi possit, quid iam ipsa satietate fastidiat, quid illo die esuriat.
Weer een ander, aan wie de beoordeling van gasten toevertrouwd is, staat voortdurend ongelukkig (te zijn) en hij let op wie de vleierij en de onbeheerstheid van ofwel keel ofwel tong weer oproept voor het diner de volgende dag. Voeg daar aan toe de inkopers die een nauwkeurige kennis hebben van de smaak van hun meester, die weten waarvan de smaak hem opwekt, waarvan de aanblik hem vermaakt, door de originaliteit waarvan hij als hij misselijk is opgekikkerd kan worden, waarvan hij nou juist door de verzadiging walgt, waar hij die dag zin in heeft.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
53
Seneca epistula 47, D (p.152) rr. 14 - 16
Cum his cenare non sustinet et maiestatis suae deminutionem putat ad eandem mensam cum servo suo accedere. Di melius! Quot ex istis dominos habet!
Met dezen te dineren houdt hij niet uit en hij beschouwt het een vermindering van zijn aanzien aan dezelfde tafel te gaan met zijn slaaf. Grote goden! Hoeveel van hen heeft hij als meesters!
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
54
Seneca epistula 47, E (p.154) rr. 1 - 8
Stare ante limen Callisti dominum suum vidi et eum, qui illi inpegerat titulum, qui inter reicula manicipia produxerat, aliis intrantibus excludi: rettulit illi gratiam servus ille in primam decuriam coniectus, in qua vocem praeco experitur: et ipse illum invicem apologavit, et ipse non iudicavit domo sua dignum. Dominus Callistum vendidit: sed domino quam multa Callistus!
Ik heb zijn eigen meester voor de drempel zien staan van Callistus en hoe/dat hij, die hem het bordje te koop omgehangen had, die hem te midden van de waardeloze slaven uitgestald had, terwijl anderen binnen traden, buitengesloten werd. Die slaaf, die in het eerste tiental gemikt was, waarop de veilingmeester zijn stem uit probeert, bedankte hem: en zelf wees hij hem op zijn beurt smadelijk af, en zelf oordeelde hij hem zijn eigen huis niet waardig. De meester verkocht Callistus: maar hoeveel heeft Callistus aan zijn meester verkocht!
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
55
Seneca epistula 47, E (p.154) rr. 9 - 17
Vis tu cogitare istum, quem servum tuum vocas, ex isdem seminibus ortum eodem frui caelo, aeque spirare, aeque vivere, aeque mori! Tam tu illum videre ingenuum potes quam ille te servum. Variana clade multos splendidissime natos, senatorium per militiam auspicantes gradum, fortuna depressit: alium ex illis pastorem, alium custodem casae fecit. Contemne nunc eius fortunae hominem, in quam transire, dum contemnis, potes.
Wil jij wel eens bedenken dat diegene die jij jouw slaaf noemt, omdat hij uit dezelfde zaden ontstaan is, van dezelfde hemel/omgeving geniet, op gelijke wijze ademt, op gelijke wijze leeft, op gelijke wijze sterft! Jij kunt hem evengoed zien als vrijgeborene als hij jou (kan zien) als slaaf. Door de nederlaag van Varus heeft de Fortuin/het Lot velen van schitterende komaf, die via hun militaire dienst uitzicht hadden op een rang als senator, naar beneden gehaald: van hen maakte hij (de Fortuin) de één herder, de ander bewaker van een huisje. Heb maar minachting voor de persoon van/met zo’n lot/fortuin, waarin jij terecht kunt komen, terwijl je bezig bent hem te verachten.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
56
Seneca epistula 47, F (p.155) rr. 1 - 5
Nolo in ingentem me locum inmittere et de usu servorum disputare, in quos superbissimi, crudelissimi, contumeliosissimi sumus. Haec tamen praecepti mei summa est: sic cum inferiore vivas, quemadmodum tecum superiorem velis vivere.
Ik wil me niet begeven in een enorm onderwerp en een uiteenzetting geven over de behandeling van slaven, tegenover wie wij zeer hooghartig, zeer wreed, zeer krenkend zijn. Toch is dit van mijn les de kern: leef zo met een persoon van lagere afkomst, als je zou willen dat een persoon van hogere komaf met jou leeft.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
57
Seneca epistula 47, F (p.155) rr. 5 - 11
Quotiens in mentem venerit, quantum tibi in servum tuum liceat, veniat in mentem tantundem in te domino tuo licere. 'At ego' inquis 'nullum habeo dominum.' Bona aetas est: forsitan habebis. Nescis qua aetate Hecuba servire coeperit, qua Croesus, qua Darei mater, qua Platon, qua Diogenes?
Elke keer als het in je gedachten zal zijn opgekomen, hoeveel jou toegestaan is tegenover je slaaf, laat het dan ook in je gedachten opkomen dat jouw meester tegenover jou evenveel toegestaan is. “Maar ik heb geen meester,” zeg je. Je hebt de goede leeftijd: misschien zúl je er een hebben. Weet jij niet op welke leeftijd Hecuba begonnen is te dienen/slaaf te zijn, op welke (leeftijd) Croesus, op welke (leeftijd) de moeder van Dareius, op welke (leeftijd) Plato, op welke (leeftijd) Diogenes?
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
58
Seneca epistula 47, G (p.155) rr. 1 – 6 (voorvertaald)
Vive cum servo clementer, comiter quoque, et in sermonem illum admitte et in consilium et in convictum. Hoc loco acclamabit mihi tota manus delicatorum: ‘Nihil hac re humilius, nihil turpius’. Hos ego eosdem deprehendam alienorum servorum osculantes manum.
Leef zachtmoedig met je slaaf, vriendelijk ook, en betrek hem in je gesprek en in je beleid en in je dagelijkse omgang. Op dit punt zal mij de hele kliek van decadente lieden toeschreeuwen: “niets is vernederender, niets (is) schandelijker dan dit.” Deze zelfden zal ík betrappen wanneer/terwijl zij de hand van andermans slaven kussen.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
59
Seneca epistula 47, G (p.155) rr. 7 – 14 (voorvertaald)
Ne illud quidem videtis, quam omnem invidiam maiores nostri dominis, omnem contumeliam servis detraxerint? Dominum ‘patrem familiae’ appellaverunt, servos, quod etiam in mimis adhuc durat, ‘familiares’. Instituerunt diem festum, non quo solo cum servis domini vescerentur, sed quo utique; honores illis in domo gerere, ius dicere permiserunt et domum pusillam rem publicam esse iudicaverunt.
Zien jullie zelfs dat niet, (namelijk) hoe onze voorouders de meesters hebben gevrijwaard voor elke/alle jaloezie, de slaven voor elke smaad? De meester noemden zij pater familias, de slaven, wat zelfs in kluchten nog altijd voortduurt, huisgenoten; ze stelden een feestdag in, niet met de bedoeling dat meesters alleen daar op samen met hun slaven dineerden, maar in elk geval daar op/op die dag; ze stonden hen toe binnenshuis ereambten te vervullen, recht te spreken en ze vonden dat het huis een staat in het klein/een ministaat was.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
60
Seneca epistula 47, H (p.156) rr. 1 – 6 (voorvertaald)
'Quid ergo? Omnes servos admovebo mensae meae?’ Non magis quam omnes liberos. Erras, si existimas me quosdam quasi sordidioris operae reiecturum, ut puta illum mulionem et illum bubulcum: non ministeriis illos aestimabo, sed moribus. Sibi quisque dat mores, ministeria casus adsignat.
“So what? Zal ik (dan) alle slaven aan mijn tafel toelaten?” Niet meer dan alle vrije (mensen). Je vergist je als je denkt dat ik bepaalde (mensen) als beoefenaars van een te verachtelijk soort werk zal afwijzen, zoals die muilezeldrijver en die ossendrijver. Die zal ik niet op hun taken beoordelen maar op hun instelling: ieder geeft zichzelf zijn instelling, het toeval wijst de taken toe.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
61
Seneca epistula 47, H (p.156) rr. 6 – 11 (voorvertaald)
Quidam cenent tecum, quia digni sunt, quidam, ut sint. Si quid enim in illis ex sordida conversatione servile est, honestiorum convictus excutiet. Non est, mi Lucili, quod amicum tantum in foro et in curia quaeras: si diligenter adtenderis, et domi invenies.
Laat sommigen samen met jou dineren omdat ze het waardig zijn, sommigen/anderen opdat/met de bedoeling dat ze dat zijn; want als er in hen door toedoen van hun omgang met mensen van een verachtelijk niveau iets slaafs is/zit, zal de omgang met fatsoenlijkeren / fatsoenlijkere / eerzamere mensen dat wel verdrijven. Er is geen reden, m’n (beste) Lucilius, dat je een vriend alleen op het forum en in de curia zoekt: als je zorgvuldig gezocht zult hebben, zul je hem ook thuis vinden.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
62
Seneca epistula 47, H (p.156) rr. 12 – 17 (voorvertaald)
Saepe bona materia cessat sine artifice: tempta, et experire. Quemadmodum stultus est, qui equum empturus non ipsum inspicit sed stratum eius ac frenos, sic stultissimus est, qui hominem aut ex veste aut ex condicione, quae vestis modo nobis circumdata est, aestimat.
Vaak blijft goed materiaal ongebruikt zonder bewerker: probeer het en ondervind het. Zoals hij dom is, die, wanneer hij van plan is een paard te kopen, het niet zelf inspecteert maar het dekkleed en de teugels ervan, zo is hij (wel) heel erg dom, die een mens ofwel op zijn kleding ofwel op zijn sociale positie, die ons bij wijze van kleding omgeven/omgehangen is, beoordeelt.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
63
Seneca epistula 47, I (p.156) rr. 1 – 7 (voorvertaald)
'Servus est.' Sed fortasse liber animo. 'Servus est.' Hoc illi nocebit? Ostende, quis non sit: alius libidini servit, alius avaritiae, alius ambitioni, omnes spei, omnes timori. Dabo consularem aniculae servientem, dabo ancillulae divitem, ostendam nobilissimos iuvenes mancipia pantomimorum: nulla servitus turpior est quam voluntaria.
“Hij is een slaaf.” Maar misschien vrij van geest. “Hij is een slaaf.” Zal dit hem schaden? Laat maar zien wie het niet is: de een is slaaf van wellust, de ander van hebzucht, weer een ander van eerzucht, allen van hoop, allen van angst. Ik zal als voorbeeld een oud-consul geven die slaaf is van een oud vrouwtje, ik zal als voorbeeld een rijkaard geven (die slaaf is) van een slavinnetje, ik zal jongemannen van zeer edele komaf laten zien als slaven van balletdansers: geen slavernij is schandelijker dan een vrijwillige.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
64
Seneca epistula 47, I (p.156) rr. 7 – 13 (voorvertaald)
Quare non est quod fastidiosi isti te deterreant, quominus servis tuis hilarem te praestes et non superbe superiorem: colant potius te quam timeant. Dicet aliquis nunc me vocare ad pilleum servos et dominos de fastigio suo deicere, quod dixi, 'colant potius dominum quam timeant’.
Daarom is er geen reden waarom die kieskeurige figuren jou ervan zouden weerhouden om je joviaal te betonen ten opzichte van je slaven en niet op een hooghartige wijze superieur/boven hen verheven: laten ze je liever/eerder respecteren dan vrezen. Iemand zal zeggen dat ik nu de slaven oproep tot de vrijheidstrijd en dat ik de meesters van hun voetstuk af gooi, omdat ik heb gezegd, “laten ze een/de meester liever respecteren dan vrezen”.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
65
Seneca epistula 47, I (p.156) rr. 13 – 17 (voorvertaald)
'Ita' inquit 'prorsus? Colant tamquam clientes, tamquam salutatores?’ Hoc qui dixerit, obliviscetur id dominis parum non esse, quod deo sat est. Qui colitur, et amatur: non potest amor cum timore misceri.
“Meen je dat werkelijk?” zegt iemand wellicht, “moeten ze hem als/bij wijze van clientes, als/bij wijze van ochtendgroetbrengers respecteren/respect tonen?” Wie die gezegd zal hebben, zal vergeten dat dát voor meesters niet te weinig is wat voor een/de god voldoende is. Wie gerespecteerd wordt, wordt ook bemind: liefde kan niet vermengd worden/verwisseld worden met angst/samen gaan met angst.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
66
Seneca epistula 47, J (p.157) rr. 1 – 6
Rectissime ergo facere te iudico, quod timeri a servis tuis non vis, quod verborum castigatione uteris: verberibus muta admonentur. Non, quicquid nos offendit, et laedit. Sed ad rabiem cogunt pervenire deliciae, ut quicquid non ex voluntate respondit, iram evocet.
Daarom ben ik van mening dat jij volkomen juist handelt wat betreft het feit dat je niet door je slaven gevreesd wilt worden, dat je een bestraffing van woorden gebruikt: met zweepslagen worden stomme voorwerpen/dieren aangespoord. Niet al wat ons raakt kwetst (ons) ook; maar verwendheid dwingt (ons) te geraken tot waanzin/ in razernij te vervallen, zodat al wat niet beantwoord heeft aan de/onze wil de/onze woede oproept.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
67
Seneca epistula 47, J (p.157) rr. 7 – 13
Regum nobis induimus animos. Nam illi quoque obliti et suarum virium et inbecillitatis alienae sic excandescunt, sic saeviunt, quasi iniuriam acceperint, a cuius rei periculo illos fortunae suae magnitudo tutissimos praestat. Nec hoc ignorant, sed occasionem nocendi captant querendo; acceperunt iniuriam, ut facerent.
Wij meten ons de instelling van koningen aan; want ook die worden, omdat ze én hun eigen machtspositie én de zwakheid van een ander vergeten zijn, zo witheet van woede, ze gaan zo tekeer, alsof ze onrecht aangedaan gekregen hebben, een risico waartegen de omvang van hun fortuin hen uitermate beveiligt/ hen volkomen immuun maakt. En ze weten dit uitstekend, maar ze grijpen (toch) de gelegenheid aan om schade te berokkenen door (opzichtig) te klagen; ze hebben (naar hun idee) onrecht aangedaan gekregen met de bedoeling het (onrecht) te doen.
M. de Hoon – JDW – 2022 – Seneca
68
Seneca epistula 47, J (p.157) rr. 13 – 16
Diutius te morari nolo; non est enim tibi exhortatione opus. Hoc habent inter cetera boni mores: placent sibi, permanent. Levis est malitia, saepe mutatur, non in melius, sed in aliud. Vale.
Ik wil je niet langer ophouden; want jij hebt geen aansporing nodig. Het volgende / dit heeft goed gedrag / een goede instelling onder andere: hij is tevreden met zichzelf, hij blijft onveranderd. Grillig is slechtheid, hij verandert vaak, niet in (iets) beters maar in (iets) anders. Gegroet.