1 of 297

CE 2019

1

Examen Latijn 2019: Publius Ovidius Naso

Publius Ovidius Naso

Examen Latijn 2019*

  • Disclaimer. Met dit PowerPoint document wil ik de examenkandidaten Latijn extra ondersteuning geven. De teksten en de vertaling van die teksten zijn in overeenstemming met het Word document (het beruchte examendocument, elders op www.superlatijn.nl). De gescandeerde verzen zijn hopelijk foutloos, maar waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt. Meld mij eventuele onvolkomenheden (m.dehoon@jdw.nl).
  • Aan de inhoud van dit examendocument kunnen vanwege bovenstaande geen rechten ontleend worden.

2 of 297

CE 2019

2

Ovidius

  • Metamorfoses: Daphne en Apollo (hoofdstuk 3)*

Actaeon (hoofdstuk 4)

Philemon en Baucis (hoofdstuk 7)

  • Heroides: Paris’ brief aan Helena (hoofdstuk 9)

Helena’s brief aan Paris (hoofdstuk 10)

  • Tristia: Ovidius’ leven (hoofdstuk 11)

Examen Latijn 2019: Publius Ovidius Naso

* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel

3 of 297

CE 2019

3

Examen Latijn 2019: Publius Ovidius Naso

* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel

  • Lees de syllabus aandachtig door: die geeft je een uitstekend overzicht van wat je moet kennen en kunnen: pp. 210 – 214.
  • Word wegwijs in je boek.
    • Hoofdstuk 14 (pp.169 – 172) gaat over het metrum. Daar ben je veel mee bezig, puur om routine te krijgen. Blijf oefenen.
    • In hoofdstuk 15 (pp.173 – 179, roze kleurtjes) vind je alle stijlmiddelen, verteltechnische middelen en redeneerbegrippen.
    • In hoofdstuk 16 (pp.180 – 188, saaie grijze kleurtjes) vind je de meeste grammaticale items uitgelegd, aan de hand van Latijnse zinnen.
    • In hoofdstuk 17 (pp. 189 – 199, lichtblauwe kleurtjes) vind je de vorig jaar geleerde basiswoorden. Vanaf p. 217 vind je een alfabetische woordenlijst. Handig voor het zelfstandig vertalen. Thuis / in de les.

4 of 297

CE 2019

4

Examen Latijn 2019: Publius Ovidius Naso

* Indeling hoofdstukken gebaseerd op de Eismabundel

  • Lees op het juiste moment de Nederlandse tekst van de theoretische hoofdstukken door (hoofdstuk 1, 2, 13) met aan het eind steeds die aandachtspunten in de grijze blokken.
  • Lees op het juiste moment de voorvertaalde teksten (in diverse hoofdstukken) door. Dat mag redelijk oppervlakkig.
  • Lees altijd de inleidende Nederlandse tekst bij een verhaal goed door.
  • Na de Latijnse teksten staan begripsvragen. Daar komen we in de les niet aan toe. Ook na voorvertaalde passages staan vragen. Ook daar komen we niet aan toe.
  • Komen we dan eigenlijk helemaal ergens aan toe? Ja. Er is – op het juiste moment – altijd www.superlatijn.nl. Daar vind je uiteindelijk alle vertalingen met daarbij nuttige aantekeningen in voetnoten. Goede ogen en een beperkt gevoel voor humor volstaan daar.

5 of 297

CE 2019

5

Examen Latijn 2019: Publius Ovidius Naso

Superlatijn? Was da?

Da’s ditte…

6 of 297

CE 2019

6

7 of 297

Adam Elsheimer

8 of 297

CE 2019

8

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Aantekeningen maken doe je zo:

Vertaling van de tekst met een grote regelafstand,

zodat je veel aantekeningen kunt maken bij een

versregel. Er zijn vaak veel aantekeningen te maken en

als je te weinig ruimte neemt kun je niet alle

aantekeningen maken. Dat zou een beetje jammer zijn,

want dan ben je toch minder goed voorbereid op de twee zware toetsen die nog gaan komen. Je weet wel,

die met weging 4 en waar je ook bij moet vertalen. Maar ja, je mag er dan ook twee uren aan werken.

Lesuren, geen klokuren.

vertaling: zelfstandig naamwoord

grote: bijvoeglijk naamwoord

jammer: sneu, triest, synoniem

twee: telwoord, geen hyperbool

4: kanone, dat was niet afgesproken!

lesuren ≠ klokuren

9 of 297

CE 2019

9

S

Als je deze rechts boven in de hoek ziet staan ga je de tekst op de dia eerst SCANDEREN! De letterspatiëring is op dat soort dia’s aangepast. Tekst goed overnemen en aan de slag. De dactylische hexameter in de Metamorfoses mag geen geheimen meer voor je hebben. En het elegisch distichon (Heroides en Tristia) bevat in ieder geval één dactylische hexameter. En die pentameter? Dat is geen echte pentameter, maar een ingekorte versie. Dus die is ook wel te doen. En de oplossing staat steeds … op de volgende dia!

S

Examen Latijn 2019: scanderen

S

10 of 297

CE 2019

10

Examen Latijn 2019: scanderen

Basisschema dactylische hexameter (alleen epos, dus alleen Metamorphoses!):

Basisschema elegisch distichon(Tristia + Heroides):

Eerst een dactylische hexameter, daarna een dactylische (nep)pentameter (2 x 2½ hexameter).

|

|

|

|

|

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

1

2

3

4

5

6

|

|

|

|

|

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

1

2

3

4

5

6

|

|

U

U

U

U

U

U

U

U

|

|

|

|

Twee U te vervangen door één —

Twee U te vervangen door één —

Twee U te vervangen door één —, maar niet in de tweede halve hexameter!

11 of 297

CE 2019

11

Examen Latijn 2019: scanderen

Basisschema dactylische hexameter:

|

|

|

|

|

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

1

2

3

4

5

6

Even iets over de laatste lettergreep van het vers, dus de tweede lettergreep van de zesde voet.

Op het examen mag je de laatste lettergreep altijd als (lang) noteren. Maar soms is die lettergreep echt (kort)! Denk aan een ABL SG van een substantivum van de 3e declinatie (regĕ, patrĕ, orĕ) of de NOM SG van de a-declinatie (sagittă), of aan de slot-e van een INF (manerĕ). De afspraak is dat je dat niet hoeft te weten. Mooi als je het wél weet natuurlijk, maar altijd een noteren is toegestaan.

Bij de scansie van de voorgedane verzen is er een neergezet, maar in rood ( ). Dan zie je meteen dat daar een breve hoort en geen makron.

U

U

U

nummering voeten is niet verplicht!

12 of 297

CE 2019

12

Apollo en Daphne

Metamorfoses

3

John William Waterhouse

sculptuur Massimiliano

Princeton Museum

CheshireCatSmile37

13 of 297

CE 2019

13

Primus amor Phoebi erat Daphne Peneia, quem non

fors ignara dedit, sed saeva Cupidinis ira.

Delius hunc, nuper victo serpente superbus,

455 viderat adducto flectentem cornua nervo

‘Quid’ que ‘tibi, lascive puer, cum fortibus armis?’

dixerat; ‘ista decent umeros gestamina nostros,

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

14 of 297

CE 2019

14

qui dare certa ferae, dare vulnera possumus hosti,

qui modo pestifero tot iugera ventre prementem

460 stravimus innumeris tumidum Pythona sagittis.

Tu face nescioquos esto contentus amores

inritare tua, nec laudes adsere nostras.’

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

15 of 297

CE 2019

15

Filius huic Veneris ‘Figat tuus omnia, Phoebe,

te meus arcus’ ait, ‘quantoque animalia cedunt

465 cuncta deo, tanto minor est tua gloria nostra.’

Dixit et eliso percussis aere pennis

impiger umbrosa Parnasi constitit arce,

eque sagittifera prompsit duo tela pharetra

diversorum operum; fugat hoc, facit illud amorem.

3 b. De reactie van Cupido (p.28)

16 of 297

CE 2019

16

470 (Quod facit, auratum est et cuspide fulget acuta;

quod fugat, obtusum est et habet sub harundine plumbum.)

Hoc deus in nympha Peneide fixit, at illo

laesit Apollineas traiecta per ossa medullas.

S

3 b. De reactie van Cupido (p.28)

17 of 297

CE 2019

17

470 (Quod facit, auratum est et cuspide fulget acuta;

quod fugat, obtusum est et habet sub harundine plumbum.)

Hoc deus in nympha Peneide fixit, at illo

laesit Apollineas traiecta per ossa medullas.

S

3 b. De reactie van Cupido (p.28)

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

U

U

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

U

U

U

͞

18 of 297

CE 2019

18

Protinus alter amat, fugit altera nomen amantis,

475 silvarum latebris captivarumque ferarum

exuviis gaudens innuptaeque aemula Phoebes.

[Vitta coercebat positos sine lege capillos.]

Multi illam petiere, illa aversata petentes

impatiens expersque viri nemora avia lustrat,

480 nec, quid Hymen, quid amor, quid sint conubia, curat.

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

19 of 297

CE 2019

19

Saepe pater dixit ‘Generum mihi, filia, debes’;

saepe pater dixitDebes mihi, nata, nepotes.’

Illa velut crimen taedas exosa iugales

pulchra verecundo suffunditur ora rubore,

485 inque patris blandis haerens cervice lacertis

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

20 of 297

CE 2019

20

Da mihi perpetua, genitor carissime,’ dixit

‘virginitate frui; dedit hoc pater ante Dianae.’

Ille quidem obsequitur, sed te decor iste, quod optas,

esse vetat, votoque tuo tua forma repugnat.

S

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

21 of 297

CE 2019

21

Da mihi perpetua, genitor carissime,’ dixit

‘virginitate frui; dedit hoc pater ante Dianae.’

Ille quidem obsequitur, sed te decor iste, quod optas,

esse vetat, votoque tuo tua forma repugnat.

S

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

͞

U

U

U

U

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

U

U

U

U

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

U

22 of 297

CE 2019

22

490 Phoebus amat visaeque cupit conubia Daphnes,

quodque cupit, sperat, suaque illum oracula fallunt.

Utque leves stipulae demptis adolentur aristis,

ut facibus saepes ardent, quas forte viator

vel nimis admovit vel iam sub luce reliquit,

495 sic deus in flammas abiit, sic pectore toto

uritur et sterilem sperando nutrit amorem.

3 d. De hartstocht van Apollo (p.32)

23 of 297

CE 2019

23

Spectat inornatos collo pendere capillos,

et ‘Quid, si comantur?’ ait; videt igne micantes

sideribus similes oculos; videt oscula, quae non

500 est vidisse satis; laudat digitosque manusque

bracchiaque et nudos media plus parte lacertos;

si qua latent, meliora putat. Fugit ocior aura

illa levi neque ad haec revocantis verba resistit:

3 d. De hartstocht van Apollo (p.32)

24 of 297

CE 2019

24

‘Nympha, precor, Penei, mane! Non insequor hostis;

505 nympha, mane! Sic agna lupum, sic cerva leonem,

sic aquilam penna fugiunt trepidante columbae,

hostes quaeque suos; amor est mihi causa sequendi.

S

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

25 of 297

CE 2019

25

‘Nympha, precor, Penei, mane! Non insequor hostis;

505 nympha, mane! Sic agna lupum, sic cerva leonem,

sic aquilam penna fugiunt trepidante columbae,

hostes quaeque suos; amor est mihi causa sequendi.

S

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

26 of 297

CE 2019

26

Me miserum, ne prona cadas indignave laedi

crura notent sentes, et sim tibi causa doloris!

510 Aspera, qua properas, loca sunt. Moderatius, oro,

curre fugamque inhibe; moderatius insequar ipse.

S

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

27 of 297

CE 2019

27

Me miserum, ne prona cadas indignave laedi

crura notent sentes, et sim tibi causa doloris!

510 Aspera, qua properas, loca sunt. Moderatius, oro,

curre fugamque inhibe; moderatius insequar ipse.

S

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

U

28 of 297

CE 2019

28

Cui placeas, inquire tamen; non incola montis,

non ego sum pastor, non hic armenta gregesque

horridus observo. Nescis, temeraria, nescis

515 quem fugias, ideoque fugis. Mihi Delphica tellus

et Claros et Tenedos Pataraeaque regia servit;

Iuppiter est genitor; per me, quod eritque fuitque

estque, patet; per me concordant carmina nervis.

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

29 of 297

CE 2019

29

Certa quidem nostra est, nostra tamen una sagitta

520 certior est, in vacuo quae vulnera pectore fecit.

Inventum medicina meum est, opiferque per orbem

dicor, et herbarum subiecta est potentia nobis.

Ei mihi, quod nullis amor est sanabilis herbis,

nec prosunt domino, quae prosunt omnibus, artes!’

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

30 of 297

CE 2019

30

525 Plura locuturum eum timido Peneia cursu

fugit cumque ipso verba imperfecta reliquit,

tum quoque visa decens. Nudabant corpora venti,

obviaque adversas vibrabant flamina vestes,

et levis impulsos retro dabat aura capillos;

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

31 of 297

CE 2019

31

530 aucta fuga forma est. Sed enim non sustinet ultra

perdere blanditias iuvenis deus, utque monebat

ipse Amor, admisso sequitur vestigia passu.

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

32 of 297

CE 2019

32

Ut canis in vacuo leporem cum Gallicus arvo

vidit, et hic praedam pedibus petit, ille salutem,

535 alter inhaesuro similis iam iamque tenere

sperat et extento stringit vestigia rostro,

alter in ambiguo est, an sit comprensus, et ipsis

morsibus eripitur tangentiaque ora relinquit;

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

Homerische vergelijking

afgebeelde

tertium comparationis

beeld

33 of 297

CE 2019

33

sic deus et virgo est, hic spe celer, illa timore.

540 Qui tamen insequitur, pennis adiutus Amoris

ocior est requiemque negat tergoque fugacis

imminet et crinem sparsum cervicibus adflat.

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

34 of 297

CE 2019

34

Viribus absumptis expalluit illa citaeque

[victa labore fugae ‘Tellus’ ait, ‘hisce, vel istam,

545 quae facit ut laedar, mutando perde figuram.’]

544a victa labore fugae, spectans Peneidas undas,

546Fer, pater’ inquit ‘opem, si flumina numen habetis;

qua nimium placui, mutando perde figuram.’

3 g. Daphne vraagt om hulp (p.40)

35 of 297

CE 2019

35

Vix prece finita torpor gravis occupat artus;

mollia cinguntur tenui praecordia libro;

550 in frondem crines, in ramos bracchia crescunt;

pes modo tam velox pigris radicibus haeret;

ora cacumen habet; remanet nitor unus in illa.

3 g. Daphne vraagt om hulp (p.40)

36 of 297

CE 2019

36

Hanc quoque Phoebus amat, positaque in stipite dextra

sentit adhuc trepidare novo sub cortice pectus,

555 complexusque suis ramos, ut membra, lacertis

oscula dat ligno; refugit tamen oscula lignum.

Cui deus ‘At quoniam coniunx mea non potes esse,

arbor eris certe’ dixit ‘mea; semper habebunt

te coma, te citharae, te nostrae, laure, pharetrae.

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

37 of 297

CE 2019

37

560 Tu ducibus Latiis aderis, cum laeta Triumphum

vox canet et visent longas Capitolia pompas;

postibus Augustis eadem fidissima custos

ante fores stabis mediamque tuebere quercum.

S

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

38 of 297

CE 2019

38

560 Tu ducibus Latiis aderis, cum laeta Triumphum

vox canet et visent longas Capitolia pompas;

postibus Augustis eadem fidissima custos

ante fores stabis mediamque tuebere quercum.

S

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

39 of 297

CE 2019

39

Utque meum intonsis caput est iuvenale capillis,

565 tu quoque perpetuos semper gere frondis honores.’

Finierat Paean; factis modo laurea ramis

adnuit utque caput visa est agitasse cacumen.

S

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

40 of 297

CE 2019

40

Utque meum intonsis caput est iuvenale capillis,

565 tu quoque perpetuos semper gere frondis honores.’

Finierat Paean; factis modo laurea ramis

adnuit utque caput visa est agitasse cacumen.

S

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

41 of 297

CE 2019

41

Actaeon

Metamorfoses

4

Giuseppe Cesari

Sara Eliza Johnson

Terrifel

42 of 297

CE 2019

42

Iam stabant Thebae, poteras iam, Cadme, videri

exilio felix. Soceri tibi Marsque Venusque

contigerant; huc adde genus de coniuge tanta,

tot natas natosque et, pignora cara, nepotes,

135 hos quoque iam iuvenes. Sed scilicet ultima semper

exspectanda est dies hominis, dicique beatus

ante obitum nemo supremaque funera debet.

4 a. Cadmus is heerser van Thebe; Actaeon is een van zijn kleinzonen (p.48)

43 of 297

CE 2019

43

Prima nepos inter tot res tibi, Cadme, secundas

causa fuit luctus, alienaque cornua fronti

140 addita, vosque, canes, satiatae sanguine erili.

At bene si quaeras, Fortunae crimen in illo,

non scelus invenies; quod enim scelus error habebat?

4 a. Cadmus is heerser van Thebe; Actaeon is een van zijn kleinzonen (p.48)

44 of 297

CE 2019

44

Mons erat infectus variarum caede ferarum,

iamque dies medius rerum contraxerat umbras

145 et sol ex aequo meta distabat utraque,

cum iuvenis placido per devia lustra vagantes

participes operum compellat Hyantius ore:

4 b. Actaeon onderbreekt de jacht (p.50)

45 of 297

CE 2019

45

‘Lina madent, comites, ferrumque cruore ferarum,

fortunamque dies habuit satis. Altera lucem

150 cum croceis invecta rotis Aurora reducet,

propositum repetemus opus; nunc Phoebus utraque

distat idem meta finditque vaporibus arva.

Sistite opus praesens nodosaque tollite lina.’

Iussa viri faciunt intermittuntque laborem.

4 b. Actaeon onderbreekt de jacht (p.50)

46 of 297

CE 2019

46

155 Vallis erat piceis et acuta densa cupressu,

nomine Gargaphie, succinctae sacra Dianae,

cuius in extremo est antrum nemorale recessu

arte laboratum nulla; simulaverat artem

ingenio natura suo, nam pumice vivo

160 et levibus tofis nativum duxerat arcum.

4 c. Diana rust uit van de jacht (p.52)

47 of 297

CE 2019

47

Fons sonat a dextra tenui perlucidus unda,

margine gramineo patulos incinctus hiatus;

hic dea silvarum venatu fessa solebat

virgineos artus liquido perfundere rore.

165 Quo postquam subiit, nympharum tradidit uni

armigerae iaculum pharetramque arcusque retentos;

4 c. Diana rust uit van de jacht (p.52)

48 of 297

CE 2019

48

altera depositae subiecit bracchia pallae;

vincla duae pedibus demunt; nam doctior illis

Ismenis Crocale sparsos per colla capillos

170 colligit in nodum, quamvis erat ipsa solutis.

Excipiunt laticem Nepheleque Hyaleque Rhanisque

et Psecas et Phiale funduntque capacibus urnis.

4 c. Diana rust uit van de jacht (p.52)

49 of 297

CE 2019

49

Dumque ibi perluitur solita Titania lympha,

ecce nepos Cadmi dilata parte laborum

175 per nemus ignotum non certis passibus errans

pervenit in lucum; sic illum fata ferebant.

S

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

50 of 297

CE 2019

50

Dumque ibi perluitur solita Titania lympha,

ecce nepos Cadmi dilata parte laborum

175 per nemus ignotum non certis passibus errans

pervenit in lucum; sic illum fata ferebant.

S

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

51 of 297

CE 2019

51

Qui simul intravit rorantia fontibus antra,

sicut erant nudae, viso sua pectora nymphae

percussere viro subitisque ululatibus omne

180 implevere nemus circumfusaeque Dianam

corporibus texere suis; tamen altior illis

ipsa dea est colloque tenus supereminet omnes.

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

52 of 297

CE 2019

52

Qui color infectis adversi solis ab ictu

nubibus esse solet aut purpureae Aurorae,

185 is fuit in vultu visae sine veste Dianae.

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

53 of 297

CE 2019

53

Quae quamquam comitum turba est stipata suarum,

in latus obliquum tamen adstitit oraque retro

flexit et, ut vellet promptas habuisse sagittas,

quas habuit sic hausit aquas vultumque virilem

190 perfudit spargensque comas ultricibus undis

addidit haec cladis praenuntia verba futurae:

4 e. De metamorfose (p.56)

54 of 297

CE 2019

54

‘Nunc tibi me posito visam esse velamine narres,

si poteris narrare, licet.’ Nec plura minata

dat sparso capiti vivacis cornua cervi,

195 dat spatium collo summasque cacuminat aures

cum pedibusque manus, cum longis bracchia mutat

cruribus et velat maculoso vellere corpus;

4 e. De metamorfose (p.56)

55 of 297

CE 2019

55

additus et pavor est. Fugit Autonoeius heros

et se tam celerem cursu miratur in ipso.

4 e. De metamorfose (p.56)

56 of 297

CE 2019

56

200 [Ut vero vultus et cornua vidit in unda,]

‘Me miserum!’ dicturus erat; vox nulla secuta est.

Ingemuit; vox illa fuit, lacrimaeque per ora

non sua fluxerunt; mens tantum pristina mansit.

Quid faciat? Repetatne domum et regalia tecta,

205 an lateat silvis? Pudor hoc, timor impedit illud.

4 e. De metamorfose (p.56)

57 of 297

CE 2019

57

Ille fugit per quae fuerat loca saepe secutus eos,

(heu!) famulos fugit ipse suos. Clamare libebat:

230 [‘Actaeon ego sum: dominum cognoscite vestrum!’]

Verba animo desunt; resonat latratibus aether.

4 g. De metamorfose (p.59)

58 of 297

CE 2019

58

Prima Melanchaetes in tergo vulnera fecit,

proxima Therodamas, Oresitrophos haesit in armo,

(tardius exierant, sed per compendia montis

235 anticipata via est); dominum retinentibus illis,

cetera turba coit confertque in corpore dentes.

4 g. De metamorfose (p.59)

59 of 297

CE 2019

59

Iam loca vulneribus desunt; gemit ille sonumque,

etsi non hominis, quem non tamen edere possit

cervus, habet maestisque replet iuga nota querelis

240 et genibus pronis supplex similisque roganti

circumfert tacitos tamquam sua bracchia vultus.

4 g. De metamorfose (p.59)

60 of 297

CE 2019

60

At comites rapidum solitis hortatibus agmen

ignari instigant oculisque Actaeona quaerunt

et velut absentem certatim Actaeona clamant

245 (ad nomen caput ille refert) et abesse eum queruntur

nec capere eum oblatae segnem spectacula praedae.

Vellet abesse quidem, sed adest, velletque videre,

non etiam sentire canum fera facta suorum.

4 h. Het einde van Actaeon (p.60)

61 of 297

CE 2019

61

Undique circumstant, mersisque in corpore rostris

250 dilacerant falsi dominum sub imagine cervi,

nec nisi finita per plurima vulnera vita

ira pharetratae fertur satiata esse Dianae.

S

4 h. Het einde van Actaeon (p.60)

62 of 297

CE 2019

62

Undique circumstant, mersisque in corpore rostris

250 dilacerant falsi dominum sub imagine cervi,

nec nisi finita per plurima vulnera vita

ira pharetratae fertur satiata esse Dianae.

S

4 h. Het einde van Actaeon (p.60)

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

63 of 297

CE 2019

63

Philemon en Baucis

7

Jacob Jordaens

Jacob Jordaens

Stephanie Law

aulalatina-gemma.blogspot.com

Bulfinch's Mythology: Baucis and Philemon

64 of 297

CE 2019

64

Amnis ab his tacuit. Factum mirabile cunctos

moverat; inridet credentes, utque deorum

spretor erat mentisque ferox, Ixione natus:

‘Ficta refers nimiumque putas, Acheloe, potentes

615 esse deos,’ dixit, ‘si dant adimuntque figuras.’

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

65 of 297

CE 2019

65

Obstipuere omnes nec talia dicta probarunt,

ante omnesque Lelex animo maturus et aevo

sic ait: ‘Immensa est finemque potentia caeli

non habet et, quidquid superi voluere, peractum est.

S

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

66 of 297

CE 2019

66

Obstipuere omnes nec talia dicta probarunt,

ante omnesque Lelex animo maturus et aevo

sic ait: ‘Immensa est finemque potentia caeli

non habet et, quidquid superi voluere, peractum est.

S

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

67 of 297

CE 2019

67

620 Quoque minus dubites, tiliae contermina quercus

collibus est Phrygiis, medio circumdata muro.

(Ipse locum vidi; nam me Pelopeia Pittheus

misit in arva suo quondam regnata parenti.)

Haud procul hinc stagnum est, tellus habitabilis olim,

625 nunc celebres mergis fulicisque palustribus undae.’

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

68 of 297

CE 2019

68

‘Iuppiter huc specie mortali cumque parente

venit Atlantiades positis caducifer alis.

Mille domos adiere locum requiemque petentes,

mille domos clausere serae. Tamen una recepit,

630 parva quidem, stipulis et canna tecta palustri, …

7 b. Jupiter en Mercurius bezoeken Phrygië (p.88)

69 of 297

CE 2019

69

sed pia Baucis anus parilique aetate Philemon

illa sunt annis iuncti iuvenalibus, illa

consenuere casa paupertatemque fatendo

effecere levem nec iniqua mente ferendo.

635 Nec refert, dominos illic famulosne requiras:

tota domus duo sunt, idem parentque iubentque.’

7 b. Jupiter en Mercurius bezoeken Phrygië (p.88)

70 of 297

CE 2019

70

‘Ergo ubi caelicolae parvos tetigere Penates

submissoque humiles intrarunt vertice postes,

membra senex posito iussit relevare sedili,

640 cui superiniecit textum rude sedula Baucis.

S

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

71 of 297

CE 2019

71

‘Ergo ubi caelicolae parvos tetigere Penates

submissoque humiles intrarunt vertice postes,

membra senex posito iussit relevare sedili,

640 cui superiniecit textum rude sedula Baucis.

S

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

72 of 297

CE 2019

72

Inde foco tepidum cinerem dimovit et ignes

suscitat hesternos foliisque et cortice sicco

nutrit et ad flammas anima producit anili,

multifidasque faces ramaliaque arida tecto

645 detulit et minuit parvoque admovit aeno, …

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

73 of 297

CE 2019

73

quodque suus coniunx riguo collegerat horto,

truncat holus foliis; furca levat illa bicorni

sordida terga suis nigro pendentia tigno

servatoque diu resecat de tergore partem

650 exiguam sectamque domat ferventibus undis.’

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

74 of 297

CE 2019

74

‘Interea medias fallunt sermonibus horas

sentirique moram prohibent. Erat alveus illic

fagineus, dura clavo suspensus ab ansa;

S

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

75 of 297

CE 2019

75

‘Interea medias fallunt sermonibus horas

sentirique moram prohibent. Erat alveus illic

fagineus, dura clavo suspensus ab ansa;

S

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

76 of 297

CE 2019

76

is tepidis impletur aquis artusque fovendos

655a accipit. In medio torus est de mollibus ulvis

656a impositus lecto sponda pedibusque salignis;

655 [concutiuntque torum de molli fluminis ulva

656 impositum lecto sponda pedibusque salignis;]…

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

77 of 297

CE 2019

77

vestibus hunc velant, quas non nisi tempore festo

sternere consuerant, sed et haec vilisque vetusque

vestis erat, lecto non indignanda saligno.

660 Accubuere dei. Mensam succincta tremensque

ponit anus, mensae sed erat pes tertius impar;

testa parem fecit, quae postquam subdita clivum

sustulit, aequatam mentae tersere virentes.’

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

78 of 297

CE 2019

78

Ponitur hic bicolor sincerae baca Minervae

665 conditaque in liquida corna autumnalia faece

intibaque et radix et lactis massa coacti

ovaque non acri leviter versata favilla,

omnia fictilibus; post haec caelatus eodem

sistitur argento crater fabricataque fago

670 pocula, qua cava sunt, flaventibus inlita ceris.

7 e. Het eten wordt opgediend (p.94)

79 of 297

CE 2019

79

Parva mora est, epulasque foci misere calentes;

nec longae rursus referuntur vina senectae

dantque locum mensis paulum seducta secundis.

7 e. Het eten wordt opgediend (p.94)

80 of 297

CE 2019

80

Hic nux, hic mixta est rugosis carica palmis

675 prunaque et in patulis redolentia mala canistris

et de purpureis collectae vitibus uvae;

candidus in medio favus est. Super omnia vultus

accessere boni nec iners pauperque voluntas.’

7 e. Het eten wordt opgediend (p.94)

81 of 297

CE 2019

81

‘Interea totiens haustum cratera repleri

680 sponte sua per seque vident succrescere vina;

attoniti novitate pavent manibusque supinis

concipiunt Baucisque preces timidusque Philemon

et veniam dapibus nullisque paratibus orant.

Unicus anser erat, minimae custodia villae,

685 quem dis hospitibus domini mactare parabant;

7 f. De gasten maken zich bekend (p.96)

82 of 297

CE 2019

82

ille celer penna tardos aetate fatigat

eluditque diu tandemque est visus ad ipsos

confugisse deos. Superi vetuere necari

“Di” que “sumus, meritasque luet vicinia poenas

690 impia” dixerunt; “vobis immunibus huius

esse mali dabitur. ….

7 f. De gasten maken zich bekend (p.96)

83 of 297

CE 2019

83

….. Modo vestra relinquite tecta

ac nostros comitate gradus et in ardua montis

693 ite simul!” Parent ambo baculisque levati

693a [ite simul.” Parent et dis praeeuntibus ambo

693b membra levant baculis tardique senilibus annis]

694 nituntur longo vestigia ponere clivo.’

7 f. De gasten maken zich bekend (p.97)

84 of 297

CE 2019

84

695 ‘Tantum aberant summo, quantum semel ire sagitta

missa potest; flexere oculos et mersa palude

cetera prospiciunt, tantum sua tecta manere.

S

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

85 of 297

CE 2019

85

695 ‘Tantum aberant summo, quantum semel ire sagitta

missa potest; flexere oculos et mersa palude

cetera prospiciunt, tantum sua tecta manere.

S

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

U

86 of 297

CE 2019

86

Dumque ea mirantur, dum deflent fata suorum,

illa vetus, dominis etiam casa parva duobus,

700 vertitur in templum; furcas subiere columnae,

stramina flavescunt aurataque tecta videntur

caelataeque fores adopertaque marmore tellus.

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

87 of 297

CE 2019

87

Talia tum placido Saturnius edidit ore:

Dicite, iuste senex et femina coniuge iusto

705 digna, quid optetis.” Cum Baucide pauca locutus

iudicium superis aperit commune Philemon:

S

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

88 of 297

CE 2019

88

Talia tum placido Saturnius edidit ore:

Dicite, iuste senex et femina coniuge iusto

705 digna, quid optetis.” Cum Baucide pauca locutus

iudicium superis aperit commune Philemon:

S

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

U

89 of 297

CE 2019

89

“Esse sacerdotes delubraque vestra tueri

poscimus, et quoniam concordes egimus annos,

auferat hora duos eadem, nec coniugis umquam

710 busta meae videam neu sim tumulandus ab illa.”’

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

90 of 297

CE 2019

90

‘Vota fides sequitur; templi tutela fuere,

donec vita data est. Annis aevoque soluti

ante gradus sacros cum starent forte locique

narrarent casus, frondere Philemona Baucis,

715 Baucida conspexit senior frondere Philemon.

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

91 of 297

CE 2019

91

Iamque super geminos crescente cacumine vultus

mutua, dum licuit, reddebant dicta “Vale” que

“o coniunx” dixere simul, simul abdita texit

ora frutex. Ostendit adhuc Thyneius illic

720 incola de gemino vicinos corpore truncos.

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

92 of 297

CE 2019

92

Haec mihi non vani (neque erat, cur fallere vellent)

narravere senes; equidem pendentia vidi

serta super ramos ponensque recentia dixi:

“Cura deum di sunt, et qui coluere coluntur.’”

S

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

93 of 297

CE 2019

93

Haec mihi non vani (neque erat, cur fallere vellent)

narravere senes; equidem pendentia vidi

serta super ramos ponensque recentia dixi:

“Cura deum di sunt, et qui coluere coluntur.’”

S

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

94 of 297

CE 2019

94

Paris aan Helena

Heroides

9

Gaston Bussiere

Frederic Leighton

95 of 297

CE 2019

95

Da modo te, quae sit Paridis constantia, nosces:

flamma rogi flammas finiet una meas.

165 Praeposui regnis ego te, quae maxima quondam

pollicita est nobis nupta sororque Iovis,

dumque tuo possem circumdare bracchia collo,

contempta est virtus Pallade dante mihi.

9 e. Ik zal altijd van je blijven houden (p.114)

96 of 297

CE 2019

96

Nec piget aut umquam stulte legisse videbor:

170 permanet in voto mens mea firma suo.

Spem modo ne nostram fieri patiare caducam,

deprecor, o tanto digna labore peti.

Non ego coniugium generosae degener opto,

nec mea, crede mihi, turpiter uxor eris.

9 e. Ik zal altijd van je blijven houden (p.114)

97 of 297

CE 2019

97

175 Pliada, si quaeres, in nostra gente Iovemque

invenies, medios ut taceamus avos.

Regna parens Asiae, qua nulla beatior ora est,

finibus immensis vix obeunda, tenet.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

98 of 297

CE 2019

98

Innumeras urbes atque aurea tecta videbis

180 quaeque suos dicas templa decere deos.

Ilion aspicies firmataque turribus altis

moenia, Phoebeae structa canore lyrae.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

S

99 of 297

CE 2019

99

Innumeras urbes atque aurea tecta videbis

180 quaeque suos dicas templa decere deos.

Ilion aspicies firmataque turribus altis

moenia, Phoebeae structa canore lyrae.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

100 of 297

CE 2019

100

Quid tibi de turba narrem numeroque virorum?

Vix populum tellus sustinet illa suum.

185 Occurrent denso tibi Troades agmine matres,

nec capient Phrygias atria nostra nurus.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

101 of 297

CE 2019

101

O quotiens dices: ‘Quam pauper Achaia nostra est’!

Una domus quaevis urbis habebit opes.

Nec mihi fas fuerit Sparten contemnere vestram:

190 in qua tu nata es, terra beata mihi est.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

102 of 297

CE 2019

102

Parca sed est Sparte, tu cultu divite digna;

ad talem formam non facit iste locus.

Hanc faciem largis sine fine paratibus uti

deliciisque decet luxuriare novis.

195 Cum videas cultus nostra de gente virorum,

qualem Dardanias credis habere nurus?

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

103 of 297

CE 2019

103

Da modo te facilem nec dedignare maritum,

rure Therapnaeo nata puella, Phrygem.

Phryx erat et nostro genitus de sanguine, qui nunc

200 cum dis potando nectare miscet aquas;

Phryx erat Aurorae coniunx, tamen abstulit illum

extremum noctis quae dea finit iter;

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

104 of 297

CE 2019

104

Phryx etiam Anchises, volucrum cui mater Amorum

gaudet in Idaeis concubuisse iugis.

205 Nec, puto, collatis forma Menelaus et armis

iudice te nobis anteferendus erit.

Non dabimus certe socerum tibi clara fugantem

lumina, qui trepidos a dape vertat equos;

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

105 of 297

CE 2019

105

nec Priamo pater est soceri de caede cruentus

210 et qui Myrtoas crimine signat aquas;

nec proavo Stygia nostro captantur in unda

poma nec in mediis quaeritur umor aquis.

[Quid tamen hoc refert, si te tenet ortus ab illis?

Cogitur huic domui Iuppiter esse socer.]

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

106 of 297

CE 2019

106

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

Wikipedia

107 of 297

CE 2019

107

215 Heu facinus! Totis indignus noctibus ille

te tenet amplexu perfruiturque tuo.

At mihi conspiceris posita vix denique mensa,

multaque quae laedant hoc quoque tempus habet.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

S

108 of 297

CE 2019

108

215 Heu facinus! Totis indignus noctibus ille

te tenet amplexu perfruiturque tuo.

At mihi conspiceris posita vix denique mensa,

multaque quae laedant hoc quoque tempus habet.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

109 of 297

CE 2019

109

Hostibus eveniant convivia talia nostris,

220 experior posito qualia saepe mero.

Paenitet hospitii, cum me spectante lacertos

imponit collo rusticus iste tuo.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

S

110 of 297

CE 2019

110

Hostibus eveniant convivia talia nostris,

220 experior posito qualia saepe mero.

Paenitet hospitii, cum me spectante lacertos

imponit collo rusticus iste tuo.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

111 of 297

CE 2019

111

Rumpor et invideo (quianam non omnia narro?),

membra superiecta cum tua veste fovet.

225 Oscula cum vero coram non dura daretis,

ante oculos posui pocula sumpta meos.

Lumina demitto cum te tenet artius ille,

crescit et invito lentus in ore cibus.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

112 of 297

CE 2019

112

Saepe dedi gemitus et te, lasciva, notavi

230 in gemitu risum vix tenuisse meo.

Saepe mero volui flammam compescere, at illa

crevit, et ebrietas ignis in igne fuit;

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

113 of 297

CE 2019

113

multaque ne videam, versa cervice recumbo,

sed revocas oculos protinus ipsa meos.

235 Quid faciam, dubito: dolor est meus illa videre,

sed dolor a facie maior est abesse tua.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

114 of 297

CE 2019

114

Qua licet et possum, luctor celare furorem,

sed tamen apparet dissimulatus amor.

Nec tibi verba damus: sentis mea vulnera, sentis,

240 atque utinam soli sint ea nota tibi.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

115 of 297

CE 2019

115

Helena aan Paris

Heroides

10

Wallpaper The Helena from Troyclub

Wikipedia: roodfigurige klokkrater

Jacques-Louis David

116 of 297

CE 2019

116

75 Illa quoque, apposita quae nunc facis, improbe, mensa,

quamvis experiar dissimulare, noto,

cum modo me spectas oculis, lascive, protervis,

quos vix instantes lumina nostra ferunt,

et modo suspiras, modo pocula proxima nobis

80 sumis, quaque bibi, tu quoque parte bibis.

10 c. Ik heb je geflirt wel gemerkt (p.131)

117 of 297

CE 2019

117

A, quotiens digitis, quotiens ego tecta notavi

signa supercilio paene loquente dari,

et saepe extimui, ne vir meus illa videret,

non satis occultis erubuique notis,

85 saepe vel exiguo vel nullo murmure dixi

‘Nil pudet hunc’, nec vox haec mea falsa fuit!

10 c. Ik heb je geflirt wel gemerkt (p.131)

118 of 297

CE 2019

118

Orbe quoque in mensae legi sub nomine nostro,

quod deducta mero littera fecit, AMO,

credere me tamen hoc oculo renuente negavi;

90 ei mihi, iam didici sic ego posse loqui!

10 c. Ik heb je geflirt wel gemerkt (p.131)

119 of 297

CE 2019

119

His ego blanditiis, si peccatura fuissem,

flecterer, his poterant pectora nostra capi.

Est quoque, confiteor, facies tibi rara, potestque

velle sub amplexus ire puella tuos.

95 Altera sed potius felix sine crimine fiat,

quam cadat externo noster amore pudor.

10 d. Ik val voor je, maar blijf mijn man trouw (p.132)

120 of 297

CE 2019

120

Disce meo exemplo formosis posse carere:

est virtus placitis abstinuisse bonis.

Quam multos credis iuvenes optare, quod optas?

100 Qui sapiant, oculos an, Paris, unus habes?

Non tu plus cernis, sed plus temerarius audes,

nec tibi plus cordis sed nimis oris adest.

10 d. Ik val voor je, maar blijf mijn man trouw (p.132)

121 of 297

CE 2019

121

Tunc ego te vellem celeri venisse carina,

cum mea virginitas mille petita est procis.

105 Si te vidissem, primus de mille fuisses:

iudicio veniam vir dabit ipse meo.

Ad possessa venis praeceptaque gaudia serus:

spes tua lenta fuit; quod petis, alter habet.

10 e. Laat mij alsjeblieft met rust (p.134)

122 of 297

CE 2019

122

Ut tamen optarim fieri tua, Troice, coniunx,

110 invitam sic me nec Menelaus habet.

Desine molle, precor, verbis convellere pectus

neve mihi, quam te dicis amare, noce;

sed sine quam tribuit sortem Fortuna tueri

nec spolium nostri turpe pudoris ave.

10 e. Laat mij alsjeblieft met rust (p.134)

123 of 297

CE 2019

123

115 At Venus hoc pacta est, ut in altae vallibus Idae

tres tibi se nudas exhibuere deae,

unaque cum regnum, belli daret altera laudem,

‘Tyndaridos coniunx,’ tertia dixit, ‘eris.’

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

S

124 of 297

CE 2019

124

115 At Venus hoc pacta est, ut in altae vallibus Idae

tres tibi se nudas exhibuere deae,

unaque cum regnum, belli daret altera laudem,

‘Tyndaridos coniunx,’ tertia dixit, ‘eris.’

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

125 of 297

CE 2019

125

Credere vix equidem caelestia numina possum

120 arbitrio formam supposuisse tuo.

Utque sit hoc verum, certe pars altera ficta est,

iudicii pretium qua data esse dicor ego.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

126 of 297

CE 2019

126

Non est tanta mihi fiducia corporis, ut me

maxima teste dea dona fuisse putem.

125 Contenta est oculis hominum mea forma probari;

laudatrix Venus est invidiosa mihi.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

127 of 297

CE 2019

127

Sed nihil infirmo, faveo quoque laudibus istis:

nam mea vox quare, quod cupit esse, neget?

Nec tu succense nimium mihi creditus aegre:

130 tarda solet magnis rebus inesse fides.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

S

128 of 297

CE 2019

128

Sed nihil infirmo, faveo quoque laudibus istis:

nam mea vox quare, quod cupit esse, neget?

Nec tu succense nimium mihi creditus aegre:

130 tarda solet magnis rebus inesse fides.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

S

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

129 of 297

CE 2019

129

Prima mea est igitur Veneri placuisse voluptas,

proxima, me visam esse praemia summa tibi,

nec te Palladios nec te Iunonis honores

auditis Helenae praeposuisse bonis.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

130 of 297

CE 2019

130

135 Ergo ego sum virtus, ego sum tibi nobile regnum:

ferrea sim, si non hoc ego pectus amem.

Ferrea, crede mihi, non sum; sed amare repugno

illum, quem fieri vix puto posse meum.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

S

131 of 297

CE 2019

131

135 Ergo ego sum virtus, ego sum tibi nobile regnum:

ferrea sim, si non hoc ego pectus amem.

Ferrea, crede mihi, non sum; sed amare repugno

illum, quem fieri vix puto posse meum.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

S

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

132 of 297

CE 2019

132

Ovidius’ leven

Tristia

11

Ion Theodorescu-Sion

D.A. Slavitt

Houtsnede

Museum of Art, Constanta

133 of 297

CE 2019

133

1 Ille ego qui fuerim, tenerorum lusor amorum,

quem legis, ut noris, accipe, posteritas.

Sulmo mihi patria est, gelidis uberrimus undis,

milia qui noviens distat ab urbe decem.

5 Editus hic ego sum, nec non, ut tempora noris,

cum cecidit fato consul uterque pari:

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

134 of 297

CE 2019

134

si quid id est, usque a proavis vetus ordinis heres,

non modo fortunae munere factus eques.

Nec stirps prima fui; genito sum fratre creatus,

10 qui tribus ante quater mensibus ortus erat.

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

135 of 297

CE 2019

135

Lucifer amborum natalibus affuit idem:

una celebrata est per duo liba dies.

Haec est armiferae festis de quinque Minervae,

quae fieri pugna prima cruenta solet.

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

S

136 of 297

CE 2019

136

Lucifer amborum natalibus affuit idem:

una celebrata est per duo liba dies.

Haec est armiferae festis de quinque Minervae,

quae fieri pugna prima cruenta solet.

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

137 of 297

CE 2019

137

15 Protinus excolimur teneri, curaque parentis

imus ad insignes urbis ab arte viros.

Frater ad eloquium viridi tendebat ab aevo,

fortia verbosi natus ad arma fori;

at mihi iam puero caelestia sacra placebant,

20 inque suum furtim Musa trahebat opus.

11 b. Ovidius krijgt onderwijs; hij verliest zijn broer (p.146)

138 of 297

CE 2019

138

Saepe pater dixit ‘Studium quid inutile temptas?

Maeonides nullas ipse reliquit opes.’

Motus eram dictis, totoque Helicone relicto

scribere temptabam verba soluta modis.

25 Sponte sua carmen numeros veniebat ad aptos,

et quod temptabam dicere, versus erat.

11 b. Ovidius krijgt onderwijs; hij verliest zijn broer (p.146)

139 of 297

CE 2019

139

Interea tacito passu labentibus annis

liberior fratri sumpta mihique toga est,

induiturque umeris cum lato purpura clavo,

30 et studium nobis, quod fuit ante, manet.

Iamque decem vitae frater geminaverat annos,

cum perit, et coepi parte carere mei.

11 b. Ovidius krijgt onderwijs; hij verliest zijn broer (p.146)

140 of 297

CE 2019

140

Cepimus et tenerae primos aetatis honores,

eque viris quondam pars tribus una fui.

35 Curia restabat: clavi mensura coacta est;

maius erat nostris viribus illud onus.

11 c. Ovidius vindt zichzelf niet geschikt voor een politieke carrière (p.148)

141 of 297

CE 2019

141

Nec patiens corpus, nec mens fuit apta labori,

sollicitaeque fugax ambitionis eram,

et petere Aoniae suadebant tuta sorores

40 otia, iudicio semper amata meo.

11 c. Ovidius vindt zichzelf niet geschikt voor een politieke carrière (p.148)

S

142 of 297

CE 2019

142

Nec patiens corpus, nec mens fuit apta labori,

sollicitaeque fugax ambitionis eram,

et petere Aoniae suadebant tuta sorores

40 otia, iudicio semper amata meo.

11 c. Ovidius vindt zichzelf niet geschikt voor een politieke carrière (p.148)

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

143 of 297

CE 2019

143

Temporis illius colui fovique poetas,

quotque aderant vates, rebar adesse deos.

Saepe suas volucres legit mihi grandior aevo,

quaeque nocet serpens, quae iuvat herba, Macer,

45 saepe suos solitus est recitare Propertius ignes,

iure sodalicii, quo mihi iunctus erat.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

144 of 297

CE 2019

144

Ponticus heroo, Bassus quoque clarus iambis

dulcia convictus membra fuere mei.

Et tenuit nostras numerosus Horatius aures,

50 dum ferit Ausonia carmina culta lyra.

Vergilium vidi tantum: nec avara Tibullo

tempus amicitiae fata dedere meae.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

145 of 297

CE 2019

145

Successor fuit hic tibi, Galle, Propertius illi;

quartus ab his serie temporis ipse fui.

55 Utque ego maiores, sic me coluere minores,

notaque non tarde facta Thalia mea est.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

S

146 of 297

CE 2019

146

Successor fuit hic tibi, Galle, Propertius illi;

quartus ab his serie temporis ipse fui.

55 Utque ego maiores, sic me coluere minores,

notaque non tarde facta Thalia mea est.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

S

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

147 of 297

CE 2019

147

Carmina cum primum populo iuvenalia legi,

barba resecta mihi bisve semelve fuit.

Moverat ingenium totam cantata per urbem

60 nomine non vero dicta Corinna mihi.

Multa quidem scripsi, sed, quae vitiosa putavi,

emendaturis ignibus ipse dedi.

11 e. Ovidius als dichter (p.152)

148 of 297

CE 2019

148

Tunc quoque, cum fugerem, quaedam placitura cremavi,

iratus studio carminibusque meis.

65 Molle Cupidineis nec inexpugnabile telis

cor mihi, quodque levis causa moveret, erat.

Cum tamen hic essem minimoque accenderer igni,

nomine sub nostro fabula nulla fuit.

11 e. Ovidius als dichter (p.152)

149 of 297

CE 2019

149

Paene mihi puero nec digna nec utilis uxor

70 est data, quae tempus per breve nupta fuit.

Illi successit, quamvis sine crimine, coniunx,

non tamen in nostro firma futura toro.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

S

150 of 297

CE 2019

150

Paene mihi puero nec digna nec utilis uxor

70 est data, quae tempus per breve nupta fuit.

Illi successit, quamvis sine crimine, coniunx,

non tamen in nostro firma futura toro.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

151 of 297

CE 2019

151

Ultima, quae mecum seros permansit in annos,

sustinuit coniunx exulis esse viri.

75 Filia me mea bis prima fecunda iuventa,

sed non ex uno coniuge, fecit avum.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

152 of 297

CE 2019

152

Et iam complerat genitor sua fata novemque

addiderat lustris altera lustra novem.

Non aliter flevi, quam me fleturus ademptum

80 ille fuit; matris proxima busta tuli.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

S

153 of 297

CE 2019

153

Et iam complerat genitor sua fata novemque

addiderat lustris altera lustra novem.

Non aliter flevi, quam me fleturus ademptum

80 ille fuit; matris proxima busta tuli.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

S

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

U

͞

154 of 297

CE 2019

154

Felices ambo tempestiveque sepulti sunt,

ante diem poenae quod periere meae!

Me quoque felicem, quod non viventibus illis

sum miser, et de me quod doluere nihil!

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

155 of 297

CE 2019

155

85 Si tamen extinctis aliquid nisi nomina restant,

et gracilis structos effugit umbra rogos:

fama, parentales, si vos mea contigit, umbrae,

et sunt in Stygio crimina nostra foro,

scite, precor, causam (nec vos mihi fallere fas est)

90 errorem iussae, non scelus, esse fugae.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

156 of 297

CE 2019

156

Manibus hoc satis est: ad vos, studiosa, revertor,

pectora, quae vitae quaeritis acta meae.

Iam mihi canities pulsis melioribus annis

venerat, antiquas miscueratque comas, …

11 g. In ballingschap (p.156)

S

157 of 297

CE 2019

157

Manibus hoc satis est: ad vos, studiosa, revertor,

pectora, quae vitae quaeritis acta meae.

Iam mihi canities pulsis melioribus annis

venerat, antiquas miscueratque comas,

11 g. In ballingschap (p.156)

S

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

158 of 297

CE 2019

158

95 postque meos ortus Pisaea vinctus oliva

abstulerat deciens praemia victor eques,

cum maris Euxini positos ad laeva Tomitas

quaerere me laesi principis ira iubet.

11 g. In ballingschap (p.156)

159 of 297

CE 2019

159

Causa meae cunctis nimium quoque nota ruinae

100 indicio non est testificanda meo.

Quid referam comitumque nefas famulosque nocentes?

Ipsa multa tuli non leviora fuga.

Indignata malis mens est succumbere seque

praestitit invictam viribus usa suis;

11 g. In ballingschap (p.156)

160 of 297

CE 2019

160

105 oblitusque mei ductaeque per otia vitae

insolita cepi temporis arma manu.

Totque tuli terra casus pelagoque quot inter

occultum stellae sunt conspicuumque polum.

Tacta est mihi tandem longis erroribus acto

110 iuncta pharetratis Sarmatis ora Getis.

11 g. In ballingschap (p.156)

161 of 297

CE 2019

161

Hic ego, finitimis quamvis circumsoner armis,

tristia, quo possum, carmine fata levo.

Quod quamvis nemo est, cuius referatur ad aures,

sic tamen absumo decipioque diem.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

162 of 297

CE 2019

162

115 Ergo quod vivo durisque laboribus obsto,

nec me sollicitae taedia lucis habent,

gratia, Musa, tibi est: nam tu solacia praebes,

tu curae requies, tu medicina venis.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

163 of 297

CE 2019

163

Tu dux et comes es, tu nos abducis ab Histro,

120 in medioque mihi das Helicone locum;

tu mihi, quod rarum est, vivo sublime dedisti

nomen, ab exequiis quod dare fama solet.

Nec, qui detrectat praesentia, Livor iniquo

ullum de nostris dente momordit opus.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

164 of 297

CE 2019

164

125 Nam tulerint magnos cum saecula nostra poetas,

non fuit ingenio fama maligna meo,

cumque ego praeponam multos mihi, non minor illis

dicor et in toto plurimus orbe legor.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

S

165 of 297

CE 2019

165

125 Nam tulerint magnos cum saecula nostra poetas,

non fuit ingenio fama maligna meo,

cumque ego praeponam multos mihi, non minor illis

dicor et in toto plurimus orbe legor.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

S

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

166 of 297

CE 2019

166

Si quid habent igitur vatum praesagia veri,

130 protinus ut moriar, non ero, terra, tuus.

Sive favore tuli, sive hanc ego carmine famam,

iure tibi grates, candide lector, ago.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

S

167 of 297

CE 2019

167

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

U

U

U

͞

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

168 of 297

CE 2019

168

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

͞

U

͞

U

͞

U

͞

U

͞

U

͞

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

169 of 297

CE 2019

169

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

U

U

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

170 of 297

CE 2019

170

Si quid habent igitur vatum praesagia veri,

130 protinus ut moriar, non ero, terra, tuus.

Sive favore tuli, sive hanc ego carmine famam,

iure tibi grates, candide lector, ago.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

S

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

U

͞

U

͞

U

͞

͞

U

U

͞

U

U

͞

͞

U

͞

U

͞

͞

͞

U

U

͞

U

U

171 of 297

CE 2019

171

De vertalingen!

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Daphne en Apollo

172 of 297

CE 2019

172

De eerste geliefde van Phoebus was Daphne, dochter van Peneus, die niet

het blinde toeval heeft gegeven, maar de heftige woede van Cupido. De Deliër, trots op de onlangs overwonnen slang/op zijn overwinning op de slang, had hem zijn boog zien spannen, nadat deze de pees strak had aangetrokken en hij had gezegd ‘Wat moet jij, brutale jongen, met krachtige wapens? Die last siert onze schouders, …

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

173 of 297

CE 2019

173

wij die een wild dier, een vijand zonder ooit te missen kunnen verwonden, (wij) die onlangs de zwaarlijvige Python, die met zijn schadelijke onderlichaam zoveel morgens land bedekte, met talloze pijlen tegen de grond hebben geworpen. Wees jij (maar) tevreden om met jouw fakkel zekere liefdes

aan te wakkeren, en maak geen aanspraak op onze eer.’

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

174 of 297

CE 2019

174

De zoon van Venus zei tegen hem: ‘Ook al doorboort jouw boog alles, Phoebus /Apollo, mijn boog zal jou doorboren en hoe zeer alle levende wezens onderdoen voor een god, zoveel is jouw roem minder dan de onze.’ Hij sprak en nadat hij de lucht klapwiekend doorkliefd had bleef hij onvermoeid staan op de schaduwrijke top van de Parnassus, en uit zijn pijlendragende pijlkoker haalde hij twee pijlen tevoorschijn van verschillende uitwerkingen; deze/de ene verdrijft de liefde, die/de andere brengt liefde teweeg.

3 b. De reactie van Cupido (p.28)

175 of 297

CE 2019

175

(De pijl die liefde teweegbrengt, is van goud en schittert met haar scherpe punt; de pijl die de liefde verdrijft, is stomp en heeft lood onder/aan het eind van de schacht.) De god heeft deze geboord in de Peneïsche nimf (Daphne), maar met die (andere) heeft hij door de doorboorde botten heen het merg/ hart van Apollo getroffen.

3 b. De reactie van Cupido (p.28)

176 of 297

CE 2019

176

Meteen is de een verliefd, de ander vlucht voor de naam van iemand die liefheeft, terwijl zij zich verheugt over de schuilplaatsen van de bossen en over de afgestroopte huid(en) van de gevangen wilde dieren en wedijverend met de ongetrouwde Phoebe/Diana. [Een haarband hield haar wanordelijke haar bijeen.] Velen maakten haar het hof, (maar) zij de huwelijkskandidaten afwijzend doorkruist vol afkeer van en onbekend met een man eenzame bossen, en niet bekommert zij zich erom wat Hymen, wat liefde (en) wat een huwelijk is.

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

177 of 297

CE 2019

177

Vaak zei haar vader: ‘Jij bent mij, dochter, een schoonzoon schuldig;’ vaak zei haar vader: Jij bent mij, dochter, kleinzonen schuldig’. Vol afschuw van de huwelijksfakkels als een misdaad/alsof ze een misdaad zijn, wordt zij wat haar mooie gelaat betreft bedekt met het schaamrood en terwijl zij met haar vleiende armen hing aan de hals van haar vader, …

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

178 of 297

CE 2019

178

zei zij: ‘Sta mij, zeer geliefde vader, toe te genieten van een voortdurende maagdelijkheid; dit heeft vroeger haar vader aan Diana toegestaan.’ Hij geeft wel toe, maar die bekoorlijkheid verbiedt jou te zijn, wat jij wenst, en jouw schoonheid verzet zich tegen jouw wens.

3 c. Het effect van de pijlen van Cupido (p.30)

179 of 297

CE 2019

179

Phoebus is verliefd en verlangt naar een huwelijk/seksuele omgang met Daphne, nadat zij (door hem) gezien was en dat waarnaar hij verlangt, hoopt hij, en/maar zijn eigen orakels bedriegen hem. En zoals licht stro wordt verbrand wanneer de korenaren zijn geoogst, zoals de heggen door fakkels branden, die een reiziger toevallig of er te dicht bij heeft gehouden of wanneer het al licht is geworden er heeft achtergelaten, zo raakte de god in vuur en vlam, zo wordt hij in heel zijn borst/hart verteerd en voedt hij door te hopen een liefde die onbeantwoord blijft.

3 d. De hartstocht van Apollo (p.32)

180 of 297

CE 2019

180

Hij ziet haar haren onverzorgd langs haar hals vallen, en hij zegt: ‘Wat, als ze nog gevlochten/opgemaakt zouden worden?’; hij ziet haar ogen van/met vuur flikkeren, gelijk aan de sterren; hij ziet haar lippen, waarvan het niet voldoende is om ze gezien te hebben; hij prijst en haar vingers en haar handen en haar onderarmen en haar voor meer dan de helft ontblote bovenarmen; als er enige (delen) verborgen zijn / alles wat verborgen is, vindt hij ze beter. Sneller dan een lichte bries vlucht zij en niet blijft zij staan bij de volgende woorden van hem die haar terugroept: …

3 d. De hartstocht van Apollo (p.32)

181 of 297

CE 2019

181

‘Ik smeek je, Peneïsche nimf, wacht/blijf staan! Ik achtervolg (jou) niet als een vijand; nimf, wacht/blijf staan! Zo vlucht een lam voor een wolf, zo een hert voor een leeuw, zo vluchten duiven voor een adelaar, terwijl hun vleugels trillen/angstig heen en weer gaan, zo vlucht ieder voor haar vijand; de liefde is voor mij de reden om (je) te volgen.

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

182 of 297

CE 2019

182

Arme ik, val niet/pas op dat je niet voorover valt of dat doornenstruiken jouw benen niet schrammen, die het niet verdienen om verwond te worden, en laat ik niet voor jou de oorzaak zijn van pijn! Ruw zijn de plaatsen waarlangs jij je haast. Ik smeek je, ren rustiger en houd je vlucht in; zelf zal ik jou rustiger achtervolgen.

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

183 of 297

CE 2019

183

Informeer dan tenminste, bij wie je in de smaak valt; ik ben geen bergbewoner, geen herder, ik houd hier niet als een onbeschaafd iemand toezicht op runderen en kleinvee. Jij weet niet, onbezonnene, jij weet niet voor wie je vlucht, en daarom vlucht jij. Het Delphische land en Claros en Tenedos en het paleis van Patara zijn mijn onderdanen; Jupiter is mijn vader; door mij wordt geopenbaard wat en zal zijn, en (wat) was en is; door mij zijn de liederen in harmonie met de snaren.

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

184 of 297

CE 2019

184

Trefzeker is weliswaar onze pijl, toch is er één pijl trefzekerder dan die van ons, die in een leeg hart wonden heeft gemaakt/geslagen. Geneeskunst is mijn uitvinding, en ik word over de (hele) wereld behulpzaam/‘de helper’ genoemd, en de werking van kruiden valt onder mijn gezag. Arme ik, omdat de liefde door geen enkel kruid is te genezen, en de kunde, die iedereen baat, de meester niet baat.’

3 e. Apollo’s liefdesverklaring (p.34)

185 of 297

CE 2019

185

Voor hem die op het punt stond nog meer te zeggen vluchtte de dochter van Peneus in een angstig rennen/angstig in een rennen en samen met hemzelf verliet zij de woorden (die) niet afgemaakt (waren), ook op dat moment in zijn ogen bekoorlijk. De winden ontblootten haar lichaam, en tegemoetkomende windvlagen lieten haar kleren komend vanuit tegengestelde richting fladderen, en een lichte bries dreef haar haren naar achteren; …

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

186 of 297

CE 2019

186

haar schoonheid werd door de vlucht vergroot. Maar (de god volgt wel) immers de jonge god verdraagt niet langer vleiende woorden te verspillen, en zoals Amor zelf (hem) aanspoorde, volgt hij haar sporen met versnelde pas.

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

187 of 297

CE 2019

187

Zoals wanneer een Gallische hond op het open veld een haas heeft gezien, en deze met zijn voeten de buit probeert te krijgen, (maar) die zijn veiligheid, de een, gelijkend op iemand die op het punt staat (de prooi) in zijn greep te krijgen, hoopt hem ieder moment vast te hebben en hij raakt met vooruit-gestoken bek de poten al licht aan, …

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

188 of 297

CE 2019

188

zo is de god en het meisje, hij snel door hoop, zij door angst. Toch is hij die achtervolgt, geholpen door de vleugels van Amor sneller, en hij weigert (haar) rust en zit de rug van de vluchtende op de hielen en blaast tegen het haar dat verspreid is over haar nek.

3 f. De vlucht en de achtervolging (p.38)

189 of 297

CE 2019

189

Nadat haar krachten waren gesloopt, verbleekte zij en [uitgeput door de inspanning van de snelle vlucht, zei zij, ‘Aarde, splijt open, of richt die gestalte die maakt dat ik gekweld/gekwetst word, te gronde door haar te veranderen.’] uitgeput door de inspanning van de snelle vlucht, zei ze, terwijl ze keek naar het Peneïsche water: ‘Breng hulp, vader, als jullie rivieren een goddelijke macht hebben; richt mijn gestalte, waarmee ik al te zeer in de smaak viel, te gronde door (haar) te veranderen.’

3 g. Daphne vraagt om hulp (p.40)

190 of 297

CE 2019

190

Toen zij ternauwernood haar smeekbede had beëindigd, overvalt een neerdrukkende verlamming haar ledematen; haar zachte borst wordt door een dunne bast omgeven; haar haar vergroeit tot bladeren, haar armen tot takken; haar voet onlangs (nog) zo snel, blijft vast zitten in taaie wortels; een boomtop heeft de plaats van haar hoofd ingenomen; alleen haar glans blijft in haar bestaan.

3 g. Daphne vraagt om hulp (p.40)

191 of 297

CE 2019

191

Ook deze bemint Phoebus, en nadat hij zijn rechterhand op de boom heeft gelegd, merkt hij dat haar hart nog klopt onder de pas ontstane boomschors, en terwijl hij met zijn armen de takken, (zo)als ledematen, omarmt, geeft hij het hout kussen (kust hij het hout); toch ontvlucht het hout de kussen. Hiertegen zei de god: ‘Toch zal jij, aangezien je niet mijn echtgenote kan zijn, tenminste mijn boom zijn; altijd zullen mijn haar, mijn citer, mijn pijlkoker jou, laurier, dragen.

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

192 of 297

CE 2019

192

Jij zult voor de Latijnse aanvoerders aanwezig zijn, wanneer een vrolijke stem ‘Triomf’ zal roepen en het Capitool lange optochten zal aanschouwen; eveneens bij de poort van Augustus zul jij als een zeer trouwe bewaakster vóór de deur staan en jij zult naar de eik in het midden kijken.

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

193 of 297

CE 2019

193

En zoals mijn hoofd jeugdig is door ongeschoren haar, moet ook jij altijd de eeuwigdurende eerbewijzen gevormd door jouw bladeren dragen.’ Paean had (zijn woorden) beëindigd; met haar zojuist gemaakte takken knikte de laurierboom ‘ja’ en zij scheen haar kruin als een hoofd te hebben geschud.

3 h. Apollo en Daphne (p.42)

194 of 297

CE 2019

194

De vertalingen!

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Actaeon

195 of 297

CE 2019

195

Reeds/nu was Thebe gereed, reeds/nu kon jij, Cadmus, gezien worden als gelukkig/gelukkig schijnen in je ballingschap. En Mars en Venus waren jou als schoonouders ten deel gevallen; voeg hieraan toe de familie van een echtgenote van zo’n afkomst, zoveel dochters en zonen en kleinzonen / kleinkinderen, dierbare bewijzen van liefde, ook dezen al jongemannen. Maar natuurlijk moet altijd de laatste dag van de mens afgewacht worden, en niemand moet gelukkig genoemd worden voor zijn dood en zijn laatste eer/doodsriten.

4 a. Cadmus is heerser van Thebe; Actaeon is een van zijn kleinzonen (p.48)

196 of 297

CE 2019

196

De eerste oorzaak van jouw rouw/droefheid was voor jou, Cadmus tussen zoveel voorspoed een kleinzoon, en vreemde hoorns toegevoegd aan zijn voorhoofd en jullie, honden, verzadigd van bloed van jullie meester. Maar als je goed zou onderzoeken, zul je in hem het vergrijp van het Lot vinden, niet een misdaad; want welke misdaad had/bevatte zijn vergissing?

4 a. Cadmus is heerser van Thebe; Actaeon is een van zijn kleinzonen (p.48)

197 of 297

CE 2019

197

De berg was gekleurd door/met het bloed van verschillende wilde dieren, en reeds had het midden van de dag de schaduwen van de dingen verkleind en was de zon even ver verwijderd van beide keerpunten, toen de Hyantische jongeman met vriendelijke stem de deelnemers aan het werk, die rondzwierven door de afgelegen wouden, toespreekt:

4 b. Actaeon onderbreekt de jacht (p.50)

198 of 297

CE 2019

198

‘De jachtnetten, vrienden, en het ijzer druipen van het bloed van de wilde dieren, en de dag verleende voldoende geluk. Wanneer een tweede Aurora/Dageraad, rijdend op haar rode wagen, het licht zal terugbrengen, dan zullen wij ons voorgenomen werk weer oppakken; nu is Phoebus even ver verwijderd van beide keerpunten en splijt de akkers met zijn hitte. Stop met het huidige werk en haal de jachtnetten vol knopen weg.’ De mannen doen wat is bevolen en staken de inspanning/het werk.

4 b. Actaeon onderbreekt de jacht (p.50)

199 of 297

CE 2019

199

Er was een dal ondoordringbaar met/door pijnbomen en de spitse cipres, genaamd Gargaphie, gewijd aan Diana met opgebonden gewaad, in de uiterste uithoek waarvan een in het bos bevindende grot is, door geen kunst vervaardigd; de natuur had met haar talent de kunst nagebootst, want zij had met onbewerkte puimsteen en licht tufsteen een natuurlijke boog opgetrokken.

4 c. Diana rust uit van de jacht (p.52)

200 of 297

CE 2019

200

Vanaf/aan de rechterkant klinkt een bron doorzichtig met helder/ondiep water, wat betreft zijn brede poel omringd met een met gras begroeide zoom; hier was de godin van de bossen, vermoeid van/door het jagen gewoon om haar maagdelijke ledematen met zuiver water te begieten.

En nadat zij daar naar binnen was gegaan, overhandigde zij aan een van de nimfen, de wapendraagster, haar speer, (en) pijlkoker en ontspannen boog;

4 c. Diana rust uit van de jacht (p.52)

201 of 297

CE 2019

201

een andere (nimf) plaatste haar arm(en) onder haar gewaad, toen het was neergelegd; twee nemen de riemen van haar voeten af; en Crocale, de dochter van Ismenus, handiger dan zij, brengt haar haar, verspreid over haar hals, bijeen in een knot, hoewel zij zelf met loshangend haar was. Zij scheppen water (en) Nephele, (en) Hyale, (en) Rhanis, (en) Psecas en Phiale en zij gieten het uit ruime waterkruiken uit.

4 c. Diana rust uit van de jacht (p.52)

202 of 297

CE 2019

202

En terwijl Titania zich daar met het gebruikelijke heldere water wast, kijk, de kleinzoon van Cadmus, toen hij zijn deel van de inspanningen heeft uitgesteld, zwervend door een onbekend woud met niet zekere stappen komt aan in het aan de god gewijde bos; zo bracht/leidde het lot hem.

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

203 of 297

CE 2019

203

Zodra hij de grot, druipend van de bron, was binnengegaan, sloegen de nimfen, naakt zoals ze waren, nadat de man (door hen) was gezien, hun borst en met plotseling geschreeuw vulden zij het hele woud en Diana omringend bedekten zij haar met hun lichamen; toch is de godin zelf hoger/groter dan zij en tot aan haar nek steekt zij boven allen uit.

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

204 of 297

CE 2019

204

De kleur die wolken gewoonlijk hebben, gekleurd door de stralen van de recht tegenover staande zon, of de purperkleurige Dageraad (gewoonlijk heeft), díe was op het gezicht van Diana toen zij zonder kleren was gezien.

4 d. De godin en haar nimfen worden door Actaeon gezien (p.54)

205 of 297

CE 2019

205

Hoewel zij omringd is door een menigte van haar metgezellinnen, ging zij toch opzij staan en boog haar gezicht naar achteren en, hoewel zij wilde dat zij haar pijlen gereed had, toch putte zij water, dat zij (ter beschikking) had en spatte het gezicht van de man geheel nat en zijn haar besprenkelend met wrekend water voegde zij de volgende woorden toe als voorbode van een toekomstige ramp:

4 e. De metamorfose (p.56)

206 of 297

CE 2019

206

Nu mag jij vertellen dat ik (door jou) ben gezien met afgelegde/zonder kleren, als jij zult kunnen vertellen.’ En niet (nog) meer dreigend geeft zij aan het besprenkelde hoofd hoorns van een hert met een lang leven, zij geeft ruimte aan zijn hals en de toppen van zijn oren maakt zij puntig en zij verandert zijn handen in voeten, zijn armen in lange poten en ze bedekt zijn lichaam met een gevlekte huid;

4 e. De metamorfose (p.56)

207 of 297

CE 2019

207

ook werd/is angst toegevoegd. De held van Autonoë vlucht en verbaast zich bij het hardlopen zelf dat hij zo snel is.

4 e. De metamorfose (p.56)

208 of 297

CE 2019

208

[Zodra hij echter zijn gelaat en hoorns in het water zag] Hij stond op het punt om te zeggen ‘Ik ongelukkige’; geen stem(geluid) volgde. Hij zuchtte; dat geluid was er, en tranen stroomden over het/zijn gezicht, niet het zijne; slechts zijn geest bleef als vanouds. Wat moet hij doen? Moet hij terugkeren naar huis, namelijk het koninklijk huis/paleis, of moet hij zich schuilhouden in de bossen? Schaamte verhindert dit/het ene, angst dat/het andere.

4 e. De metamorfose (p.56)

209 of 297

CE 2019

209

Hij vlucht over die plaatsen waarover hij hen vaak had gevolgd, (ach!) zelf vlucht hij voor zijn eigen dienaren. Hij wilde graag schreeuwen [‘Ik ben Actaeon: herken jullie meester!’] Woorden ontbreken aan zijn geest; de lucht weerklinkt van geblaf.

4 g. De metamorfose (p.59)

210 of 297

CE 2019

210

Zwarthaar maakte de eerste wonden op zijn rug, de volgende (wonden maakte) Dierenbedwinger, Gevoed in de bergen bleef steken in zijn schoft (zij waren langzamer weggegaan, maar langs de kortste weg van de berg is de weg eerder afgelegd); terwijl deze hun meester tegenhielden, komt de overige troep (honden) samen en zet hun tanden in zijn lichaam.

4 g. De metamorfose (p.59)

211 of 297

CE 2019

211

Reeds ontbreekt er plaats/ruimte voor wonden; hij zucht en geeft (zo) een geluid, hoewel niet van een mens, dat een hert toch niet zou kunnen voortbrengen, en hij vult de hem bekende bergruggen met droevige jammerklachten en smekend met voorover gebogen knieën en gelijk aan iemand die vraagt/smeekt draait hij zijn zwijgende gezicht rond alsof het zijn armen zijn.

4 g. De metamorfose (p.59)

212 of 297

CE 2019

212

Maar zijn vrienden hitsen onwetend de wilde troep met hun gebruikelijke aansporingen op en met hun ogen zoeken ze Actaeon en alsof hij afwezig is roepen zij in wedijver Actaeon (bij zijn naam wendt hij zijn hoofd) en zij klagen dat hij afwezig is en dat hij traag niet het schouwspel van de buit die zich voordeed ondervindt. Hij zou weliswaar afwezig willen zijn, maar hij is aanwezig, en hij zou willen toekijken, en niet de wilde daden van zijn eigen honden zelfs voelen.

4 h. Het einde van Actaeon (p.60)

213 of 297

CE 2019

213

Van alle kanten staan zij om hem heen, en nadat zij hun bekken in zijn lichaam hebben gestoken, verscheuren zij hun meester in de bedriegelijke gedaante van een hert en men zegt dat de woede van de met pijlen uitgeruste Diana niet is gestild, tenzij toen zijn leven beeïndigd was door de zeer vele wonden.

4 h. Het einde van Actaeon (p.60)

214 of 297

CE 2019

214

De vertalingen!

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Philemon en Baucis

215 of 297

CE 2019

215

De riviergod zweeg direct na deze verhalen. Het bijzondere voorval had allen bewogen; de zoon van Ixion lacht degenen die het geloven uit, in zoverre als/aangezien hij een verachter van de goden was en fel/onstuimig van geest: ‘Je vertelt verzinsels en je meent, Acheloüs, dat de goden al te machtig zijn’, zei hij, ‘als zij gestaltes geven en wegnemen.’

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

216 of 297

CE 2019

216

Allen verbaasden zich en keurden dergelijke woorden niet goed, en voor allen sprak Lelex, rijp van geest en van leeftijd, als volgt: ‘Oneindig is de macht van de hemel/goden en zij heeft/kent geen einde, en alwat de goden hebben gewild, is volbracht.

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

217 of 297

CE 2019

217

En opdat je des te minder twijfelt, luister, op de Phrygische heuvels is een eik naast een linde, omgeven door een gewone muur. (Ik heb de plek zelf gezien; want Pittheus stuurde mij naar het land van Pelops, dat eens bestuurd werd door zijn vader.) Helemaal niet ver hiervandaan is een meer, eens een bewoonbaar gebied, nu water drukbezocht door in het moeras levende duikers en meerkoeten.’

7 a. De goden zijn almachtig (p.86)

218 of 297

CE 2019

218

‘Jupiter kwam hierheen in sterfelijke gedaante/in een gedaante van een sterveling en met zijn vader de nakomeling van Atlas met de herautstaf nadat hij zijn vleugels had afgedaan. Naar duizend huizen gingen ze, vragend om een rustplaats, grendels sloten duizend huizen. Toch ontving één (huis) (hen), weliswaar klein, bedekt met stro en moerasriet, …

7 b. Jupiter en Mercurius bezoeken Phrygië (p.88)

219 of 297

CE 2019

219

maar de vrome oude vrouw Baucis en Philemon met/van gelijke leeftijd zijn in dat huisje verbonden in hun jeugdjaren, in dat huisje zijn ze oud geworden en ze maakten de armoede licht door (haar) te erkennen en door haar blijmoedig te dragen. En het maakt niet uit, of jij daar vraagt naar meesters of bedienden: zij tweeën zijn het hele huis, dezelfden (en) gehoorzamen en bevelen.’

7 b. Jupiter en Mercurius bezoeken Phrygië (p.88)

220 of 297

CE 2019

220

‘Welnu, zodra de goden het kleine huis bereikt hadden en de nederige deur betreden hadden, nadat ze hun hoofd hadden gebogen, nodigde de oude man, nadat hij een bank had geplaatst, hen uit om hun ledematen te laten uitrusten, waaroverheen de ijverige Baucis/Baucis ijverig een grof kleed wierp.

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

221 of 297

CE 2019

221

Vervolgens verwijderde zij in de haard de lauwe as en wakkert het vuur van gisteren aan en ze voedt het met (droge) bladeren en droge schors en met haar oude-vrouwtjes-adem wakkert ze het tot vlammen aan, en ze haalde vaakgekloofde spaanders en droge takken van de vliering en brak ze in stukken en bracht ze naar de kleine koperen ketel, …

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

222 of 297

CE 2019

222

en de groente die haar echtgenoot had verzameld in/van de besproeide tuin, ontdoet zij van bladeren; met een vork met twee tanden tilt zij een gerookt rugstuk van een zwijn omlaag dat aan een zwarte balk hangt en ze snijdt van de lang bewaarde rug een klein deel af en nadat ze het heeft afgesneden kookt ze het gaar in kokend water.’

7 c. Philemon en Baucis onthalen hun gasten (p.90)

223 of 297

CE 2019

223

‘Intussen laten zij de tussentijd ongemerkt voorbij gaan door gesprekken en zij verhinderen dat het oponthoud wordt gemerkt. Er was daar een teil van beukenhout, met een spijker opgehangen aan een stevig oor;

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

224 of 297

CE 2019

224

hij wordt gevuld met lauw water en ontvangt de ledematen om ze een warm bad te geven. Midden op het bed met een onderstel en poten van wilgenhout werd een kussen/matras gelegd van zacht riet;

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

225 of 297

CE 2019

225

[...] met een deken bedekken zij het, die zij niet gewend waren geweest neer te leggen behalve op een feestelijk moment/tijdens een feestelijke gelegenheid,maar ook dit kleed was én goedkoop én oud, niet schandelijk voor een bed van wilgenhout. De goden namen plaats. De oude vrouw plaatst met opgeschorte rokken en trillend een tafel, maar de derde poot van de tafel was ongelijk; een scherf maakte hem gelijk en nadat deze, eronder gelegd, de helling had weggenomen, veegden groene kruizemuntbladeren de gelijkgemaakte (tafel) af/zij veegde met . . ..’

7 d. De gasten gaan aan tafel (p.92)

226 of 297

CE 2019

226

‘Hier worden de tweekleurige olijf van de maagdelijke Minerva geplaatst/neergelegd en herfstkornoeljebessen, ingelegd in vloeibaar/helder wijndroesem en andijvie en wortel en een stuk kaas en eieren licht gewenteld in niet gloeiende as, alles in aardewerk; hierna wordt een mengvat/kan, gedreven uit hetzelfde zilver, neergezet en bekers, vervaardigd van beukenhout, ingesmeerd met gele was, waar barsten zijn.

7 e. Het eten wordt opgediend (p.94)

227 of 297

CE 2019

227

Klein is het oponthoud en de haard stuurde warme gerechten; en de wijn van niet lange/hoge ouderdom wordt weer teruggezet/weggenomen, en deze, een beetje opzij geschoven, geeft plaats voor het nagerecht.

7 e. Het eten wordt opgediend (p.94)

228 of 297

CE 2019

228

Hier (werd) de noot, hier werd de gedroogde vijg gemengd met rimpelige dadels en pruimen en geurige appels in wijde mandjes en druiven, verzameld van de donkerrode wijnranken; stralend in het midden is/ligt de honingraat. Boven alles kwamen hier nog bij hun opgewekte gezichten en hun niet trage/spontane en niet arme/gulle bereidwilligheid.’

7 e. Het eten wordt opgediend (p.94)

229 of 297

CE 2019

229

‘Intussen zien zij dat de zovaak uitgeschonken kan vanzelf/uit eigen beweging weer gevuld wordt en dat de wijn vanzelf zich aanvult; ontsteld door het verrassende zijn ze bang en met de handpalmen naar de hemel opgeheven smeken en Baucis en de angstige Philemon en ze bidden om vergiffenis voor het eten en voor geen/het ontbreken van de voorbereidingen. Er was één enkele gans, de bewaker van het zeer kleine landhuis, die zijn meesters van plan waren te slachten voor de goden als gasten;

7 f. De gasten maken zich bekend (p.96)

230 of 297

CE 2019

230

die, snel met zijn vleugels, vermoeit de tragen/hen die traag zijn door hun leeftijd en lange tijd is hij hun te vlug af en eindelijk werd hij gezien zijn toevlucht te hebben genomen/zag men dat hij zijn toevlucht had genomen tot de goden zelf. De goden verboden dat hij gedood werd en ze zeiden: “Wij zijn goden en de/jullie goddeloze buurt/buren zullen hun verdiende straf ondergaan; aan jullie zal gegeven zijn om vrij van die ramp te zijn….

7 f. De gasten maken zich bekend (p.96)

231 of 297

CE 2019

231

Verlaat slechts jullie huis en volgt onze stappen en gaat tegelijk met ons de helling(en) van de berg op!” Beiden gehoorzamen en steunend op hun stokken [gaat tegelijk. Beiden gehoorzamen en terwijl de goden voorgaan, verlichten zij hun ledematen met stokken en traag door hun oude jaren] spannen zij zich in hun voeten te zetten op de lange helling/tegen de lange helling op.’

7 f. De gasten maken zich bekend (p.97)

232 of 297

CE 2019

232

‘Zoveel/zover waren ze afwezig van de top, als een pijl, eenmaal gestuurd/afgeschoten, kan gaan; ze keken om en ze zien in de verte dat de overige dingen in een poel zijn verzonken, dat slechts hun huis overeind staat.

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

233 of 297

CE 2019

233

En terwijl zij zich hierover verbazen, terwijl zij het lot van de hunnen/hun buren bewenen, verandert dat oude huisje, ook voor twee meesters klein, in een tempel; zuilen namen de plaats in van steunpalen, het stro wordt goudgeel, en een verguld dak wordt gezien, en een deur met reliëf versierd en een vloer bedekt met marmer.

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

234 of 297

CE 2019

234

Toen zei de zoon van Saturnus met rustige stem het volgende: “Zegt, rechtschapen oude man en vrouw, een rechtschapen echtgenoot waardig, wat jullie wensen.” Nadat Philemon weinig met Baucis had gesproken, geeft hij aan de goden hun gemeenschappelijke keuze te kennen:

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

235 of 297

CE 2019

235

‘Wij vragen priesters te zijn en jullie tempel te beschermen, en aangezien wij in harmonie onze jaren hebben doorgebracht, moge hetzelfde uur ons tweeën wegnemen, en moge ik nooit het graf van mijn echtgenote zien en moge ik niet door haar begraven moeten worden.”’

7 g. De eerste metamorfose (p.98)

236 of 297

CE 2019

236

‘De vervulling volgt op de wensen; ze waren beschermers van de tempel, zolang het leven (hun) is gegeven. Toen zij, verzwakt door de jaren en de leeftijd, toevallig vóór de heilige tredes stonden en spraken over de lotgevallen van de plek, zag Baucis dat Philemon bladeren kreeg, zag de oude man Philemon dat Baucis bladeren kreeg.

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

237 of 297

CE 2019

237

En toen er al een kruin groeide boven op beide gezichten, wisselden ze woorden, zolang het mogelijk was, en zij zeiden tegelijk: “Vaarwel echtgenoot” en tegelijk verborgen takken hun gezichten door ze te bedekken. Nog steeds toont de Phrygische bewoner daar de bomen naast elkaar (ontstaan) uit twee lichamen.

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

238 of 297

CE 2019

238

Dit vertelden mij zeer betrouwbare oude mannen (er was geen reden waarom zij wilden bedriegen); inderdaad heb ik kransen zien hangen op de takken en terwijl ik er nieuwe plaatste zei ik: “De lievelingen van goden zijn goden, en zij die (hen) vereerd hebben, worden vereerd.’’’

7 h. Hun wensen gaan in vervulling (p.100)

239 of 297

CE 2019

239

De vertalingen!

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Paris aan Helena

240 of 297

CE 2019

240

Geef je slechts (en)/als je je slechts geeft, zul je leren kennen welke standvastigheid van Paris is/welke standvastigheid Paris heeft: alleen de vlam van de brandstapel zal mijn vlammen/vuur/liefde beëindigen. Ik heb jou verkozen boven de heerschappij, die ons/mij eens de echtgenote en zuster van Juno als zeer groot heeft beloofd, en als ik maar mijn armen om jouw nek kon leggen, werd de moed geminacht terwijl Pallas (die) aan mij gaf/aanbood.

9 e. Ik zal altijd van je blijven houden (p.114)

241 of 297

CE 2019

241

En ik heb geen spijt of niet zal ik ooit denken dat ik dom heb gekozen: mijn geest blijft/volhardt standvastig in zijn wens. Duld slechts niet dat mijn hoop nietig wordt, smeek ik, o jij (die het) waard (is) om met zo grote inspanning het hof te worden gemaakt. Niet wens ik (als) onwaardig(e) een huwelijk met een adellijke vrouw, en niet zul je, geloof mij, (op) schandelijk(e wijze) mijn vrouw zijn.

9 e. Ik zal altijd van je blijven houden (p.114)

242 of 297

CE 2019

242

Als je zult zoeken, zul je in ons/mijn geslacht/familie een Plejade en Jupiter vinden, om van de voorvaderen ertussenin maar te zwijgen. Mijn vader houdt/heeft het rijk van Klein-Azië, dan welke geen streek welvarender is/de welvarendste streek die er is, (dat) door zijn onmetelijke grenzen/gebied nauwelijks bereisd kan worden/te bereizen is.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

243 of 297

CE 2019

243

Je zult er ontelbare steden en gouden huizen zien en tempels die/waarvan je kunt zeggen dat ze bij hun goden passen. Je zult Ilion zien en de muren versterkt door hoge torens, gebouwd door de klank van de lier van Phoebus.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

244 of 297

CE 2019

244

Waarom moet ik jou vertellen over de menigte en aantal mannen? Dat land kan nauwelijk zijn bevolking bevatten. Trojaanse moeders zullen jou in een dichte stoet tegemoet komen, en onze huizen zullen de Trojaanse schoondochters niet kunnen bevatten.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

245 of 297

CE 2019

245

O, hoe dikwijls zul je zeggen: ‘Hoe arm is ons Griekenland!’ Eén huis, welk je maar wilt, zal het vermogen/de rijkdom hebben van een stad. Maar voor mij zou het niet geoorloofd zijn jullie Sparta te minachten: het land, waarin jij bent geboren, is welvarend voor mij.

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

246 of 297

CE 2019

246

Maar Sparta is sober, jij bent een rijke levensstijl waard; bij een dergelijke schoonheid past die plaats niet. Dit uiterlijk past het zonder einde/eindeloos rijkelijke pracht en praal te gebruiken en vol te zijn met nieuwe genietingen. Aangezien je de levensstijl van de mannen van ons volk ziet, welke denk je dat de Trojaanse schoondochters hebben?

9 f. Je zult in de weelde leven die bij je past (p.116)

247 of 297

CE 2019

247

Geef je maar makkelijk (aan mij) en versmaad geen Trojaan als echtgenoot (o) meisje, geboren op het platteland van Therapnae. Een Trojaan én geboren uit ons bloed was hij die nu met/bij de goden het water met nectar mengt om te drinken; een Trojaan was de echtgenoot van Aurora, toch droeg ze hem weg/schaakte ze hem, de godin die de laatste weg/route van de nacht beëindigt;

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

248 of 297

CE 2019

248

ook een Trojaan was Anchises, met wie de moeder van de gevleugelde Amores/Cupido’s zich erover verheugt op de bergruggen van de Ida naar bed te zijn gegaan. En niet, denk ik, wanneer de schoonheid en wapens vergeleken zijn, zal Menelaüs met jou als rechter, boven mij verkozen moeten worden. Wij zullen je zeker niet (zo’n) schoonvader geven die het heldere licht verdrijft, die/dat/omdat hij de angstige paarden van zijn feestmaal (af)wendt;

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

249 of 297

CE 2019

249

en niet heeft Priamus een vader, bebloed vanwege de moord op zijn schoonvader en die de Myrtoïsche wateren bevlekt met zijn misdaad; en niet wordt door onze voorvader het fruit in het water van de Styx steeds gegrepen en geen vocht gezocht midden in het water. [Waarom is dit echter van belang, als een afstammeling van hen jou vasthoudt? (En) Jupiter wordt gedwongen schoonvader voor/van dit huis te zijn.]

9 g. Vergelijk mijn voorvaderen eens met de schurken in de familie van Menelaüs (p.118)

250 of 297

CE 2019

250

O schanddaad! Hij, onwaardig/hij die dat niet waard is, houdt jou hele nachten vast en geniet volop van jouw omhelzing. Maar je wordt door mij nauwelijks gezien nadat/wanneer het diner tenslotte is opgediend, en ook heeft deze tijd veel (zulke) dingen die/dat ze mij kwetsen.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

251 of 297

CE 2019

251

Mogen zulke maaltijden onze vijanden overkomen, (zo)als ik dikwijls ondervind nadat/wanneer de wijn is neergezet. Ik heb spijt van de gastvrije ontvangst, wanneer die boerenkinkel zijn armen om jouw nek legt, terwijl ik toekijk.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

252 of 297

CE 2019

252

Ik word gebroken en ben jaloers/ik word gebroken van jaloezie (waarom vertel ik niet alles?), wanneer hij jouw lichaam koestert/streelt nadat hij een kledingstuk/zijn mantel eroverheen heeft gelegd. Toen jullie echter openlijk heel zachte kussen gaven, heb ik de beker, na hem gepakt te hebben, hem voor mijn ogen gezet. Ik sla mijn ogen neer, wanneer hij jou steviger vasthoudt, en het eten wordt langzaam (steeds) meer in mijn onwillige mond.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

253 of 297

CE 2019

253

Dikwijls jammerde ik en ik merkte op, wellustige (vrouw), dat jij bij mijn gejammer je lachen nauwelijks hebt (in)gehouden. Dikwijls wilde ik met de wijn mijn liefdesvuur blussen, maar het groeide, en mijn dronkenschap was liefdesvuur op liefdesvuur;

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

254 of 297

CE 2019

254

om niet veel te zien, ga ik achterover liggen, na mijn hals te hebben omgedraaid, maar onmiddellijk breng je zelf mijn ogen weer (naar je) terug.

Ik aarzel wat ik moet doen: het is mijn pijn/het doet mij pijn die dingen te zien, maar de pijn is groter om afwezig te zijn van jouw gezicht.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

255 of 297

CE 2019

255

Waar het mogelijk is en ik het kan, worstel ik om mijn hartstocht te verbergen, maar toch is mijn verborgen gehouden liefde duidelijk. En wij/ik vertel jou geen leugens: jij merkt mijn wonden, jij merkt ze, en och mogen zij alleen aan jou bekend zijn.

9 h. Ik kan het niet verdragen dat Menelaüs je liefkoost (p.120)

256 of 297

CE 2019

256

De vertalingen!

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Helena aan Paris

257 of 297

CE 2019

257

Ik merk wanneer het diner is opgediend ook die dingen op, die jij nu doet, schaamteloze, hoewel ik probeer ze te negeren, wanneer je mij, wellustige, nu eens met brutale ogen bekijkt, die indringend (als ze zijn) mijn ogen nauwelijks (kunnen) verdragen, en je dan weer zucht, dan weer de beker direct na mij pakt en jij ook drinkt aan de kant waar ik heb gedronken.

10 c. Ik heb je geflirt wel gemerkt (p.131)

258 of 297

CE 2019

258

Ach, hoe vaak merkte ik dat met je vingers, hoe vaak verborgen tekens werden gegeven, met een bijna sprekende wenkbrauw/terwijl je wenkbrauw bijna sprak, en dikwijls was ik erg bang dat mijn man die (tekens)/dat zag, en ik bloosde wegens de niet voldoende verborgen tekens, (en) dikwijls zei ik of met gering/zacht of geen/binnensmonds gefluister: ‘Hij schaamt zich voor niets/nergens voor’;

10 c. Ik heb je geflirt wel gemerkt (p.131)

259 of 297

CE 2019

259

en deze woorden van mij waren niet onjuist! Ook las ik op de ronde tafel onder mijn naam die een met wijn geschreven letter maakte, IK HOUD VAN (JE)/IK BEN VERLIEFD, toch weigerde ik (het) te geloven omdat dit/mijn oog het afkeurde: wee mij, ik heb nu geleerd zo te kunnen spreken!

10 c. Ik heb je geflirt wel gemerkt (p.131)

260 of 297

CE 2019

260

Ik zou voor deze vleierijen, als ik op het punt had gestaan een fout te maken, zwichten, door deze (vleierijen) kon mijn hart genomen/veroverd worden. Ook heb jij, ik beken het, een zeldzaam (mooi) uiterlijk, en een meisje kan jouw omhelzingen willen ondergaan. Maar laat liever een andere vrouw gelukkig worden zonder echtbreuk, dan dat mijn eer zou vallen door liefde voor een ander.

10 d. Ik val voor je, maar blijf mijn man trouw (p.132)

261 of 297

CE 2019

261

Leer door mijn voorbeeld mooie dingen te kunnen missen: het is een deugd af te zien van geliefde goederen. Hoe veel jongemannen denk je wensen, wat jij wenst? Of heb jij soms, Paris, als enige (zulke) ogen die een goede smaak hebben? Jij onderscheidt/ziet niet meer, maar jij roekeloos durft meer en bij jou is niet meer verstand aanwezig maar te veel zelfverzekerdheid.

10 d. Ik val voor je, maar blijf mijn man trouw (p.132)

262 of 297

CE 2019

262

Ik zou willen dat je toén met je snelle schip was gekomen, toen mijn maagdelijkheid door duizend aanbidders werd verlangd. Als ik jou had gezien, zou jij de eerste van de duizend geweest zijn: mijn man zelf zal mij vergiffenis geven voor mijn oordeel. Je komt te laat bij de al bezette en eerder (in)genomen vreugdes: je hoop was langzaam; wat je verlangt, heeft een ander.

10 e. Laat mij alsjeblieft met rust (p.134)

263 of 297

CE 2019

263

Ook al zou ik echter jouw echtgenote wensen te worden, Trojaan, ook Menelaüs heeft mij toch niet tegen mijn zin. Houd op, ik smeek je, met woorden mijn weke hart te verscheuren en doe mij geen kwaad, van wie jij zegt te houden; maar laat mij toe het lot te beschermen/behouden dat Fortuna mij toekende en begeer niet de schandelijke buit van mijn eer.

10 e. Laat mij alsjeblieft met rust (p.134)

264 of 297

CE 2019

264

Maar (zeg je), Venus heeft dit beloofd, zodra in de dalen van de hoge Ida drie godinnen zich naakt aan jou presenteerden, en toen één heerschappij, de ander/tweede oorlogsroem gaf, zei zij als derde: ‘Je zal de echtgenoot van Helena zijn.’

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

265 of 297

CE 2019

265

Ik kan werkelijk nauwelijks geloven dat de hemelse machten hun schoonheid aan jouw oordeel hebben onderworpen. En ook al is dit waar, het andere deel is zeker verzonnen, waarin ik gezegd word/men zegt dat ik gegeven ben als prijs van het oordeel.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

266 of 297

CE 2019

266

Mijn vertrouwen in mijn lichaam is niet zo groot, dat ik meen dat ik, met een godin als getuige, het grootste geschenk was. Mijn schoonheid is (ermee) tevreden om door/in de ogen van mensen goedgekeurd te worden; de lofprijzing van Venus is voor mij afgunst opwekkend/wekt afgunst jegens mij op.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

267 of 297

CE 2019

267

Maar ik verzwak het/die lofprijzingen helemaal niet, ik sympathiseer ook/zelfs met die lofprijzingen: want waarom zou/moet mijn stem ontkennen, wat zij begeert te zijn? En wees jij niet boos omdat jij al te zeer met moeite door mij wordt geloofd: geloof/vertrouwen pleegt langzaam te zijn bij grote/belangrijke zaken.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

268 of 297

CE 2019

268

Mijn eerste genoegen is het dus in de smaak te zijn gevallen bij Venus, mijn dichtstbijzijnde/volgende genoegen is het dat ik aan jou de grootste beloning toescheen te zijn, en jij noch de eerbewijzen van Pallas en jij noch de eerbewijzen van Juno verkozen hebt toen je (van) de charmes van Helena gehoord/vernomen had.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

269 of 297

CE 2019

269

Ik ben/beteken dus moed voor jou, ik ben/beteken voor jou edele heerschappij; ik zou van ijzer zijn, als ik niet van dit hart zou houden. Van ijzer, geloof mij, ben ik niet; maar ik verzet me ertegen om diegene te beminnen van wie ik meen dat hij nauwelijks de mijne kan worden.

10 f. Ik kan nauwelijks geloven dat Venus mij de mooiste vindt (p.136)

270 of 297

CE 2019

270

De vertalingen!

3 a. Apollo beledigt Cupido (p.26)

Mijn leven

271 of 297

CE 2019

271

Opdat jij weet wie ik was, die bekende speelse zanger van liefdesgedichten, die jij leest, luister nageslacht. Sulmo is mijn vaderland, zeer rijk aan koude stromen, die negen keer tien/negentig mijl van de stad verwijderd is. Hier ben ik geboren, en, opdat jij de tijd kent: toen beide consuls door/in een gelijk lot zijn gevallen:

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

272 of 297

CE 2019

272

als dit van enig belang is, onafgebroken vanaf mijn voorvaderen een oude erfgenaam van de rang van ridders, niet kort geleden door het geschenk van het lot ridder geworden. En niet was ik het eerste kind; ik kwam ter wereld, nadat mijn broer was voortgebracht, die viermaal drie maanden eerder was geboren.

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

273 of 297

CE 2019

273

Dezelfde dag was er voor de geboortedagen van (ons) beiden: één dag werd gevierd door middel van twee offerkoeken. Deze is een van de vijf feestdagen voor de krijgshaftige Minerva, die gewoon is als eerste met bloed bevlekt te worden door het gevecht.

11 a. Ovidius’ afkomst en geboorte (p.144)

274 of 297

CE 2019

274

Dadelijk worden wij, nog heel jong, gevormd en door de zorg van onze vader gaan wij naar de op grond van hun vakkennis bekende mannen van de stad. Mijn broer legde zich vanaf jeugdige leeftijd toe op de welsprekendheid, geboren tot/voor de krachtige wapens van het woordenrijke Forum; maar bij mij reeds als jongen vielen de hemelse erediensten in de smaak en de Muze trok mij heimelijk naar haar werk.

11 b. Ovidius krijgt onderwijs; hij verliest zijn broer (p.146)

275 of 297

CE 2019

275

Vaak zei mijn vader: ‘Waarom laat jij je in met een belangstelling die niets oplevert? Zelfs de Maeonische heeft geen rijkdom achter-/nagelaten.’ Ik was door zijn woorden bewogen/beïnvloed, en nadat ik de gehele Helicon had verlaten, probeerde ik woorden te schrijven vrij van versmaat. Vanzelf kwam het lied tot geschikte maten, en wat ik probeerde te zeggen, was een vers.

11 b. Ovidius krijgt onderwijs; hij verliest zijn broer (p.146)

276 of 297

CE 2019

276

Intussen, toen de jaren in zwijgende pas voortschreden, werd door mijn broer en mij de toga van een vrijer leven (aan)genomen, en het purper met brede zoom wordt over onze schouders aangetrokken en onze liefhebberij, die er vroeger was, blijft bestaan. En reeds had mijn broer tien jaar van zijn leven verdubbeld, toen hij (plotseling) omkomt/omkwam, en ik begon een deel van mijzelf te missen.

11 b. Ovidius krijgt onderwijs; hij verliest zijn broer (p.146)

277 of 297

CE 2019

277

En wij namen de eerste ereambten behorend bij onze jeugdige leeftijd op ons en van een college van driemannen was ik eens één deel. Het senaatsgebouw stond (mij) nog te wachten: de maat van de zoom werd/is versmald; die last was groter dan/te groot voor onze krachten.

11 c. Ovidius vindt zichzelf niet geschikt voor een politieke carrière (p.148)

278 of 297

CE 2019

278

En niet was mijn lichaam opgewassen (tegen het werk), en niet was mijn geest geschikt voor werk, en ik vluchtte weg voor de zorgen brengende eerzucht, en de zusters van Aonië raadden mij aan om de veilige rust te zoeken, altijd door mij bemind.

11 c. Ovidius vindt zichzelf niet geschikt voor een politieke carrière (p.148)

279 of 297

CE 2019

279

Ik heb de dichters van die tijd geëerd en gekoesterd, en ik meende dat er goden waren zoveel als er dichters waren. Vaak las Macer, ouder in/van leeftijd mij zijn vogels voor, en de slang die/welke slang schadelijk is, het kruid dat/welk kruid helpt, vaak was Propertius gewoon om zijn hartstochtelijke liefdesgedichten voor te dragen, op grond van de vriendschap/het genootschap, waardoor hij met mij was verbonden.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

280 of 297

CE 2019

280

Ponticus beroemd door zijn epische versmaat, ook Bassus beroemd door zijn iamben waren aangename leden van mijn vriendenkring. En Horatius, rijk aan versmaten, boeide onze oren, terwijl hij zijn verfijnde liederen tokkelt op de Italische lier. Ik heb Vergilius slechts gezien: en niet heeft het hebzuchtige lot aan Tibullus tijd gegeven voor vriendschap met mij.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

281 of 297

CE 2019

281

Deze was de opvolger van jou, Gallus, Propertius van hem; ik was zelf de vierde na dezen in de opeenvolging van de tijd. En zoals ik de ouderen eerde, zo eerden de jongeren mij, en mijn Thalia is niet langzaam/snel bekend geworden.

11 d. Ovidius laat zich inspireren door andere dichters (p.150)

282 of 297

CE 2019

282

Toen ik voor het eerst voor een publiek/in het openbaar mijn jeugdgedichten voorlas, was mijn baard of tweemaal of eenmaal geschoren. De door de hele stad bezongen Corinna had mijn talent geïnspireerd, die niet door mij met haar echte naam werd genoemd/aangeduid. Veel heb ik weliswaar geschreven, maar wat ik als gebrekkig beschouwde, gaf ik zelf (prijs) aan het vuur om te verbeteren/ter verbetering.

11 e. Ovidius als dichter (p.152)

283 of 297

CE 2019

283

Toen heb ik ook, toen ik in ballingschap ging, enkele dingen die in de smaak zouden vallen, verbrand, boos op mijn passie en mijn gedichten. Mijn hart was zacht/gevoelig en niet onbedwingbaar door/voor de wapens van Cupido en zodanig dat een onbeduidende oorzaak/aanleiding het deed ontvlammen. Hoewel ik zo was en aangestoken werd door het kleinste vuur, was toch geen enkel geroddel verbonden met onze naam.

11 e. Ovidius als dichter (p.152)

284 of 297

CE 2019

284

Aan mij, bijna nog een jongen, is een vrouw, noch (mij) waardig noch nuttig, gegeven, die gedurende korte tijd (met mij) getrouwd was. Haar volgde een echtgenote op, hoewel onbesproken, toch niet bestemd om standvastig te zijn/die toch niet standvastig zou zijn in het huwelijk met mij.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

285 of 297

CE 2019

285

De laatste, die bij mij bleef (tot) in mijn oude jaren, hield het uit een echtgenote te zijn van een verbannen man. Mijn dochter, tweemaal moeder geworden in haar eerste jonge jaren, maar niet van één echtgenoot, heeft mij (tweemaal) tot grootvader gemaakt.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

286 of 297

CE 2019

286

En mijn vader had reeds zijn lot vervuld en had aan negen lustra een andere/tweede negen lustra toegevoegd. Ik huilde niet anders, dan hij gehuild zou hebben om mij als ik (hem) ontrukt was/om mijn dood; kort daarop bracht ik mijn moeder de laatste eer.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

287 of 297

CE 2019

287

Beiden zijn gelukkig en op tijd begraven, omdat zij zijn omgekomen vóór de dag van mijn straf! Gelukkig (ben) ook ik, omdat ik niet tijdens hun leven ellendig ben, en omdat zij over mij geen enkel verdriet hadden.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

288 of 297

CE 2019

288

Als er toch behalve namen iets voor de doden overblijft, en een ijle schim de opgerichte brandstapel ontvlucht: als, schimmen van mijn ouders, mijn reputatie jullie bereikt heeft en er aanklachten tegen ons/mij zijn op het forum/de markt van de Onderwereld, weet, ik smeek (u), dat de reden (want niet is het geoorloofd aan mij jullie te bedriegen) van mijn opgedragen ballingschap een vergissing, geen misdaad was.

11 f. Ovidius’ familieleven (p.154)

289 of 297

CE 2019

289

Dit is genoeg aan/voor de schimmen: naar jullie, belangstellende harten, keer ik terug, jullie die vragen naar de daden van mijn leven. Reeds was voor mij grijsheid gekomen, toen de betere jaren verdreven waren, en had zij de oude haren vermengd, …

11 g. In ballingschap (p.156)

290 of 297

CE 2019

290

en na mijn geboorte had de overwinnende ruiter/menner, omkranst met de olijfkrans uit Pisa, tienmaal de prijs weggehaald/verkregen, toen (plotseling) de woede van een gekwetste keizer/vorst mij beveelt de inwoners van Tomi, geplaatst/gevestigd aan de linkeroever van de Zwarte Zee, te zoeken.

11 g. In ballingschap (p.156)

291 of 297

CE 2019

291

De reden van mijn ondergang, maar al te zeer aan allen bekend, moet/mag niet door mijn aanwijzing worden geopenbaard. Wat moet ik berichten over/Waarom moet ik berichten de trouweloosheid van mijn vrienden en (over) de slaven die kwaad deden? Ik heb veel verdragen, niet lichter dan mijn ballingschap zelf. Mijn geest hield het voor onwaardig om te bezwijken onder het ongeluk/de ellende en bewees zich onoverwinnelijk, gebruik makend van zijn eigen krachten;

11 g. In ballingschap (p.156)

292 of 297

CE 2019

292

mezelf vergetend en het leven, geleid in rust, nam ik de wapens op die de omstandigheden mij oplegden met een hand die er niet aan gewend was. Zoveel ongevallen/ongeluk op het land en zee heb ik verdragen als (er) sterren (zijn) tussen de verborgen en zichtbare pool. Eindelijk werd door mij, voortgedreven door lange omzwervingen de Sarmatische kust bereikt grenzend aan de pijlkokerdragende Geten.

11 g. In ballingschap (p.156)

293 of 297

CE 2019

293

Hier verlicht ik, hoewel ik omgeven word door (het geluid van) wapens van nabij, mijn droeve lot(gevallen) met mijn poëzie, (het enige) waarmee ik dat kan. (En) hoewel er niemand is, aan wiens oren deze voorgelezen wordt/kan worden, zo verdoe ik en verdrijf ik toch de dag/tijd.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

294 of 297

CE 2019

294

Dus omdat ik leef en weerstand bied aan mijn zware ellende, en afkeer van het onrustige leven mij niet vasthoudt/beheerst, dank ik u, Muze: want u verschaft troost, u komt als rust van zorg, u komt als geneesmiddel.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

295 of 297

CE 2019

295

U bent gids en vriend, u leidt ons weg van de Hister, en u geeft mij een plaats midden op de Helicon; u hebt mij, wat zeldzaam is, tijdens mijn leven een verheven naam gegeven, die roem gewoon is na de dood te geven. En niet heeft Afgunst, die afbreekt wat aanwezig is, met zijn vijandige tand geknaagd aan enig werk van de onze.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

296 of 297

CE 2019

296

Want hoewel onze generatie/ons tijdperk grote dichters heeft voortgebracht, was roem niet te zuinig voor mijn talent, en hoewel ik velen boven mij stel, word ik niet minder dan zij genoemd en word ik over de hele wereld zeer veel/het meest gelezen.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)

297 of 297

CE 2019

297

Als de voorspellingen van de dichters dus iets van waarheid bevatten, dan zal ik, ook al sterf ik aanstonds, niet de jouwe zijn, aarde. Hetzij door uw gunst, hetzij door mijn poëzie heb ik deze roem verworven, met recht zeg ik jou dank, welwillende lezer.

11 h. De poëzie als troost en onsterfelijke roem (p.158)