1 of 28

Woordenschat

2 of 28

Woordenschat

Je woordenschat bestaat uit alle kennis

die je hebt van de woorden die je kent.

​

​

​

3 of 28

Woordenschat

​

​

= Niet enkel een rijtje woorden in je hoofd maar een hele cluster aan woorden die jij aan een bepaald woord linkt.

​

​

​

4 of 28

Woordenschat

​

​

Informatie over woorden die ongeveer hetzelfde betekenen.

groot- enorm -mega

reusachtig- omvangrijk

​

Informatie over woorden die het tegenovergestelde van elkaar zijn.

open - gesloten

snel - langzaam

betalen - ontvangen

opbouwen - afbreken

= Informatie over woorden die met elkaar te maken hebben

betalen - geld - cash - contactloos

vuur - heet - vlam - blussen

herfst - regen - kastanjes - Indian summer

opbouwen - groeien - toekomst

​

5 of 28

Woordenschat

​

​

= Een ingewikkeld ‘netwerk’

Hoe groter het netwerk, hoe beter het tekstbegrip / begrijpen van instructies

​

​

6 of 28

Woordenschat

Leerlingen met kleine woordenschat

​

moeite met tekstbegrip / begrijpen instructies

​

  • minder motivatie om te lezen / luisteren
  • geen verdere uitbreiding woordenschat
  • leerachterstand / geen motivatie

​

​

​

​

7 of 28

Woorden: drie groepen

vaste combinaties

03

uitdrukkingen, spreekwoorden en gespreksformules

bv de boot afhouden, na regen komt zonneschijn, met hart en ziel,

ik dacht het niet

​

collocaties

02

veel voorkomende woordcombinaties

bv de tafel dekken, een beslissing nemen, supporteren voor, …

​

individuele woorden

01

  • hoogfrequente woorden
  • 5000 meest gebruikte woorden op school en daarbuiten
  • nodig om minder frequente woorden te kunnen verklaren

schooltaalwoorden (bv. samenvatting, berekenen, bespreken, secretariaat)

vaktaalwoorden (gewricht, diode, moersleutel, erlenmeyer,...)

​

8 of 28

Woordenschat

kennis ruime woordenschat is belangrijk

​

  • 95 % van de woorden in een tekst kennen om tot tekstbegrip te komen.
  • verdere uitbreiding woordenschat door afleiding uit context

​

​

​

9 of 28

Woordenschat

​

​

In de stille glochternacht van Frinovia, waar de lumbraferen zachtjes fladderen, wandelde een klarspeer door de felnoveld. De zilvige vistralen van de moorzon spiegelden op het vlakke salterenmeer, terwijl de bruftige luchteems boven hem woelden. Zijn boemtig klopte als een tinstreel, vol verwachtingen en zorlige gedachten.

Hij was op zoek naar de geheimzinnige farvelka, een kristal waarvan gezegd werd dat het alle lughteren zou vrijlaten. Onderweg ontmoette hij een kaarfel, een wezen met glinsterogen en kronkelige bolpanten, die hem de weg naar het snerwoud wees. De grond was bedekt met flismaten en de lucht rook naar ziltige gravemorgels.

Op elke hoek hoorde hij het fluisteren van de vrotsel, onzichtbare wezens die in de schaduwen van de galvebomen leefden. Het pad kronkelde verder, en de klarspeer voelde de zintrums van de grotbaan roepen, wetend dat zijn reis naar het hart van de toorbelking bijna voltooid was.

10 of 28

Woorden aanleren

Dit doen we door middel van het viertaktmodel of vierfasenmodel van Verhallen.

​

​

​

11 of 28

12 of 28

Fase 1: Voorkennis activeren

Hoe doe je dat? Enkele voorbeelden.

​

13 of 28

Fase 1: Voorkennis activeren

Hoe doe je dat? Enkele voorbeelden.

​

Brainstormen

Vraag leerlingen om alles te delen wat ze al weten over een onderwerp voordat je het nieuwe woord introduceert. Bijvoorbeeld, voorafgaand aan woorden zoals"julienne en brunoise", kun je vragen: "Wat weten jullie over het snijden van groenten? Op welke manieren kan je groenten snijden?

​

Korte verhalen of anekdotes

Begin met een kort verhaal of persoonlijke ervaring die verband houdt met het nieuwe woord. Bij nieuwe woorden die verband houden met infecties kun je bijvoorbeeld vertellen over die keer dat je zelf goed ziek was en vragen naar verhalen uit de klas.

​

​

14 of 28

Fase 1: voorkennis activeren

Mindmaps

Laat leerlingen een mindmap maken over een onderwerp. Voor "dieren" kunnen ze verschillende soorten dieren opschrijven en hun kenmerken, wat helpt bij het introduceren van specifieke woorden zoals "habitat" of "voeding”.

​

Korte filmpjes of afbeeldingen

Toon een afbeelding of een kort filmpje dat verband houdt met het nieuwe woord. Bijvoorbeeld, bij "oceaan" kun je een filmpje van het zeeleven laten zien en daarna vragen wat ze al weten over de oceaan.

15 of 28

Fase 2: betekenis geven

16 of 28

Fase 2: betekenis geven

Hoe doe je dat? Gebruik drie manieren.

​

uitleggen

​

​

​

In een skelet zitten gewrichten, bijvoorbeeld het kniegewricht. Een gewricht is de verbinding tussen twee botten die bewegen ten opzichte van elkaar. Geef eens voorbeelden van gewrichten,.... .

Inderdaad dat zijn allemaal gewrichten. Bij je heup komen je bovenbeen en je bekken bij elkaar en zo kan je je bovenbeen bewegen.

Wie weet er hoe gewrichten aan elkaar zitten? …

Ja dat klopt, pezen en gewrichtsbanden verbinden de botten aan elkaar en vormen mee het gewricht.

​

​

​

​

​

17 of 28

Fase 2: betekenis geven

Hoe doe je dat? Gebruik drie manieren.

​

woord en beeld

​

tornado

​

​

​

​

​

​

​

​

​

18 of 28

Fase 2: betekenis geven

Hoe doe je dat? Gebruik drie manieren.

​

uitbreiden

​

​

​

​

​

​

​

​

​

rustig

kalm

beheerst

stil

​

rustig

heftig

onrustig

druk

​

rustig

aangename sfeer

bijleren

concentratie

​

19 of 28

Fase 3: vastzetten

Ga ervan uit dat men een woord zo'n 7 keer moet zien of horen, in verschillende situaties, voordat men het woord heeft geleerd.

Bij taalzwakke leerlingen kun je dit met gemak verviervoudigen!

20 of 28

Fase 3: vastzetten

Hoe doe je dat?

​

woordenschrift maken / integreren in cursus

​

​

​

​

​

21 of 28

Fase 3: vastzetten

Hoe doe je dat?

​

woordenschrift maken / integreren in cursus

​

​

​

​

​

22 of 28

Fase 3: vastzetten

Zinnenmix

Geef een lijst van nieuwe woorden.�Laat leerlingen zelf zinnen maken waarin ze die woorden correct gebruiken.�Laat ze daarna elkaars zinnen verbeteren of evalueren: Is het woord correct gebruikt?

Voorbeeldoefeningen

​

Quiz met meerkeuze of waar/niet waar

​

Organiseer een quiz of spel (zoals Kahoot!) waarin leerlingen vragen beantwoorden over de nieuwe woorden.

​

Bijvoorbeeld: "Wat is de betekenis van 'stijgen'? A) Dalen B) Toenemen C) Veranderen."

23 of 28

Fase 4: controleren

Zie je bij het controleren dat een woord er niet helemaal is blijven hangen, ga dan terug naar de fase van consolideren of semantiseren. Bekijk per keer wat nodig is.

​

Toets 2 tot 3 keer.

24 of 28

Fase 4: controleren

Vergeetcurve van Ebbinghaus

25 of 28

Fase 4: controleren

Hoe doe je dat? Enkele voorbeelden

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

Definitievragen

Vraag leerlingen om de definitie van het nieuwe woord in hun eigen woorden te geven.

Bijvoorbeeld: "Wat betekent het woord 'ecosysteem' voor jou?"

​

​

Zinnen maken

Laat leerlingen zinnen formuleren met het nieuwe woord.

Bijvoorbeeld: "Gebruik het woord 'avontuur' in een zin."

​

​

26 of 28

Fase 4: controleren

Hoe doe je dat? Enkele voorbeelden

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

Synoniemen en tegengestelden vragen

Vraag leerlingen om synoniemen of tegengestelden te geven van het nieuwe woord.

Bijvoorbeeld: "Noem een synoniem voor 'mooi' en geef het tegengestelde ervan."

​

Korte uitleg of beschrijving vragen

Laat leerlingen het nieuwe woord uitleggen in de context van een specifieke situatie.

Bijvoorbeeld: "Leg uit wat 'klimaatverandering' betekent en geef een voorbeeld."

​

​

27 of 28

Fase 4: controleren

Hoe doe je dat? Enkele voorbeelden

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

Rollenspel

​

Organiseer een rollenspel waarin leerlingen het nieuwe woord gebruiken in een gesprek of scenario.

Bijvoorbeeld: "Speel een scène waarin je een uitlegt aan een klant welke soorten verlichting er bestaan.

​

​

​

​

​

28 of 28

Is het aan jullie om te oefenen.

​

  • Maak groepjes van drie.
  • Kies bij voorkeur collega’s binnen jouw vakgroep.
  • Bekijk de meegebrachte woorden van elkaar.
  • Kies drie woorden uit.
  • Werk het aanleren van deze woorden concreet uit aan de hand van het viertaktmodel.

​

​

​

​

​

​

Tot slot