Het Evangelie
van Jezus Christus
naar
Matteüs
&
Marcus
1
Hoe ziet de avond eruit?
Les 1 De historische Jezus
Les 2 Het Nieuwe Testament
Les 3 De Messiasverwachting en de Here Jezus
Les 4 Het Evangelie naar Matteüs
Les 5 Het Evangelie naar Marcus
Les 1: De historische Jezus
3
Jezus van Nazareth was een keerpunt in de geschiedenis
geboorte een christelijke jaartelling is ingevoerd: v.Chr. en n.Chr., een nieuw ijkpunt
Een chronologie van Jezus’ leven:
Jezus leefde in het door Jahweh aan Zijn volk Beloofde Land: Israël
Het Romeinse Rijk heeft het land Israël bezet vanaf 63 vóór Christus. Het dagelijks leven van de Joden werd toen in grote mate bepaald door de Romeinen en hun keizers. Jezus werd omstreeks 6 tot 4 v. Chr. in Israël geboren en leefde daar ook tot Hij door de Romeinen ca. 30 n. Chr. werd vermoord door kruisiging op Golgotha, een heuvel buiten Jeruzalem, de stad die samen met de Tweede Tempel door de Romeinen werd verwoest in 70 n. Chr. terwijl zij het land Israël vanaf dat moment in Palestina hebben omgedoopt!
Romeinse keizers | gedurende de Evangeliën en Handelingen |
| |
Augustus1 | 27 v.Chr.-14 na Chr. |
Tiberius1 | 14-37 na Chr. |
Gaius (bijnaam: Caligula) | 37-41 na Chr. |
Claudius1 | 41-54 na Chr. |
Nero | 54-68 na Chr. |
Galba, Otho, Vitellius | 68-69 na Chr. |
Vespasianus2 | 69-79 na Chr. |
| |
1 Wordt in de Bijbel met name vermeld. | 2 Vespasianus heette voluit: Titus Flavius Vespasianus. Met en door middel van zijn zoon Titus belegerde hij Jeruzalem eind 69 en verwoestte hij Jeruzalem in het jaar 70. |
Omvang van het rijk ten tijde van Augustus (63 v.C - 14 n.C.).
Het Romeinse rijk:
Eén van de 4 wereldrijken uit Daniël 2
en voorloper van het beest (Op.17:8)!
Jezus maakte deel uit van de Joodse gemeenschap
Jezus werd als Jood in Israël geboren want sinds de terugkeer uit de Babylonische ballingschap leefden er weer Joden in het Beloofde Land. En dankzij de herbouw van de Tempel herleefde ook het Jodendom. Het grootste deel van de Joden leefde in de diaspora, maar de Joodse gemeenschap in Israël groeide. Zij leefden er geheiligd (apart) van alle andere volken (ook de Romeinen!), door de Thora (Wet) en de Tempel, in verwachting van de komst van hun Verlosser (Messias).
Jezus werd geboren in Bethlehem maar leefde tot aan Zijn bediening als timmerman in het dorp Nazareth. Hij verzette Zich niet tegen de Romeinse bezetter en als Jood hield Hij Zich aan de Joodse gewoonten en gebruiken. Jezus eerbiedigde de Wet van Mozes (Mt.23:2-3!), de Joodse Feesten en de sabbat, bezocht de Tempel in Jeruzalem en wekelijks een synagoge. Hij leefde als een Jood onder de Joden en Zijn bediening was beperkt tot de Joden (Mt.15:24; Rom.15:8).
Dè Jood bestaat echter niet net zomin als dè Nederlander. Ze hadden bijvoorbeeld verschillende nationaliteiten en in Israël waren er in die tijd vier stromingen ontstaan die het religieuze en politieke leven bepaalde: Farizeeën, Sadduceeën, Essenen en Zeloten. Toch behoorde Jezus tot geen enkele stroming! Jezus stond apart van iedereen.
En Hij confronteert allen: Farizeeën, Sadduceeën, Herodianen, Schriftgeleerden,
Oudsten, Overpriesters, Romeinen, Tollenaars, Zondaren, Zeloten en Essenen.
Jezus Zelf werd het begin van een nieuwe religieuze stroming binnen het Jodendom:
mensen van de Weg (Hand.9:2), later Christenen genoemd (Hand.11:26).
Les 2: Het Nieuwe Testament
7
De Joodse wortels van het Nieuwe Testament
Tijdens de bediening van Jezus ontstond er een groeiende groep Joden om Hem heen die geloofden dat de Messias, waar het Joodse volk al eeuwenlang verwachtingsvol naar uitzag, gekomen was in de persoon van Jezus van Nazareth.
Jezus begon met een groep van 12 Joden Die Hij had uitverkoren en geroepen als Zijn discipelen.
Later werd de naam Apostel (‘gezondene’) gebruikt voor deze 12 leerlingen van Jezus omdat ze vertrouwd waren met Zijn persoon, prediking en methoden en van Hem konden getuigen in de wereld. De eerste vereiste voor het apostelschap was dan ook dat men de Heer (d.w.z. Jezus) moest hebben gezien. (zie extra info RR12 De twaalf apostelen).
Het getuigenis van degenen die ‘de Heer hadden gezien’ vormde de stof voor de geschriften van het Nieuwe Testament (Luc.1:1-2).
Het leven van Jezus, zoals beschreven in de Evangeliën van het NT, is voor een aanzienlijk deel te herleiden tot de Joodse Tenach, de essentiële sleutel om het NT te begrijpen. De Tenach of
Hebreeuwse Bijbel (OT) was met de laatste ‘kleine’ profeet Maleachi klaar, vier eeuwen vóór onze jaartelling. De Tenach werd vanaf de 3e eeuw v.Chr. in het Grieks vertaald (LXX) maar het ontzag voor de heilige Tenach was zo groot zegt Flavius Josephus, dat niemand in de loop der eeuwen de moed had er iets aan toe te voegen of van af te doen. De Joden hebben het NT dan ook nooit toegevoegd aan de Tenach.
De Bijbel bestaat uit twee delen: 2 Testamenten
Zo’n 50 jaar na de geboorte van Christus kende men alleen de Tenach want er was nog geen letter van het NT geschreven. Totdat verschillende mensen zonder overleg over Jezus begonnen te schrijven, vaak ver van elkaar vandaan, over verschillende onderwerpen en vanuit verschillende gezichtshoeken! (zie extra info RR12: Overzicht Nieuwe Testament)
Tegen het einde van de 1e eeuw n. Chr. waren de 4 Evangeliën geschreven en in één Griekstalige boekrollenbundel samengevoegd: ‘Het Evangelie’ genoemd. Ook de brieven van apostel Paulus werden gebundeld, onder de titel ‘De Apostel’. Samen met de brieven van andere apostelen, werden zij erkend als goddelijk van oorsprong en opgenomen in de Christelijke canon: nu het Nieuwe Testament. Bij christenen bestond hier niet alleen grote eerbied voor maar ook voor de Tenach, dat daarom onveranderd werd toegevoegd (aan het NT). Samen vormen de twee delen van Gods Woord één Christelijke Bijbel (LXX) oftewel de ‘Heilige Schrift’. (Zie ook extra info RR6: Ontstaan Canon van het Oude Testament.)
Het woord ‘Testament’ is Latijn en betekent ‘Verbond’. Het OT betekent niet dat dit verouderd of niet van belang is (christelijk anti-judaïsme) maar dat God het Oude of Eerste Verbond sloot met de mens/Israël op grond van verdienste terwijl God het Nieuwe of Tweede Verbond sloot op grond van het verlossingswerk door Jezus Christus en uit genade schenkt :
want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. (Mt.26:28 HSV)
Protestantse canon Nieuwe Testament (27 boeken)
10
Evangeliën | Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes |
Handelingen | Handelingen |
Paulinische brieven | Romeinen, 1+2 Corinthiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, Colossenzen, 1+2 Thessalonicenzen, 1+2 Timotheüs, Titus en Filemon. |
Algemene brieven | Judas, Jacobus, 1+2 Petrus, Hebreeën en 1+2+3 Johannes |
Openbaring | Openbaring |
Zie ook extra info RR12: De Nieuwtestamentische apocriefen
Hèt Evangelie is de boodschap dat Jezus van Nazareth de Messias is
‘Evangelie’ is Grieks en betekent ‘goed nieuws’ of ‘heilbrengende boodschap’. Het goede nieuws dat de vier Evangeliën brengen, is dat Jezus van Nazareth de door God’s Tenach beloofde Verlosser en Koning is: de Messias (Christus=Grieks). Hèt ‘Evangelie’ verkondigt Jezus de Christus:
1. Het is een blijde boodschap over de Christus (1 Kor 1:9 en Joh 17:3)
2. Het verkondigt dat in Jezus Gods beloften en voorzeggingen worden vervuld!!
3. Het is een algemene oproep van Jezus Christus: Komt allen tot Mij
De Evangeliën zijn niet vier verschillende ‘blijde boodschappen’ maar getuigenissen van één gebeuren. Er is slechts één Evangelie in vier verschillende vormen. De Evangeliën bevatten niet allemaal dezelfde verhalen over het leven van Jezus. Het Evangelie naar Matteüs bijvoorbeeld bevat als enige Evangelie teksten die betrekking hebben op de kerk (Mt.16:18; 18:17) en Bijbelgedeelten zoals de wijzen uit het oosten (2:1-12), de wijze en de dwaze meisjes (25:1-13) en Jezus’ uitnodiging tot mensen die vermoeid en belast zijn (11:28-29).
Van de vier Evangeliën behoren Matteüs en
Marcus met Lucas tot de synoptische Evangeliën
(synoptisch betekent: samen zien) omdat zij
onderling veel overeenkomsten hebben qua stof,
volgorde en verloop van gebeurtenissen, terwijl
het Evangelie naar Johannes een heel eigen
karakter heeft.
(Zie ook extra info RR12: De verhaallijnen in de vier
evangeliën over het leven van Jezus.)
KORTE DUIDING VAN DE 4 EVANGELIËN
Matteüs Marcus Lucas Johannes
Tussen 50-70 n.Chr rondom 60 n.Chr rondom 60 n.Chr tussen 80 en 100 n.Chr
Jezus als:
Koning dienstknecht mens God
Koning vd Joden Zoon des mensen Redder van de wereld Zoon van God
Voor nieuwe nieuws over Jezus: heidenen moeten volharding in geloof
gelovigen, ga geloven in Hem Jezus leren kennen in Jezus; weerlegging
discipelschap foute leringen
Messias, de Nederige slaaf en universeel, richt zich heerlijkheid als Zoon van
beloften vervuld profeet is tot hele mensheid; de Vader; IS en GEEFT
Zoon van God Zoon des mensen leven aan hen die
en mens van God geloven
Symbool Evangelisten
Matteüs: mens
Marcus: leeuw
Lukas: rund
Johannes: arend
Les 3 De Messiasverwachting en de Here Jezus
13
De Messias verbindt NT met OT
Het Evangelie naar Matteüs wordt de verbindende schakel tussen NT en OT genoemd maar
feitelijk is dit de Messias en de Messiaanse profetieën:
Deze voorzeggingen hebben geleid tot een Messiasverwachting.
de verwachte Messias is Jezus, de Christus. (Jezus is de eigennaam en ‘messias’ de titel of ambt).
Het Nieuwe Testament is in het Oude verhuld, het Oude Testament is in het Nieuwe vervuld. (Augustinus)
In deze zin vormen beide Testamenten voor veel christenen een volmaakte eenheid.
In het OT is sprake van het uitzien naar een komende Verlosser, Die de problemen van de mensheid zal oplossen en Die een eeuwige gerechtigheid zal brengen. De profeten profeteerden over deze persoon en Israël leefde in de verwachting van zijn komst. Over deze beloofde Messias wordt in de Schriften van het OT tot in details geschreven. Het gaat hierbij om ongeveer 330 verbazingwekkend nauwkeurige profetieën die letterlijk vervuld zijn in de historische Jezus van Nazareth (Roger Liebi).
Toch komt de term Messias in het OT alleen voor in Dan.9:25-26 als een titel van iemand die voor een taak geroepen wordt, een redder van het volk (niet dè redder), een messias dus.
De Messias, als term voor dè Gezalfde en Verlosser Die heil komt brengen (Christos of gezalfde is Grieks) komt pas in de eerste eeuw van onze jaartelling voor, o.a. in het NT (Joh.1:41-42; 4:25). Soms met lidwoord: ‘de Christus’ (Luc.24:26). In ons spraakgebruik is het lidwoord enigszins verdwenen. Wij gebruiken ‘Christus’ eerder als een eigennaam, maar dat is een latere ontwikkeling.
De Christus scheidt Christendom van Jodendom
De bron, de oorsprong van de Messiaanse profetieën is Jahweh, de God van Israël. De profeten in het OT hebben door goddelijke inspiratie Zijn woorden van voorkennis gesproken over de toekomst en Gods ingrijpen in deze wereld. Volgens een Joodse telling zijn er in totaal 456 messiaanse teksten: [75 in de Thora, 243 in de profeten en 138 in de Geschriften: veel plaatsen kan je alleen meetellen door associatief te werk te gaan.] Ook de rabbijnen hebben dus een verwachting van een toekomstige Messias door Wie alle mensen zullen weten dat God de Verlosser, de Heilige en Almachtige is (Jes.49:26). Daarbij speelt het volk Israël en het land Israël (Jeruzalem/Sion) een cruciale rol en bovendien is de Messias een Jood, of zoals Jezus zei: ‘Het heil is uit de Joden’ (Joh.4:22). De slotsom is: wij kunnen alleen tot Christus komen dankzij het Joodse volk.
De Joden geloven echter niet dat de Messias al gekomen is noch dat Jezus de Christus is.
Ze geloven wel dat er allerlei messiassen zijn opgestaan zoals Bar Kochba (zie Hand.5:36-37 en Flavius Josephus). Voor Joodse geleerden zoals Lapide en Flusser is Jezus wel een messias, een gezalfde, maar niet de grote Verlosser!
Waarom ziet het Jodendom Jezus niet als dè Messias c.q. dè Christus?
Bar Kochba bestreed de Romeinen in 132-135 n.Chr.
Jezus vervulde niet alle profetieën !
Het Jodendom wijst een vervulling van de messiaanse profetieën in Jezus van Nazaret af omdat de volgende voorzeggingen nog niet vervuld zijn:
Lapide stelt dat zolang deze 11 profetische toekomstbeloften niet dichterbij hun vervulling komen d.w.z. zichtbaar en openbaar voor de wereld, het voor een Thoragetrouwe Jood onmogelijk is te geloven dat het messiaanse tijdperk reeds is aangebroken.
Christenen echter maken onderscheid tussen beloften die vervuld zijn tijdens de eerste komst van de Heiland en nog te vervullen beloften bij Zijn tweede komst. Op dit moment is er een tussentijd, waarbij Christus vanuit de hemel met Zijn Geest de gemeente nabij is en toewerkt naar zijn zichtbare Koninkrijk in de toekomst, en worden niet vervulde Bijbelteksten o.a. betrokken op ‘de verspreiding van het Evangelie over de gehele wereld’.
Waarom geloven wij (wel) dat Jezus de Christus is?
Jahweh gaf met de Tenach honderden profetieën m.b.t. de Messias en Zijn komst. Het NT openbaart dat deze eeuwenoude beloften wijzen naar en vervuld zijn door de Persoon Jezus Christus, de ware en enige Weg voor de mens tot God. Door het onderwijs van Jezus en de apostelen, kunnen wij weten wat in de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen geschreven staat over de Messias (Luc.24:44) en de Schriften bewijzen dat Jezus van Nazareth de beloofde Messias is (Hand.9:22:18:28).
Enkele van de kenmerken van het Messiasschap die vervuld zijn in en door Jezus
Jes.11:1-2,10-11; Jer.23:5; 33:17-21). (Mt.1:1)
6. Hij werd op wonderbare wijze verwekt in de schoot van een maagd (Jes.7:13-14; Jes.9:5-6). (Mt.1:22-23)
7. Hij werd geboren in Bethlehem-Efrata, een onaanzienlijk stadje (Mi.5:1). (Mt.2:4-6)
8. Hij verscheen precies op de juiste tijd volgens de profetie van Daniël (Dan.9:21-24). (Mk.1:15; Gal.4:4)
9. Jezus’ intocht in Jeruzalem (Zach.9:9). (Mt.21:5)
10. Hij vervulde de profetieën van Jesaja betreffende Zijn plaatsvervangend offer (Jes.52:13-53:12).
11. Hij stierf op precies dezelfde wijze als voorzegd in Ps.22. Zijn handen en voeten werden doorboord en Zijn
(Romeinse) beulen wierpen het lot over Zijn klederen.
12. Hij bewees Zijn Godheid door bovennatuurlijke werken, door bovenmenselijke heiligheid, door de opstanding uit
de doden en door Zijn invloed op de wereld.
Belangrijk is ook Zijn Zelfgetuigenis (direct): Mt.27:43; Mk.14:61-64 en indirect: Mt.4:10; 8:2; 14:33; Mk.2:5-7
De wederkomst van Christus
Vanuit de profetieën in het OT wordt de komst van de Messias ons door de profeten getekend als één gebeurtenis. Wat één heilsperiode scheen, blijkt nu naar de openbaring van het Evangelie van Christus in fasen te komen:
een 1e en een 2e komst van de Messias, of één komst in drie fasen: Zijn komst in het vlees, Zijn komst in de Geest en Zijn komst in heerlijkheid. Met de komst van Christus is dus de toekomst al begonnen.
Wij geloven in de Wederkomst of tweede komst van Christus:
En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. (Joh.14:1-3 HSV)
‘Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.’ (Hand. 1:11)
Als Christus terugkomt betekent dat voor christenen:
Kortom: Christenen geloven dus dat de Messias gekomen is als de mens Jezus van Nazareth èn dat Hij zal terugkomen als Koning. In Matteüs hoofdstuk 24, vers 4-44 vertelt Jezus op de Olijfberg wat de voortekenen zijn voor zijn wederkomst.
Nog te vervullen profetieën bij de Wederkomst
te midden van Zijn volk (Jes.60:1-2).
voor de hele aarde, voor alle volkeren. Conflicten en oorlogen zullen er niet meer zijn. Iedereen zal God
grootmaken en prijzen (Jes.25:1-5;26:7).
Tot slot: de Joden zien met ons uit naar de Messias! Hij komt!
Les 4 Het Evangelie naar �Matteüs
20
Het ontstaan van het Evangelie naar Matteüs
Men meent dat het Evangelie naar Matteüs ontstond in de tweede helft van de eerste eeuw: tussen 58 en 65 n. Chr. maar vóór de (niet vermelde) verwoesting van Jeruzalem in 70 n. Chr.
Evenals de andere evangelisten geeft ook Matteüs geen biografie van Jezus. Matteüs deed een keuze uit de gebeurtenissen en gaf bloemlezingen van woorden en daden van Jezus. Matteüs is daarbij meer didactisch dan geschiedkundig, en niet chronologisch.
Hoewel de naam van de schrijver in het boek niet wordt genoemd werd Matteüs de (Griekse) titel van dit eerste boek en evangelie van het gebundelde NT. Er werd in de vroegchristelijke gemeente niet getwijfeld over het auteurschap van apostel Matteüs (10:3): één van de twaalf leerlingen van Jezus en ooggetuige van de beschreven gebeurtenissen. Voor die tijd was hij een tollenaar in Kafarnaüm (Mt.9:9;10:3) die belastingen inde voor de Romeinen. Maar toen Jezus hem riep gaf hij hier onmiddellijk gehoor aan (Lc.5:27-32;Mk.2:13-17;Mt.9:9-13). Hij noemt zichzelf Matteüs (9:9) terwijl Marcus en Lucas hem Levi noemen (Mk.2:14; 3:18; Luc.5:27; 6:15).
De eerste doelgroep van het Evangelie naar Matteüs waren zijn volksgenoten,
de Joden. Naar het getuigenis van de christelijke Oudheid werd het evangelie
eerst geschreven in het Aramees, de volkstaal in Jezus’ tijd, en een teken dat het
geschrift bestemd was voor Joden. Echter, toen Matteüs naar de Joden in de
verstrooiing ging, waarvan de meest Grieks spraken, werd zijn evangelie in
het Grieks vertaald en in het Griekse Nieuwe Testament opgenomen.
De vervulling van de Tenach is het Godgegeven bewijs
Matteüs gaat ervan uit dat zijn lezers de Tenach kennen want Hebreeuwse termen, Joodse zeden en
gewoonten, en geografische aanduidingen legt hij niet uit (vgl. Mt.15:1-3 met Mk.7:1-5). Zijn evangelie
was dus gericht aan Joden en de messiaanse Joodse gemeenschap die in de Here Jezus geloofde.
Matteüs beoogt aan te tonen dat Jezus van Nazareth de beloofde en lang verwachte Messias is. Als Jood bewijst hij dit aan de hand van citaten en profetieën uit de Tenach. Vanaf het begin verbindt hij Jezus door zijn afkomst met de heilsgeschiedenis in de Tenach en noemt Hem de Christus, de zoon van David en de zoon van Abraham (Mt.1). ‘Zoon van David’ was de meest gangbare messiaanse titel onder de Joden: de Messias zou voortkomen uit het geslacht van David, dat de belofte van een eeuwig koningschap had ontvangen (2Sam.7:12-13; Jes.9:6), een benaming die primair spreekt van heil voor Israël.
De talrijke teksten uit de Tenach die Matteüs aanhaalt bewijzen dat in Jezus de beloften en profetieën zijn vervuld en dat Hij Israëls beloofde Messias is. (zie extra info RR12 Verwijzingen naar het OT). God gaf de Joden de Tenach en honderden profetieën over de komst van Gods Verlosser: de Messias. De voorspellingen zijn ongekend door hun exactheid zodat iedereen Hem zou kunnen herkennen; geen vage maar zeer precieze aankondigingen zoals het tijdstip, de plaats en de wijze van de geboorte van de Messias.
De voorzeggingen die letterlijk zijn uitgekomen in Jezus’ leven zijn het Godgegeven bewijs voor zijn messianiteit.
(zie extra info RR12 Messiaanse profetieën in Matteüs en Marcus)
Dat Jezus profetieën uit de Tenach vervulde vermeldt Matteüs uitdrukkelijk 12 x in zijn evangelie: ‘Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: …’ (Mat. 1:22) Zie ook Matteüs 2:15,23; 3:15; 4:14; 5:17; 8:17; 12:17; 13:14,35; 21:4; 27:9.
En de vervulling van deze Messiaanse profetieën worden niet alleen bevestigd door het NT maar ook door een groot aantal buiten Bijbelse bronnen zoals Flavius Josephus (37-100 n.Chr.), Tacitus (55-118 n.Chr.) en de Talmoed.
De Messiaanse Koning en Zijn Koninkrijk
In Mt.4:17 lezen we: Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Jezus predikte het Koninkrijk, de apostelen de Koning.
De boodschap van de aanwezigheid van de Koning luidt ook de komst van het ‘Koninkrijk der hemelen’ op aarde in, het ‘Koninkrijk Gods’, een centraal thema in het onderwijs van Jezus. De uitdrukking ‘Koninkrijk der hemelen’ is karakteristiek voor het Evangelie naar Matteüs omdat de Joden, zijn doelgroep, de naam van God vermijden.
Opbouw van het evangelie naar Matteüs | Hoofdstuk | |
1 | De persoon van de Koning | 1:1 – 4:11 |
2 | De werken van de Koning in Galilea | 4:12 – 13:58 |
3 | De dienstvervulling van de Koning op zijn reis | 14:1—20:34 |
4 | De dienstvervulling van de Koning in Jeruzalem | 21 – 25 |
5 | Het lijden van de Koning | 26 - 28 |
Geef het Koninkrijk van God en het doen van zijn wil de hoogste plaats in uw leven. Al het andere zal u dan geschonken worden. (Mt.6:33; Het Boek) Kerntekst
Het volk verwachtte wonderen en genezingen van de Messias (2Baruch) zoals Jezus deed, maar de verwachtingen over het messiaanse rijk had Jezus niet in vervulling doen gaan: .. Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen? (Hand.1:6) Jezus had de Romeinen niet verdreven noch was Hij als koning op de troon gaan zitten van een Israëlitisch wereldrijk (Jes.9:6). De volkeren stonden niet bevend voor Hem. Noch had Hij alle onrecht, zonde en boosheid uit hun midden verwijderd en Jeruzalem gereinigd van heidenen en hun overheersing. Dus hoe kon men dan van Hem spreken als de Messias?
Matteüs beoogt aan te tonen dat Jezus tòch de Messias is èn de Koning van de Joden (Mt.2:2; 27:11) Dit doet hij door de verkeerde ideeën over de Messias-koning en Zijn Rijk te bestrijden. Gods Rijk is nl. niet op één lijn te plaatsen met de rijken in deze wereld (Joh.18:36). Het Koninkrijk van God is het koningschap van God en dat is gelijk aan het koningschap van Zijn Messias (bv. 1Cor.15). En ‘het hemelse karakter’ van dit Koninkrijk t.o.v. de wereld blijkt uit de zgn. ‘grondwet v.h. Koninkrijk van God’: de Bergrede (Mt.4:12-7:29) en de 7 gelijkenissen in Mt.13.
Is het Koninkrijk van God gekomen of niet?
De ene keer lezen we in het NT dat het Koninkrijk al gekomen is en dan weer dat het niet gekomen is
en dat wij om haar komst moeten bidden. Zo lezen we In het Onze Vader:
uw Koninkrijk kome; .. (Mt.6:10) Maar we lezen ook: Maar indien Ik door de Geest Gods de boze
geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. (Mt.12:28)
Hoe zit het nu? Net als bij de komst van de Messias is er sprake van één Koninkrijk van God dat in twee of drie fasen doorbreekt: nu al ten dele, maar straks op een diepere, grotere en volmaaktere wijze. Het Koninkrijk van God manifesteert zich dus in twee gestalten, parallel met Jezus’ komst in nederigheid en Zijn komst in heerlijkheid.
1) Het Koninkrijk is nu al aanwezig: (geestelijk, onzichtbaar en verborgen voor ongelovigen (Mk.4:11; 1Kor.1:23)
2) Voltooiing in de toekomst: (het zichtbare koningschap van God over de wereld)
Kortom, er is in het Nieuwe Testament sprake van een tweeledige gestalte van het Koninkrijk, een voorlopige vorm nu en een volmaakte vorm, voltooid in heerlijkheid, straks. De mens kan nu al deel krijgen aan het Koninkrijk van God door bekering en geloof (Mk.1:15).
Het nieuwe Verbond en Gods Koninkrijk op aarde
Jeremia profeteerde over de komst van een nieuw verbond: Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. (Jer.31:31) Dat verbond met Israël en met Juda wordt door Jezus vervuld en bekrachtigd met zijn offer, naar Ex.24:8 met bloed: want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. (Mt.26:28; HSV)
Het nieuwe verbond (NT) berust niet langer op gehoorzaamheid van Israël, zoals het oude Sinaï verbond, de wet van Mozes (OT), maar op het volbrachte werk van Christus. Het heeft een nieuwe belofte: De vergeving van zonden en de Geest van God. Christenen uit de volken zijn mede-erfgenaam van de belofte in Christus door het evangelie (Ef.3:6)!
Dat het nieuwe verbond in de plaats komt van het oude betekent dat het verbond aan de Sinaï wordt vervangen, niet het (oudere) verbond met Abraham (Jer.31:36; 33:15-26; 2Kor.3; Heb.8). Het nieuwe verbond met Israël en Juda blijft dus verbonden met het OT en het land Israël. Het is geen geestelijke werkelijkheid die losstaat van de aardse en concrete werkelijkheid. En dus handhaaft Paulus de letterlijke besnijdenis voor Joden (Hand.16:1-3) terwijl dat niet opgelegd wordt aan heidenen (Hand.15:1,28-29; Gal.2:1-10). Toch heeft vanaf Augustinus een geestelijke uitleg de overhand gekregen en verwerpt een groot deel van de Christenheid de aardse heerlijkheid en macht van de Messias ‘op de troon van David’ (Mt.1:1; Luc.1:32; Jes.9:6). Het Messiaanse Rijk van vrede en gerechtigheid wordt geïnterpreteerd als het rijk van de christelijke kerk en voor het Joodse volk blijven geen aparte beloften meer over, alleen straffen en veroordelingen! Deze kerkleer is een wortel van anti-semitisme geworden en heeft het Joden eeuwenlang moeilijk gemaakt om in Jezus Christus te geloven. Omdat Messiasbelijdende Joden zich aansluiten bij de vroegchristelijke aardse en concrete uitleg hebben zij een ‘brugfunctie’ gekregen. Bijvoorbeeld Isaac da Costa, een 19e eeuwse ‘Messiasbelijdende Jood’ (Jood die tot geloof in Jezus Christus is gekomen) die schrijft: .. De belofte des Evangelies aan Israël is Israël niet ontnomen, om haar alleen aan de heidenen te geven; neen, de belofte aan Israël is de blijvende grond van de aanneming der heidenen. Israël blijft de wortel; de gemeenten uit de volken zijn niet anders dan takken, op dien wortel geënt. Al de beloften zijn geschied aan Israël, en al de gemeenten zijn gezien en begrepen in Israël. …. Wij verwachten .. gelijk van de profetieën van het lijden, zoo ook van die der heerlijkheid, een letterlijke vervulling.
.. maakt al de volken tot mijn discipelen ..
Het Evangelie naar Matteüs begint met Jezus als Zoon van David (Mt.1:1) wat primair over heil voor Israël spreekt. Toch eindigt dit Evangelie met de boodschap dat Jezus gekomen is voor alle volken, voor álle mensen (Mt.28:18-20). Maar hiervoor moest de Messias eerst Zijn leven geven als losprijs voor velen (Mk.10:45). Doordat het volk Israël Christus, Zijn getuigenis en Zijn Persoon verwerpt (Mt.11,12) loopt dat, zoals door Jezus aangekondigd (16,17), uit op Zijn lijden en kruisdood. Maar ook Zijn Opstanding en … Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen .. (Rom.11:11)
Jezus zal na Zijn dood en opstanding aan de rechterhand van de Vader zitten en alle macht in de hemel en op de aarde krijgen (Mt.26:64). Jezus verkondigt dit moment in Mt.28:18: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. Naar de profetie van Daniël 7:14 wordt de Zoon des mensen verhoogd en aangesteld als Heerser en Rechter van de wereld, iets waarover Jezus meerdere keren heeft gesproken (vgl. Mt.16:28; 24:30; 26:64). Met Zijn opstanding is Zijn verhoging aangevangen en is er een nieuw tijdperk aangebroken (Mt. 28:18-19). De opdracht alle volken tot discipelen te maken is een gevolg van Jezus’ nieuwe positie. Voorheen hadden de discipelen het Evangelie alleen in Israël gepredikt (Mt.10:5-6) maar nu mogen de volkeren delen in het heil van de Messias: .. maakt al de volken tot mijn discipelen .. (Mt.28:19).
Echter, het heil gaat niet naar de volken omdat de Joden Jezus verwierpen en God Zijn volk zou hebben verstoten (Rom.9:4; 11:1-2, 26, 28-29,32) maar omdat het in de Tenach is voorzegd! Dat heidenen mogen delen in het heil is de vervulling van vele OT-profetieën: Abraham was de eerste die de messiaanse belofte ontving met heil voor de volkeren (Gen.12:3; 18:18; 22:18) en ook Jesaja profeteerde dat de volken mogen delen in Gods zegen. Door en in Jezus Christus mogen de volken delen in Gods belofte (Mt.28:19; Ef.2:12-18; Rom.4:1-25; Gal.3:6-29; Ef.3:6). Jezus gaf aan dat ook heidenen deel zouden uitmaken van het komende Koninkrijk van God (Mt.8:11v; 25:31v.; Mk.11:17; 14:25; Joh.10:16) en dat Zijn gemeente niet beperkt zou blijven tot Joden. Hiermee gaat al in vervulling wat volgens de Joodse verwachting pas in de toekomst zou gebeuren!
Kortom, het heil voor de heidenen is geen vervanging maar een delen in de belofte!
De overgang naar het nieuwe tijdperk
De apostelen verwachtten dat het volmaakte Koninkrijk (Hand.1:6) in Jeruzalem zou aanbreken en daarom vertelden zij daar aan allen het nieuws over Jezus. Het ‘ga’ of ‘heengaande’ (Mt.28:19) begrepen zij anders. Zij gingen niet naar de volkeren maar naar Jeruzalem omdat zij verwachtten dat de volkeren in de laatste dagen naar Jeruzalem en de berg Sion komen (Jes.2:2-5; 25:6-9; Micha 4:1-5; Zach.8:20-23). Ook Jezus zei: ‘dat er velen zullen komen van oost en west’ (Mt.8:11) Dit is de ‘zendingsvisie’ van de apostelen: Israël zou zich spoedig bekeren tot zijn Messias (Hand.1:6; 3:19,26), dan zou Jezus terugkomen en vervolgens zouden de volkeren naar Jeruzalem optrekken (vgl. Jes.2:2-4). Zo hebben zij Zijn zendingsbevel begrepen.
De gedachte was dus niet dat Israël naar de volkeren moest gaan, maar omgekeerd, dat in de laatste dagen de volkeren optrekken naar Jeruzalem om er door de God van Israël onderwezen te worden.
Na de kruisiging gingen de discipelen naar Galilea (Mt.28:7,10) waar Jezus aan hen verscheen en hun het zendingsbevel gaf. Zij gaan dan naar Jeruzalem en blijven daar (Hand.1:4; 8:1). Waarom bevinden zij zich nog steeds in Jeruzalem en zijn zij niet ver over de grenzen van Israël? Waren ze ongehoorzaam of legden zij Mt.28:18-20 anders uit dan wij doen?
Omdat de volgelingen van Jezus in en rond Jeruzalem vervolgd werden door Farizeeërs zoals Saulus, vluchtten zij en namen het Evangelie mee naar de volkeren (Hand.8:1-5; 11:19v.) . Door de Heilige Geest ontstond de eerste gemeente met heidenen in Antiochië (hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië). Ook ontstond een nieuwe zendingsvisie: Christus zal terugkeren nàdat Hij uit de heidenen Zich een volk vergaderd heeft tot Zijn naam (Hand.15:14-17; Mt.24:14; Mk.13:10; Rom.11:25). De christelijke wereldzending was begonnen.
Les 5 Het Evangelie naar �Marcus
28
Het ontstaan van het Evangelie naar Marcus
Het Evangelie naar Marcus is waarschijnlijk het oudste evangelie dat we hebben, en het kortste. Er is geen twijfel over de echtheid van dit canonieke boek alleen hoofdstuk 16:9-20 ontbreekt in het merendeel van de oudste handschriften en daarom wordt er getwijfeld of dit gedeelte oorspronkelijk is en staat het in sommige vertalingen tussen haakjes. Marcus 16:17 is bovendien een opvallend vers i.v.m. de evangelieverkondiging vanwege de aangekondigde tekenen die de gelovigen zullen volgen: uitdrijving van boze geesten, tongentaal, immuniteit voor slangen en vergif, en genezing van zieken.
De naam van de schrijver komt in het Evangelie niet voor maar de vroege kerk schrijft het evangelie uitsluitend aan Marcus toe. Volgens oude overlevering was de schrijver Johannes Marcus (Johannes was zijn Joodse, Marcus zijn Romeinse/Latijnse naam). Hij was de neef van Barnabas (Kol.4:10) en hij werd de oorzaak van de verwijdering tussen Paulus en Barnabas (Hand.15:36-39). Toch was hij zo’n 10 jaar later weer een gewaardeerd medewerker van Paulus (Filem.24; Kol.4:10).
Marcus behoorde niet tot de 12 leerlingen van Jezus en is zelf geen ooggetuige geweest. Zijn bron was wel een ooggetuige: volgens de kerkvaders (Papias, Irenaeus, Clemens van Alexandrië, Eusebius) was dit het getuigenis en prediking van Petrus. Markus wordt ook wel het Evangelie van Petrus genoemd. Het begint bijna direct met de roeping van Petrus (Mc. 1:16-18) en er worden meer details uit het leven van Petrus weergegeven dan in de andere evangeliën (bijv. Mc. 1,29-31, 35-36 en Mc. 11:20-21). Marcus was Petrus’ geestelijke zoon, leerling, medewerker en tolk (Grieks -> Latijn) en hij was bij Petrus toen deze zijn eerste brief schreef (1Petr.5:13), waarschijnlijk vanuit Rome. Het Evangelie naar Marcus ontstond kort voor het einde van Petrus’ leven, of kort na diens dood. Als Petrus inderdaad stierf bij de vervolging onder Nero, dan moet het evangelie omstreeks 63/64 n. Chr. geschreven zijn, maar vóór de (niet vermelde) verwoesting van Jeruzalem in 70 n. Chr. Het boek is niet chronologisch.
Goed nieuws voor vriend èn vijand
Waarschijnlijk was het Evangelie naar Marcus allereerst bedoeld voor de gemeente van Rome, waar Petrus werkzaam was. Hierdoor werd aan christenen uit de heidenen verkondigd wat Jezus gezegd en gedaan heeft! Marcus richt zich tot Romeinen die niet vertrouwd zijn met de Joodse zeden en gebruiken, die daarom uitgelegd worden (Mc.7:2,3; 12:8; 14:12 enz.). Ook de taal kenden ze niet dus de Aramese woorden worden uitgelegd (Mc.3:17; 5:41 enz.) terwijl wel Latijn wordt gebruikt (in plaats van Grieks), zoals legioen (Mc.5:9-15), en Latijnse eigennamen zoals Rufus (Mc.15:21) en Marcus die in Judea Johannes heet. En omdat heidenen weinig belangstelling hadden voor de Joodse Tenach worden er bijna geen profetieën aangehaald, zijn er weinig citaten uit de Tenach en geen geslachtsregisters. Kortom het Evangelie was een Joodse boodschap van goed nieuws geschikt voor vriend (broeders) en vijand, de Romeinen, letterlijk in lijn met de Bergrede van Jezus:
… Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, (Mt.4:43-44)
Marcus begint met: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God’ (Mc.1:1).
Romeinen aanbaden hun keizers als goden en daarom legt Marcus meteen de nadruk op de
goddelijke heerlijkheid en grootheid van Jezus als Zoon van God (Mc.15:39), en naar de belijdenis van Petrus:
… Gij zijt de Christus. (Mc.8:29). Jezus is de Messias (1:1; 13: 4-6,21-22; 8:27-30) en Hij is God (1:1; 2:6 e.v.; 8:27-30; 15:39). Matteüs legt voor Joden de nadruk op de sprekende Christus en Zijn onderwijs, maar Marcus legt voor de Romeinen het accent op Zijn daden. Daden waarin ook Zijn macht naar voren komt want door het hele evangelie heen zien wij Jezus demonische krachten verslaan, ziekten en zelfs de dood. God de Vader stond Hem merkbaar bij en Jezus vervulde de opdracht die Hem gegeven was. Hij gehoorzaamde zoals ook een goede Romein betaamt! En toch legt Marcus er ook nadruk op dat Jezus, de Zoon van God, ook volledig mens was (net als de keizer!). Hij beschrijft Jezus’ gevoelens en presenteert Hem in ieder opzicht als één van ons, met uitzondering van de zonde.
De Zoon des mensen en de triomferende Messias
Jezus noemt Zichzelf in dit evangelie vooral de ‘Zoon des mensen’ en geeft daarmee Zijn hoogheid of heerlijkheid aan. Zo lezen wij in Mc.2:5,10-12 dat Hij in Zijn aardse leven en dienst de macht heeft zonden te vergeven:
.. opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven .. (Mc.2:10)
Maar Jezus spreekt daarmee ook van de heerlijkheid van de komende Zoon des mensen :
Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen. (Mc.8:38)
Zijn komst zal Dan.7:13 vervullen, een profetie over de ‘mensenzoon’ als de komende Verlosser, universeel, bovenmenselijk en hemels:
Maar Hij bleef zwijgen en gaf niets ten antwoord. Wederom ondervroeg de hogepriester Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende? En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels. (Mc.14:61-62)
Zijn verschijning zal plotseling en onverwacht zijn (Mt.24:27, 37,39) en het begin van de dagen waarin Hij zal regeren (Lc.17:22). Alle volkeren, natiën en talen zullen hem dienen en zijn heerschappij is eeuwig (Dan.7:14).
Kortom, Jezus is de Zoon des mensen, de triomferende Messias en Koning uit de profetieën
van de Tenach, Die bij Zijn komst een wereldwijde, glorierijke heerschappij van vrede zal
oprichten (Gen.49:8-10; Num.24:17-19; 2Sam.23:1-5; Jer.23:5; 33:17-21; Jes.9:5-6).
Maar de Tenach spreekt niet alleen over een triomferende Messias, want op veel plaatsen
wordt door de profeten ook gesproken over een lijdende Messias.
De Zoon des mensen en de lijdende Messias
Marcus laat de Heere Jezus vooral zien als de Zoon des mensen in Zijn lijden en sterven:
8:31 De Zoon des mensen die veel moet lijden.
9:9 De Zoon des mensen die zal opstaan uit de doden.
9:12 De Zoon des mensen die na de komst van Elia veel zal lijden.
9:31 De Zoon des mensen die overgeleverd wordt in de handen van de mensen.
10:33 De Zoon des mensen die overgeleverd wordt aan de overpriesters en
de schriftgeleerden en door hen ter dood veroordeeld wordt.
10:45 De Zoon des mensen die gekomen is om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.
14:21 De Zoon des mensen die heengaat gelijk van Hem geschreven staat.
14:41 De Zoon des mensen die overgeleverd wordt in de handen van de zondaren.
In dit Evangelie wordt Jezus’ lijden het meest uitvoerig beschreven: ongeveer 1/3 van Marcus (vanaf Mc.11) handelt over de laatste week van Jezus’ leven op aarde, de vleesgeworden Zoon van God, Die voor onze zonden stierf, begraven werd en weer opstond. Het evangelie spreekt over lijden met een doel, een taal die Romeinen begrepen (zij genoten zelfs van lijden en geweld: Colosseum)! Marcus geeft hen uitleg over de komst van Jezus op aarde als mens, Zijn kruisdood en opstanding a.d.h.v. 3 lijdensaankondigingen (Mc.8:31; 9;30-32; 10:32-34), Jezus als losprijs (Mc.10:45) en het Nieuwe Testament (Mc.2:21-22; 15:38). Alles naar de profeten van de Tenach die hebben geprofeteerd dat er een Verlosser en Koning zal komen om eerst te lijden en vervolgens te heersen: de lijdende messiaanse koning, de ideale koning, die door mensen wordt veracht en vernederd, maar door God wordt verhoogd (Ps. 18,22,69,71,86,88,116,118). Dit was de prediking van Jezus en de apostelen en later legt Filippus a.d.h.v. Jesaja 53 en de Knecht uit dat Jezus de lijdende Messias is (Hand.8:32-35,37).
De lijdende Messias is de Dienstknecht (de Knecht des Heren)
Jesaja profeteerde dat de lijdende Knecht des Heren, Gods Dienstknecht, door zijn eigen volk gehaat, afgewezen en op wrede wijze omgebracht zal worden, waarbij Hij zal lijden voor de zonden van velen (Jes.52:13-53:12; Zach.3:8). Het Jodendom verklaart deze gedeelten over de lijdende Messias (zoals Jes.53 en Zach.12:10), sinds de 2e eeuw, met de aanname dat er twee Messiassen zijn/komen:
1. een Messias de zoon van David, de koninklijke en overwinnende Messias,
2. en een tweede Messias, de zoon van Jozef (Efraïm), een lijdende Messias, die ook sterven zal.
Marcus laat echter zien dat Jezus beide is. Zijn daden tonen zowel Zijn dienstbaarheid als Zijn macht (Mc.1:14-5:43) want Jezus is zowel de Dienstknecht als de Zoon van God (bijv. Mc.1:11; 9:7; 15:39).
Maar hoe kan dat met twee volkomen tegengestelde bestemmingen!?
Dit kan omdat er één gebeurtenis is dat de triomferende Messias kan verbinden met Zijn lijden en sterven en dat is de: ‘Opstanding’. De schijnbare tegenstelling is verklaarbaar indien het beschrijvingen zijn van twee van elkaar gescheiden verschijningen van één en dezelfde Messias. De opstanding is de brug tussen de dood van de Messias en Zijn heerlijkheid (in de Tenach wordt al verwezen naar de opstanding: Job 19:25-27; Ps.17:15; 16:8-10; Dan.12:2). Daarom is de dood van Jezus zo paradoxaal want het blijkt geen nederlaag te zijn maar de inleiding tot de overwinning (Mc.16:19-20).
Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven als losprijs voor velen. (Mk.10:45) Kerntekst
Sleutelwoord: dienst
Opbouw van het evangelie naar Marcus | Hoofdstuk | |
1 | De voorbereidingstijd van de Dienstknecht | 1:1 – 13 |
2 | Eerste optreden van de Dienstknecht | 1:14 – 45 |
3 | De vijanden van de Dienstknecht | 2:1 – 3:6 |
4 | De grote daden en toespraken van de Dienstknecht | 3:7 - 8:26 |
5 | De aankondiging van zijn lijden door de Dienstknecht | 8:27 – 10:45 |
6 | Het optreden van de Dienstknecht in Jeruzalem | 10:46 – 13:37 |
7 | Het lijden en sterven van de Dienstknecht | 14 – 15 |
8 | De triomf van de Dienstknecht | 16:1 - 20 |
De knecht, de Knecht en de knechten van de Heer
De knecht in Jesaja is zowel een individu als een collectief (zie StudieBijbel) en de HSV maakt onderscheidt tussen ‘dienaar’ als Israël bedoeld is en ‘Knecht’ ter aanduiding van de Messias, maar het is hetzelfde woord!
Joden lezen Jesaja dus wel, maar anders dan wij: voor hen is de lijdende knecht het Joodse volk, het volk Israël.
(zie ook PP45 RR10 tabel over de ‘Christologie van Klaagliederen: de lijdensweg van Israël en Christus’)!!!
Christenen daarentegen geloven dat Jesaja’s Knecht de Messias is want het is bijvoorbeeld zijn taak om gerechtigheid voor de volkeren te brengen en dat is een taak voor een koning (Jes.42:1-4; 9:6). De messiaanse koning in Jes.11:2 en de knecht in Jes.42:1 krijgen beide de vervulling van Gods Geest en beide zijn als een groot licht (Jes.9:1;42:6;49:6) dat vreugde brengt aan de hele mensheid (Jes.9:2;42:10-13;49:13). Kortom, Jesaja bedoelt met de Knecht van God de Messias: Hij is de lijdende ‘Knecht van de Heer’ Die onze zonden plaatsvervangend op Zich neemt (Jes.52:13-53:12).
Het NT leert ons dat Jezus als Persoon de vervulling is van deze profetie over de individuele Knecht:
(Mt.4:16; 8:16-17; 12:15-21; Luc.2:32;4:16-21;22:20; Joh.1:9;8:12;12:35-36; Hand.8:26-35).
Jezus als de lijdende Zoon des mensen roept op tot navolging:
Jezus gaat in Zijn dienstbaarheid zo ver dat Hij Zijn leven opoffert voor de mensen. Als de
Dienstknecht geeft Jezus het voorbeeld van dienstbaarheid en opoffering, en Hij onderwijst dit ook
(bijv. 8:34-37; 10:43-45): wie Jezus wil volgen moet, omwille van het evangelie, zichzelf verloochenen
en ook zo’n dienaar zijn (9:35; 10:44-45).
En Hij ging zitten, riep de twaalven en zeide tot hen: Indien iemand de eerste wil zijn,
die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar. (Mk.9:35; NBG)
Dus Jezus is dè Knecht en wij zijn ‘knechten van de Heer’ (Ps.134:1; Opwekkingslied 457)!
Dank voor jullie betrokkenheid en aandacht!
1
Tot slot
Volgende keer:
Johannes Evangelie en de Johannes brieven.
Huiswerk: Bladen uit de map en lezen:
*Wat maakt Johannes anders dan de andere 3 evangeliën?
*Joh.1:1-18 + Joh.20:30-31 Wat is het doel van Johannes?
Gebed