1 of 27

Instructietaal

2 of 27

1. Leg uit

Wat moet je doen?

Wat betekent…?

​

Voorbeeldvraag

Leg uit wat zwaartekracht is.

​

Voorbeeldantwoord

Zwaartekracht is de kracht waarmee de aarde alles naar zich toe trekt. Daarom vallen dingen naar beneden.

3 of 27

2. Verklaar

Wat moet je doen?

Waarom is dat zo?

​

Voorbeeldvraag

Verklaar waarom planten licht nodig hebben.

​

Voorbeeldantwoord

Planten hebben licht nodig om via fotosynthese voedsel aan te maken. Zonder licht kunnen ze niet groeien.

4 of 27

3. Definieer

Wat moet je doen?

Geef een definitie.

​

Voorbeeldvraag

Definieer het woord 'democratie'.

​

Voorbeeldantwoord

Democratie is een bestuursvorm waarbij het volk via verkiezingen mee beslist.

5 of 27

4. Geef een omschrijving

Wat moet je doen?

Wat is het?

​

Voorbeeldvraag

Geef een omschrijving van een vulkaan.

​

Voorbeeldantwoord

Een vulkaan is een berg waaruit gesmolten gesteente, gas en as uit de aarde kunnen ontsnappen.

6 of 27

5. Gebruik in een zin

Wat moet je doen?

Gebruik het woord in een goedgebouwde zin.

​

Voorbeeldvraag

Gebruik het woord 'ecosysteem' in een zin.

​

Voorbeeldantwoord

In een ecosysteem werken dieren, planten en hun omgeving samen.

7 of 27

6. Formuleer

Wat moet je doen?

Leg uit op een duidelijke manier.

​

Voorbeeldvraag

Formuleer een goede vraag bij een tekst over klimaatverandering.

​

Voorbeeldantwoord

Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de klimaatverandering volgens de auteur?

8 of 27

8. Geef de aanleiding voor…

Wat moet je doen?

Hoe is het begonnen?

​

Voorbeeldvraag

Geef de aanleiding voor Wereldoorlog I.

​

Voorbeeldantwoord

De aanleiding voor WOI was de moord op kroonprins Frans Ferdinand in Sarajevo in 1914.

9 of 27

9. Geef oorzaken/gevolgen

Wat moet je doen?

Oorzaken: … Gevolgen: …

​

Voorbeeldvraag

Wat zijn de oorzaken en gevolgen van luchtvervuiling?

​

Voorbeeldantwoord

Luchtvervuiling wordt veroorzaakt door verkeer, fabrieken en verwarming. Dit leidt tot gezondheidsproblemen en klimaatverandering.

10 of 27

10. Geef in eigen woorden weer

Wat moet je doen?

In jouw eigen woorden uitleggen; niet letterlijk wat je geleerd hebt.

​

Voorbeeldvraag

Geef in eigen woorden weer wat recycleren betekent.

​

Voorbeeldantwoord

Recycleren betekent dat je spullen hergebruikt of verwerkt tot iets nieuws in plaats van ze weg te gooien.

11 of 27

11. Toon aan dat…

Wat moet je doen?

Bewijs. Waarom is dat zo?

​

Voorbeeldvraag

Bewijs dat suiker oplost in water.

​

Voorbeeldantwoord

Als je suiker in water mengt en roert, verdwijnt de suiker. Je ziet het niet meer, maar het water smaakt zoet: dus het is opgelost.

12 of 27

12. Combineer

Wat moet je doen?

Verbind met een lijn of combineer meerdere antwoorden.

​

Voorbeeldvraag

Combineer de woorden met hun juiste betekenis.

​

Voorbeeldantwoord

​

13 of 27

13. Concludeer / schrijf een conclusie

Wat moet je doen?

Wat is de conclusie? Wat kunnen we besluiten?

​

Voorbeeldvraag

Schrijf een conclusie bij het experiment over smeltpunten.

​

Voorbeeldantwoord

We besluiten dat elke stof een eigen smeltpunt heeft en dat je stoffen zo kunt herkennen.

14 of 27

14. Beargumenteer / geef een argument

Wat moet je doen?

Geef een argument. Waarom is dat zo? Voor en tegen.

​

Voorbeeldvraag

Beargumenteer of gsm’s op school toegelaten moeten zijn.

​

Voorbeeldantwoord

Gsm’s kunnen handig zijn om info op te zoeken, maar ze leiden ook af.

15 of 27

15. Vergelijk a en b

Wat moet je doen?

Wat is a? Wat is b? Wat zijn de gelijkenissen en verschillen?

​

Voorbeeldvraag

Vergelijk planten en dieren.

​

Voorbeeldantwoord

Planten maken zelf voedsel via fotosynthese, dieren niet. Dieren kunnen zich verplaatsen, planten niet.

16 of 27

17. Motiveer je antwoord

Wat moet je doen?

Leg uit waarom je dit antwoord geeft.

​

Voorbeeldvraag

Motiveer je antwoord: Is CO₂ schadelijk voor het milieu?

​

Voorbeeldantwoord

Ja, want CO₂ is een broeikasgas dat bijdraagt aan de opwarming van de aarde.

17 of 27

18. Omschrijf

Wat moet je doen?

Leg uit, beschrijf iets.

​

Voorbeeldvraag

Omschrijf hoe een hart werkt.

​

Voorbeeldantwoord

Het hart pompt bloed door het lichaam. Het bestaat uit vier kamers en trekt samen om bloed rond te sturen.

18 of 27

19. Bespreek / analyseer

Wat moet je doen?

Geef een volledig antwoord, bespreek cijfers of gegevens.

​

Voorbeeldvraag

Bespreek de evolutie van de bevolking in België tussen 2000 en 2020.

​

Voorbeeldantwoord

In 2000 had België ongeveer 10 miljoen inwoners, in 2020 meer dan 11 miljoen. Dat is een duidelijke stijging.

19 of 27

20. Raadpleeg

Wat moet je doen?

Gebruik iets dat je erbij mag nemen.

​

Voorbeeldvraag

Raadpleeg het woordenboek en zoek het woord ‘ecosysteem’.

​

Voorbeeldantwoord

Ecosysteem: een geheel van planten, dieren en hun omgeving die samenwerken.

20 of 27

21. Beoordeel

Wat moet je doen?

Geef je mening, zeg of iets juist is.

​

Voorbeeldvraag

Beoordeel of deze stelling klopt: "Alle insecten zijn schadelijk."

​

Voorbeeldantwoord

Ik vind dat niet juist. Sommige insecten zijn nuttig, zoals bijen.

21 of 27

22. Bespreek de werking van…

Wat moet je doen?

Leg een proces of taak uit met een voorbeeld.

​

Voorbeeldvraag

Bespreek de werking van een hefboom.

​

Voorbeeldantwoord

Een hefboom werkt door een draaipunt, zoals bij een schaar.

22 of 27

23. Benoem, noem, som op

Wat moet je doen?

Geef termen of maak een lijstje.

​

Voorbeeldvraag

Som drie organen van het ademhalingsstelsel op.

​

Voorbeeldantwoord

1. Neus

2. Luchtpijp

3. Longen

23 of 27

24. Illustreer (met een voorbeeld)

Wat moet je doen?

Geef een voorbeeld.

​

Voorbeeldvraag

Illustreer wat een breuk is met een voorbeeld.

​

Voorbeeldantwoord

Als je een pizza in vier stukken verdeelt en je eet er één op, heb je 1/4 gegeten.

24 of 27

25. Leid de regel af uit de voorbeelden

Wat moet je doen?

Formuleer de algemene regel.

​

Voorbeeldvraag

Je krijgt meerdere zinnen met persoonsvormen. Leid de regel af.

​

Voorbeeldantwoord

De persoonsvorm verandert als je de tijd verandert.

25 of 27

26. Orden (van klein naar groot)

Wat moet je doen?

Zet op volgorde.

​

Voorbeeldvraag

Orden deze getallen van klein naar groot: 4, -2, 7, 0

​

Voorbeeldantwoord

-2, 0, 4, 7

26 of 27

27. Situeer

Wat moet je doen?

Zeg waar of wanneer iets thuishoort.

​

Voorbeeldvraag

Situeer WOII in de tijd.

​

Voorbeeldantwoord

WOII duurde van 1939 tot 1945.

27 of 27

28. Pas toe

Wat moet je doen?

Gebruik een regel, eigenschap of definitie.

​

Voorbeeldvraag

Pas de regel van drie toe om de prijs van 3 kg appels te berekenen als 1 kg €2 kost.

​

Voorbeeldantwoord

1 kg = €2 → 3 kg = 3 x €2 = €6