Instructietaal
1. Leg uit
Wat moet je doen?
Wat betekent…?
Voorbeeldvraag
Leg uit wat zwaartekracht is.
Voorbeeldantwoord
Zwaartekracht is de kracht waarmee de aarde alles naar zich toe trekt. Daarom vallen dingen naar beneden.
2. Verklaar
Wat moet je doen?
Waarom is dat zo?
Voorbeeldvraag
Verklaar waarom planten licht nodig hebben.
Voorbeeldantwoord
Planten hebben licht nodig om via fotosynthese voedsel aan te maken. Zonder licht kunnen ze niet groeien.
3. Definieer
Wat moet je doen?
Geef een definitie.
Voorbeeldvraag
Definieer het woord 'democratie'.
Voorbeeldantwoord
Democratie is een bestuursvorm waarbij het volk via verkiezingen mee beslist.
4. Geef een omschrijving
Wat moet je doen?
Wat is het?
Voorbeeldvraag
Geef een omschrijving van een vulkaan.
Voorbeeldantwoord
Een vulkaan is een berg waaruit gesmolten gesteente, gas en as uit de aarde kunnen ontsnappen.
5. Gebruik in een zin
Wat moet je doen?
Gebruik het woord in een goedgebouwde zin.
Voorbeeldvraag
Gebruik het woord 'ecosysteem' in een zin.
Voorbeeldantwoord
In een ecosysteem werken dieren, planten en hun omgeving samen.
6. Formuleer
Wat moet je doen?
Leg uit op een duidelijke manier.
Voorbeeldvraag
Formuleer een goede vraag bij een tekst over klimaatverandering.
Voorbeeldantwoord
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de klimaatverandering volgens de auteur?
8. Geef de aanleiding voor…
Wat moet je doen?
Hoe is het begonnen?
Voorbeeldvraag
Geef de aanleiding voor Wereldoorlog I.
Voorbeeldantwoord
De aanleiding voor WOI was de moord op kroonprins Frans Ferdinand in Sarajevo in 1914.
9. Geef oorzaken/gevolgen
Wat moet je doen?
Oorzaken: … Gevolgen: …
Voorbeeldvraag
Wat zijn de oorzaken en gevolgen van luchtvervuiling?
Voorbeeldantwoord
Luchtvervuiling wordt veroorzaakt door verkeer, fabrieken en verwarming. Dit leidt tot gezondheidsproblemen en klimaatverandering.
10. Geef in eigen woorden weer
Wat moet je doen?
In jouw eigen woorden uitleggen; niet letterlijk wat je geleerd hebt.
Voorbeeldvraag
Geef in eigen woorden weer wat recycleren betekent.
Voorbeeldantwoord
Recycleren betekent dat je spullen hergebruikt of verwerkt tot iets nieuws in plaats van ze weg te gooien.
11. Toon aan dat…
Wat moet je doen?
Bewijs. Waarom is dat zo?
Voorbeeldvraag
Bewijs dat suiker oplost in water.
Voorbeeldantwoord
Als je suiker in water mengt en roert, verdwijnt de suiker. Je ziet het niet meer, maar het water smaakt zoet: dus het is opgelost.
12. Combineer
Wat moet je doen?
Verbind met een lijn of combineer meerdere antwoorden.
Voorbeeldvraag
Combineer de woorden met hun juiste betekenis.
Voorbeeldantwoord
13. Concludeer / schrijf een conclusie
Wat moet je doen?
Wat is de conclusie? Wat kunnen we besluiten?
Voorbeeldvraag
Schrijf een conclusie bij het experiment over smeltpunten.
Voorbeeldantwoord
We besluiten dat elke stof een eigen smeltpunt heeft en dat je stoffen zo kunt herkennen.
14. Beargumenteer / geef een argument
Wat moet je doen?
Geef een argument. Waarom is dat zo? Voor en tegen.
Voorbeeldvraag
Beargumenteer of gsm’s op school toegelaten moeten zijn.
Voorbeeldantwoord
Gsm’s kunnen handig zijn om info op te zoeken, maar ze leiden ook af.
15. Vergelijk a en b
Wat moet je doen?
Wat is a? Wat is b? Wat zijn de gelijkenissen en verschillen?
Voorbeeldvraag
Vergelijk planten en dieren.
Voorbeeldantwoord
Planten maken zelf voedsel via fotosynthese, dieren niet. Dieren kunnen zich verplaatsen, planten niet.
17. Motiveer je antwoord
Wat moet je doen?
Leg uit waarom je dit antwoord geeft.
Voorbeeldvraag
Motiveer je antwoord: Is CO₂ schadelijk voor het milieu?
Voorbeeldantwoord
Ja, want CO₂ is een broeikasgas dat bijdraagt aan de opwarming van de aarde.
18. Omschrijf
Wat moet je doen?
Leg uit, beschrijf iets.
Voorbeeldvraag
Omschrijf hoe een hart werkt.
Voorbeeldantwoord
Het hart pompt bloed door het lichaam. Het bestaat uit vier kamers en trekt samen om bloed rond te sturen.
19. Bespreek / analyseer
Wat moet je doen?
Geef een volledig antwoord, bespreek cijfers of gegevens.
Voorbeeldvraag
Bespreek de evolutie van de bevolking in België tussen 2000 en 2020.
Voorbeeldantwoord
In 2000 had België ongeveer 10 miljoen inwoners, in 2020 meer dan 11 miljoen. Dat is een duidelijke stijging.
20. Raadpleeg
Wat moet je doen?
Gebruik iets dat je erbij mag nemen.
Voorbeeldvraag
Raadpleeg het woordenboek en zoek het woord ‘ecosysteem’.
Voorbeeldantwoord
Ecosysteem: een geheel van planten, dieren en hun omgeving die samenwerken.
21. Beoordeel
Wat moet je doen?
Geef je mening, zeg of iets juist is.
Voorbeeldvraag
Beoordeel of deze stelling klopt: "Alle insecten zijn schadelijk."
Voorbeeldantwoord
Ik vind dat niet juist. Sommige insecten zijn nuttig, zoals bijen.
22. Bespreek de werking van…
Wat moet je doen?
Leg een proces of taak uit met een voorbeeld.
Voorbeeldvraag
Bespreek de werking van een hefboom.
Voorbeeldantwoord
Een hefboom werkt door een draaipunt, zoals bij een schaar.
23. Benoem, noem, som op
Wat moet je doen?
Geef termen of maak een lijstje.
Voorbeeldvraag
Som drie organen van het ademhalingsstelsel op.
Voorbeeldantwoord
1. Neus
2. Luchtpijp
3. Longen
24. Illustreer (met een voorbeeld)
Wat moet je doen?
Geef een voorbeeld.
Voorbeeldvraag
Illustreer wat een breuk is met een voorbeeld.
Voorbeeldantwoord
Als je een pizza in vier stukken verdeelt en je eet er één op, heb je 1/4 gegeten.
25. Leid de regel af uit de voorbeelden
Wat moet je doen?
Formuleer de algemene regel.
Voorbeeldvraag
Je krijgt meerdere zinnen met persoonsvormen. Leid de regel af.
Voorbeeldantwoord
De persoonsvorm verandert als je de tijd verandert.
26. Orden (van klein naar groot)
Wat moet je doen?
Zet op volgorde.
Voorbeeldvraag
Orden deze getallen van klein naar groot: 4, -2, 7, 0
Voorbeeldantwoord
-2, 0, 4, 7
27. Situeer
Wat moet je doen?
Zeg waar of wanneer iets thuishoort.
Voorbeeldvraag
Situeer WOII in de tijd.
Voorbeeldantwoord
WOII duurde van 1939 tot 1945.
28. Pas toe
Wat moet je doen?
Gebruik een regel, eigenschap of definitie.
Voorbeeldvraag
Pas de regel van drie toe om de prijs van 3 kg appels te berekenen als 1 kg €2 kost.
Voorbeeldantwoord
1 kg = €2 → 3 kg = 3 x €2 = €6