Brieven van Paulus
1 & 2 Tessalonicenzen
De pastorale brieven:
1 & 2 Timoteüs
Titus
2
Hoe ziet de avond eruit?
Les 1: Tessalonica
Les 2: 1 & 2 Tessalonicenzen
Les 3: De pastorale brieven
Les 4: 1 & 2 Timoteüs
Les 5: Titus
Les 6: Tot slot
Les 1: Tessalonica
3
De stad Tessalonica
De stad Tessalonica (genoemd naar de halfzuster van Alexander de Grote) lag in de tijd van Paulus in Macedonië, een Romeinse provincie sinds 146 v.C.. Tessalonica lag aan de Romeinse handelsroute: de Via Egnetia (Ignatius). Het was de voornaamste havenstad van Macedonië en de belangrijkste Griekse handelsstad, naast Korinte in de provincie Achaje.
Zie ook: Extra info RR17 Achtergrond Steden NT
Via Egnatia was de grote Romeinse heerweg, die liep van Dyrrachium aan de Adriatische zee naar Byzantium in het oosten. De tweede zendingsreis van de apostel Paulus ging langs een deel van deze belangrijke Oost-Westverbinding.
Zo’n heerweg was een strategisch aangelegde verharde langeafstandsweg, van cruciaal belang voor de expansie van het Rijk en de handel.
Naast Grieken en Romeinen was er een internationale bevolking van ambachtslieden, handelaars, redenaars etc. En er woonden ook veel Joden.
Als beloning voor de steun aan Octavianus en Antonius in hun strijd tegen Brutus en Cassius werd Tessalonica in 42 v.Chr. een Romeinse „vrije stad“ met democratisch zelfbestuur door een „senaat" en een „volksvergadering" (Hd. 17 : 5). En Tessalonica werd de hoofdstad van Macedonië en daarmee de residentie van de proconsul van deze Romeinse provincie.
Paulus: een missionair stadsmens
Het Romeinse Rijk kende vier categorieën steden naar de hun toegekende privileges. In afnemende belangrijkheid: | ||
Vrije steden | Met eigen opgestelde wetten bestuurd | Efeze, Tessalonica, Antiochië (in Syrië) |
Romeinse kolonies | Hier vestigden zich vooral gepensioneerde militairen. Deze steden werden soms gedeeltelijk of geheel gevrijwaard van het betalen van belastingen | Troas, Filippi en Korinte |
Steden bewoond door Romeinse burgers | Deze zelfstandige steden hadden afspraken gemaakt met Rome die nageleefd moesten worden. In ruil daarvoor kreeg men specifieke privileges en de bescherming die bij het burgerschap hoorde. |
|
Latijnse steden | Steden zonder speciale rechten en betalers van schatting. Het stadsbestuur werd gevormd door een magistratuur dat de verbinding met Rome vormde, gekozen ambtenaren die voor een periode werden aangesteld. |
|
Hoewel Jezus op het laatst naar de stad Jeruzalem gaat, spelen de Evangeliën zich voornamelijk af op het platteland en de vele agrarische gelijkenissen sluiten hierbij aan.
Na de uitstorting van de Heilige Geest verschuift het decor in Handelingen permanent van het platteland naar de Grieks-Romeinse steden.
De Brieven die Paulus schreef waren voornamelijk gericht aan gemeenten in de steden van het Romeinse Rijk want Paulus koos belangrijke steden uit om daar gemeenten te stichten. Dit zou je zijn missionaire strategie kunnen noemen. Deze steden hadden 1 kenmerk gemeen: ze waren goed bereikbaar via land of zee. Zijn redenen zijn onduidelijk maar de volgende argumenten kunnen meegespeeld hebben:
(Bron Haije Bergstra. SB-magazine dec.2020 p.20-23)
Paulus op bezoek in de stad Tessalonica
Tijdens zijn 2e zendingsreis bereikte Paulus de stad Tessalonica langs de Via Egnatia en stichtte er een Christelijke gemeente in ca. 50 n.C. (Hd.17:1-9).
In Tessalonica was een synagoge want er woonden veel Joden (Hd.17:10). Drie sabbatten achtereen verkondigde Paulus Jezus in de synagoge (Hd.17:1-3) maar er waren slechts enkele Joodse bekeerlingen. Hij overtuigde wel ‘een grote menigte Grieken die God vereerden, en tal van voorname vrouwen’ (Hd.17:4): zij namen het aan als een woord van God (1Tess.2:13). Je leest vaak dat dit heidenen waren die de synagoge bezochten omdat zij interesse hadden in het Jodendom. Dit vind ik dubieus als je weet dat Paulus ook predikte te midden van de Tessalonicenzen (1Tess.2:7-9) en niet zonder vrucht (1Tess.2:1). Paulus adresseert later beide Brieven ‘aan de gemeente der Tessalonicenzen’ (1Tess.1:1; 1Tess.2:1) i.p.v. aan ‘de gemeente in Tessalonica’. Begrijpelijk als het vooral Grieken uit Tessalonica waren d.w.z. Tessalonicenzen.
De tweede zendingsreis | |
Aanleiding | Initiatief van Paulus vanuit de gemeente te Antiochië (Hd.15:35-36,40-41) |
Land/volk/cultuur | Syrië, Klein-Azië, Griekenland, Klein-Azië, Judea, Syrië |
Bezochte steden/route | Antiochië (Syrië) → Syrië → Cilicië → Derbe → Lystra → Frygië, Galatië → Mysië → Troas → Samothráce → Macedonië → Neápolis → Filippi → Amfipolis → Apollonia → Tessaloníca (3-4 weken) → Beréa → Athene → Korinte → Kenchrea → Efeze → Caesarea (Maritima) → Jeruzalem → Antiochië (Syrië) |
Datering | 49-52 na Chr. |
Bijbelteksten/reisverhalen/gebeurtenissen | Hand. 15:36 - 18:32 |
Reisgezelschap | Silas (Hd.15:27,32,37-40) i.p.v. Barnabas en Marcus (Hd.15:37-39); later ook Timoteüs vanuit Lystra (Hd.16:1-3) |
Na die 3 weken keerden vele Joden zich tegen Paulus, de Joodse christen Jason en andere christelijke broeders (Rom.16:21; 1Tess.2:14; Hd.17:5-9). Vanwege de invloed van de Joden bij de bevolking en de „stadsbestuurders" (Hd.17:6,8) werd het raadzaam geacht door de broeders dat Paulus in stilte de stad verliet (Hd.17:10) en hij ging naar Berea. Daarna had de gemeente nog steeds veel onder vervolgingen te lijden (1Tess.3:1-4).
Later schreef Paulus aan hen dat de satan hem belet had naar de stad terug te keren (1Tess.2:18) en hij stuurt daarom Timoteüs naar hen toe (1Tess3:1-5).
De met naam genoemde gemeenteleden zoals Gajus (Hd.19:29), Aristarchus en Secundus (Hd.20:4) wijzen daar mogelijk ook op.
Les 2: 1 & 2 Tessalonicenzen
7
1& 2 Tessalonicenzen en het Nieuwe Testament
De Brieven aan de Tessalonicenzen zijn het 13e en 14e boek van het NT maar het zijn ook (mogelijk na Galaten) de oudste brieven van apostel Paulus. Ze zijn omstreeks 50 n.C. vanuit Korinte geschreven tijdens Paulus’ 2e zendingsreis.
Evangeliën | Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes |
Handelingen | Handelingen |
Paulinische brieven | Romeinen, 1+2 Corinthiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, Colossenzen, 1+2 Tessalonicenzen, 1+2 Timoteüs, Titus en Filemon. |
Algemene brieven | Judas, Jacobus, 1+2 Petrus, Hebreeën en 1+2+3 Johannes |
Openbaring | Openbaring |
In 1 & 2 Tessalonicenzen worden de lezers, oftewel de pasbekeerden van de jonge gemeente in Tessalonica, op directe en persoonlijke manier aangesproken. Het missionaire trio wil door hun Brieven compensatie bieden voor hun gedwongen vertrek, en voor de onmogelijkheid om een nieuw bezoek aan hen te brengen. Hoewel de basis van het apostolisch onderwijs mondeling was gelegd tijdens het verblijf van Paulus en Silas, later gevolgd door een bezoek van Timoteüs, is het nu in 2 brieven vastgelegd en voortgezet. De lezers moeten God dienen door (ondanks de verdrukking) een rustig en voorbeeldig leven te leiden, in hoopvolle afwachting van de komst van de Heer. In deze geest gelezen, zijn beide brieven voor alle Christenen ter wereld voortgezet basisonderwijs (Kees van Eerden).
Paulus was slechts 3 weken in Tessalonica toen hij, de pasbekeerden van deze gemeente in verdrukking moest achtergelaten. Toen Timoteüs zich tijdens de 2e zendingsreis in Athene weer bij Paulus aansloot zond deze hem terstond terug naar de Tessalonicenzen om hen te versterken, terwijl Paulus doorreisde naar Korinte.
Later kwamen ook Timoteüs en Silas in Korinte aan, met goede berichten over de gemeente in Tessalonica.
Zij drieën schreven toen gezamenlijk de 1e Brief aan de Tessalonicenzen (Hd.18:5; 1Tess.1:1; 3:1-6), wat ook blijkt uit het veelvuldig gebruik van: “wij”, “ons” en “onze”. De aanleiding voor de brief was hun verdrukking (ook in Berea en Athene).
De 2e Brief aan de Tessalonicenzen schreven zij ook gezamenlijk (2Tess.1:1), waarschijnlijk ook vanuit Korinte en niet lang na de 1e Brief.
Opbouw en inhoud 1 Tessalonicenzen
Sleutelwoord: Wederkomst
Sleutelvers: ‘Moge Hij uw harten versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen’ (1Tess. 3:13).
Opbouw / hoofdlijnen van 1 Tessalonicenzen | |||
I | Paulus’ persoonlijke gedachten over de Tessalonicenzen | 1:1-3:13 | |
A | Paulus’ lof voor hun groei (groet en persoonlijke herinneringen) | 1:1-10 | |
B | Paulus’ stichting van de gemeente | 2:1-16 | |
| 1 | De aard van de apostolische prediking | 2:1-12 |
| 2 | De ontvangst van het Evangelie | 2:13-16 |
C | Timotheüs’ ondersteuning van de gemeente (Paulus’ bezorgdheid voor de Thessalonicenzen) | 2:17-3:13 | |
| 1 | De satan houdt Paulus tegen | 2:17-20 |
| 2 | Paulus stuurt Timotheüs | 3:1-5 |
| 3 | Timotheüs’ bemoedigende verslag | 3:6-10 |
| 4 | Paulus’ verlangen hen te bezoeken | 3:11-13 |
II | Paulus’ onderwijs aan de Tessalonicenzen | 4:1-5:28 | |
A | Aansporing tot christelijk leven: Opdracht om te groeien (in heiliging, in broederliefde en arbeidsvreugde) | 4:1-12 | |
B | Openbaring betreffende de doden in Christus (de opname en de ontslapenen) | 4:13-18 | |
C | Beschrijving van de dag des Heren (de Wederkomst van Jezus Christus) | 5:1-11 | |
D | Instructies voor levensheiliging (vermaningen voor het leven in de gemeente) | 5:12-22 | |
E | Een laatste wens en zegenbede | 5:23-28 | |
De brief getuigt ook van geloof en godsvrucht van mensen die onder zware vervolging voor God leven, en uitgroeien tot heiligen. Zij zijn de rechtvaardige wandel in Christus, van Paulus en de zijnen, gaan navolgen, en zijn zelf een voorbeeld geworden in liefde en volharding.
Toch moest Paulus hen vermanen om tijdens het verwachten van Jezus’ opstanding en Wederkomst, niet het dagelijks werk te verwaarlozen omdat men anders tot last kan worden voor de ongelovigen. Men mocht niet vergeten dat juist het dagelijks leven de plaats is, waar we de Here kunnen dienen.
De christenen van Tessalonica (1 Tessalonicenzen) | |
Hun aanvaarding van de heilsboodschap …. | |
ondanks veel tegenspoed | 1:6 |
met vreugde in de Heilige Geest | 1:6 |
als het werkzame Woord van God | 2:13 |
Hun bekering | |
Geloof in God | 1:8 |
Het zich tot God keren | 1:9 |
Het zich afkeren van de afgoden | 1:9 |
Het ontvangen van de Heilige Geest | 4:8 |
De kenmerken | |
Geloofsdaden | 1:3;3:7 |
Werken der liefde | 1:3;3:6 |
Volharding in de hoop | 1:3 |
Vast vertrouwen in God | 3:8 |
Voorbeeld voor de gelovigen | 1:7,8 |
Broederliefde metterdaad | 4:9 |
Kortom dit is een brief, vol van de gloed van radicale christenen, gehoorzaam aan God, door de Heilige Geest. En het is een voorbeeld van apostolische opbouw, vermaning en bemoediging voor pasbekeerden.
Opbouw en inhoud 2 Tessalonicenzen
De drie schrijvers danken God voortdurend, omdat het geloof en de liefde van de Tessalonicenzen toenemen onder de verdrukking. Het vooruitzicht is dan ook heerlijk: bij Zijn Wederkomst zal Christus ook in hen verheerlijkt worden en hen veranderen! Dat vermag God door Christus in zondaren!
Ook is deze brief geschreven i.v.m. onkunde in de gemeente t.a.v. de Wederkomst van Jezus en de Dag des HEREN.
Paulus wijst erop, dat eerst de wetteloosheid haar climax zal vinden in ‘de mens der wetteloosheid’, en dat dan de Dag des HEREN zal aanbreken.
Intussen heeft de gemeente gelegenheid, geheiligd te worden, om deel te krijgen aan de heerlijkheid van de Here Jezus.
Het probleem van het ongeregelde leven (zie ook 1e brief) was blijkbaar nog niet opgelost want de gemeente krijgt opdracht, er scherp op toe te zien dat ieder werken zal om zijn eigen brood te kunnen eten. Ook daarin hebben Paulus en de zijnen in Tessalonica zelf het voorbeeld gegeven.
Opbouw / hoofdlijnen van 2 Tessalonicenzen (Geschreven in Korinte ca. 51 n.Chr.) | |||
I | Paulus’ bemoediging onder vervolgingen (persoonlijk) | 1:1-12 | |
A | Aanhef, zegenwens en dankzegging voor hun groei | 1:1-4 | |
B | Bemoediging onder hun vervolgingen | 1:5-10 | |
C | Gebed om nieuwe geloofskracht en Gods zegen | 1:11-12 | |
II | Paulus’ uitleg van de dag des Heren (leerstellig) | 2:1-17 | |
A
| Gebeurtenissen die voorafgaan aan de dag des Heren (voortekenen) | 2:1-12 | |
1 | Eerst de afval | 2:1-3 | |
2 | De mens der zonde openbaart zich (de antichrist) | 2:4-5 | |
3 | De weerhouder wordt verwijderd | 2:6-7 | |
4 | De tweede komst van Christus | 2:8-12 | |
B
| De troost van de gelovige op de dag des Heren | 2:13-17 | |
1 | Dankzegging voor het uitverkoren zijn | 2:13-14 | |
2 | Vermaning zich aan het Woord te houden | 2:15 | |
3 | Bede en aanmoediging om in de leer trouw te blijven | 2:16-17 | |
III | Paulus’ vermaning van de gemeente (praktisch) | 3:1-18 | |
A | Bidt voor ons, oproep tot voorbede | 3:1-5 | |
B | Onttrek u aan de ongeregelden (oproep om te werken en oproep tot orde) | 3:6-15 | |
C | Zegenbede en groet | 3:16-18 | |
Sleutelwoord: tekenen
Sleutelvers: ‘Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren’ (2 Tess. 2:3)
Hoofdthema in 1 & 2 Tessalonicenzen: de Wederkomst
De context van de Wederkomst des Heren | ||
| 1 Tessalonicenzen | 2 Tessalonicenzen |
a | de zorg van de Thessalonicenzen over de gelovigen die al overleden zijn: zouden zij iets missen? | de mens der wetteloosheid, oordeel over hem, over de ongelovigen, waarschuwing zich niet te laten misleiden (2:2) |
b | de levenswandel: heiliging in het teken van Jezus’ komst | oproep de leringen en het voorbeeld van Paulus c.s. na te volgen; geen ongeregeld leven accepteren in de gemeente |
c | troost te vinden in die verwachting | bemoediging en troost in de verwachting van Jezus’ wederkomst; Christus centraal |
Uitgelicht: de mens van de wetteloosheid
2 Tess. 2:3-12 (HSV)
De Wederkomst van Jezus Christus (1 Tessalonicenzen) | |
Bekering en de Wederkomst | 1:10 |
Kenmerk van een echte bekering is het verwachten van de Wederkomst van Gods Zoon | |
Christelijke dienst en de Wederkomst | 2:19 |
De overwinning en de vreugde van de dienaren van Christus bij de Wederkomst van hun Meester zal bestaan in de zielen die zij tot het Heil hebben gebracht | |
Heiliging en de Wederkomst | 3:13 |
Hoe levendiger de hoop op de Wederkomst, des te ernstiger het streven naar heiligheid | |
De opstanding en de Wederkomst | 4:13-18 |
Het geloof in de opstanding der doden berust op de opstanding van Christus Zelf. Als de Heer in heerlijkheid terugkomt, dan zullen degenen die in Hem zijn ontslapen, opstaan en vóór Hem worden gesteld, tezamen met de levenden | |
Voorbereiding op de Wederkomst | 5:1-11,23 |
Wandelen in het licht | 5:4,5 |
Waakzaamheid | 5:6 |
Nuchterheid | 5:6-8 |
De Wederkomst van Jezus Christus (2 Tessalonicenzen) | |
Wat zal er gebeuren bij Christus’ tweede komst? | Bijbeltekst |
Christus zal verschijnen met de engelen van zijn kracht en in een vlammend vuur | 1:7,8 |
Hij zal “in zijn heiligen” verheerlijkt en met verbazing aanschouwd worden | 1:10 |
De boze mens zal hij bestraffen, d.w.z. hen: | 1:6,8,9 |
die God niet kennen | 1:8 |
die aan het Evangelie geen gehoor geven | 1:8 |
die de waarheid niet geloven | 2:12 |
in wie de liefde tot de waarheid niet is | 2:10 |
die in de ongerechtigheid een welgevallen hadden | 2:12 |
Hij zal de zijnen rust geven | 1:7 |
Wanneer zal de Dag des Heren komen? | |
Paulus schreef aan de Tessalonicenzen niet alleen dat de Wederkomst op handen was maar ook over het plotselinge verschijnen van Christus (1Tess.5:2,3). Hoewel de apostel er rekening mee hield dat het kon plaatsvinden tijdens zijn leven, had God de dag van de Wederkomst van zijn Zoon omgeven met een geheim, met de opzet dat de Christenen in hun verwachting zouden volharden. | |
Welke zijn de onmiskenbare voortekenen? | |
Om hen die meenden dat de Dag des Heren al was aangebroken tot de orde te roepen, wijst Paulus er op, dat dit gebeuren in de toekomst ligt; er moeten nog enkele tekenen vervuld worden, zoals: | |
de algemene afval (2:3; 1Tim.4:1-3; 2Tim.3:1-9) | |
de verschijning van de Mens der zonde (2:3,4) of het Kind des Verderfs, de Tegenstander, die zich verheft boven alles wat goddelijk is, de Antichrist, die de opstand tegen God belichamen zal | |
Paulus en de Christenvervolging in Tessalonica
6 Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken,
7 En aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Here Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht,
8 Wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Here Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
9 Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Here en van de heerlijkheid van Zijn macht,
10 Wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).
Naast de Wederkomst was ook verdrukking een hoofdthema in beide brieven.
In Handelingen 17 lezen we over de vervolging van Christenen door de Joden in Tessalonica, zelfs tot in Berea!
Paulus bemoedigt daarom de vervolgde gemeente maar hij schetst ook, als een Jeroen Bosch, het rampzalige lot van hun vervolgers (2Tess.1:6-10 HSV):
In de zaligsprekingen (Mt.5:10-12) spreekt Jezus met Zijn discipelen alleen over de zegeningen van vervolging:
Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.
Jezus vergelijkt de vervolging van Zijn discipelen met het lot van Israëls profeten! Ook Paulus doet dit in 1 Tess..
Paulus als oorzaak van Joden-haat
Paulus heeft volgens Prof. Herman van Praag in 1 Tessalonicenzen de ‘demonisering’ van de Joden ingeluid:
‘.. de Joden hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God en zijn alle mensen vijandig gezind… De maat van hun zonden raakt nu vol. Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen.’ (1Tess.2:14-16; van Praag).
Wat Paulus hier zegt klinkt verschrikkelijk: ‘De Joden’ verwierpen en vermoordden Gods zoon en God had ‘de Jood’ verworpen, tot in eeuwigheid. ‘De Jood’ was de incarnatie van een valse leer en daarmee een trawant van de duivel. In Joh.8:44 noemt Jezus Zijn Joodse toehoorders zelfs zonen van de duivel: ‘een aartsleugenaar en U doet maar al te graag wat uw vader wil’. En in de loop der eeuwen werd in ‘de Jood’ werkelijk een Satans werktuig gezien. De destructieve kracht van dit gedachtengoed is enorm gebleken. Toen het Christelijke denken overheersend werd maar niet door ‘de Joden’ werd aangenomen nam in de gekerstende wereld de Joden-haat satanische vormen aan.
Jodenhaat en Zion’s haat. Een drama in vijf bedrijven. Prof. Dr. H.M. van Praag. Uitg. Aspekt 2009. CIDI-Informatiereeks
Paulus’ reactie op vervolging klinkt hard (2Tess.1:6-10; vgl. 1Tess.2:5) en hij was soms onduidelijk of verwarrend (vgl. 1Kor.16:22/ Rom.12:14). Dit bleef niet zonder gevolgen.
Volgens de StudieBijbel worden lezers van het NT nergens tot haat of afkeer tegen Joden aangespoord! Maar wie dat denkt moet zo’n tekst maar eens lezen ‘als een Jood’ en voelen wat het betekent om uitgemaakt te worden voor moordenaar en erger!
O.a. door deze tekst (en uitleg!) werden de Joden juist niet ‘jaloers’ gemaakt en is de kloof met het Evangelie alleen maar gegroeid!
Toch is Joden-haat nooit de bedoeling geweest van Paulus. De oorzaak daarvan is, naast onwetendheid, onbegrip en misbruik van Bijbelteksten, ook dubieuze Bijbelvertalingen. Deze Bijbeltekst is een pijnlijke waarschuwing en les voor iedereen om de hele Bijbel te lezen en niet een stukje. Een deel van de vroege gemeente legde Paulus’ brief verkeerd uit en daarom waarschuwde Paulus de bekeerde heidenen voor hoogmoed (Rom.11:20)! En nog steeds! Het duurde echter zo’n 6 jaar voordat Paulus, in zijn brief aan de Romeinen, uitlegde wat hij nu eigenlijk bedoelde met ‘.. de Joden hebben ….’ (1Tess.2:15-16), en in die tijd had het verkeerde denken zich verspreid via Tessalonica naar o.a. Rome. Dit blijkt uit Rom.11:1 waar Paulus, in weerwil van wat de gemeente is gaan denken, benadrukt dat God het Joodse volk niet heeft verstoten (1Sam.12;22;Ps.94:14;Rom.11:23-24) en hij waarschuwt de Christenen expliciet zich niet tegen ongelovige Joden te beroemen op hun geloof (hoogmoed!) maar God te vrezen (Rom.11:18-21; 1Petr.4:17; Hb.3:2).
Les: Lees elke Bijbeltekst in de context van de gehele Bijbel !
Paulus bedoelt nergens de verwerping van de Joden als volk. Ook toen het heil tot de volken kwam, was dat niet het bewijs dat Israël voor God had afgedaan, in tegendeel (Rom.11:1-2). Zelfs door de verharding van Israël, hun ongeloof, wordt Gods trouw aan Israël niet tenietgedaan.
Daarom citeert Paulus in Rom.11:1-5, net als in 1Tess.2:15-16 (vgl. Stefanus Hd.7:52), de profeet Elia (1Kon.19:10: Here, uw profeten hebben zij gedood) om duidelijk te maken dat er - net als in de dagen van Elia - ook in Paulus’ dagen naar Gods heilsbedoeling nog een gelovige rest van Israël overgebleven is. Er is ‘een overblijfsel … naar de verkiezing der genade’ (Rom.11:5-6): oftewel er zijn ook gelovige Joden (Rom.9:27). Niet het hele Joodse volk is verhard en ongelovig, en alleen tijdelijk: totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan (Rom.11:25). Het is onderdeel van Gods heilsplan met de wereld (Rom.9:1-29; 11:11-24). Paulus benadrukt daarom dat het heil tot de heidenen is gekomen dankzij de val van de Joden (d.w.z. hun afwijzing van Jezus) èn hun verwerping van het Evangelie is de verzoening der wereld (Rom.10:16-21; 11:1,11,15) d.w.z. God breekt sommige van de natuurlijke takken (qua afstamming) aan de edele Olijfboom af vanwege hun ongeloof (Rom.9:6;10:19,21) om ze te vervangen door takken van de wilde olijfboom: de gelovigen uit de heidenen (Rom.11:17, 20-21)! Elke tak aan de edele Olijfboom (Christus) is dus ofwel natuurlijk of geënt in Christus, Jood en heiden zijn één in Hem (Rom.9:4; Ef.2:13)!
En in Gods Plan hangt het behoud van de heidenen met het behoud van Israël samen: door de ongehoorzaamheid van Israël kwam het heil tot de heidenen, en door Gods ontferming aan de heidenen wordt Israël tot jaloezie opgewekt, zodat ook Israël het heil weer gaat zoeken (Rom. 11:11). Dit past ook bij Paulus’ zendingsprincipe: Eerst de Jood maar ook de Griek.
Uiteindelijk zal Gods Plan en belofte (Rom.11:25-32) pas ten volle verwerkelijkt worden, wanneer in de toekomst ‘gans Israël’ tot het heil gebracht zal zijn, d.w.z. het volle getal van Israël naar de maat van Gods welbehagen, de volheid van Israël (Rom.11:12). God zal Zich ontfermen over ongehoorzame Joden (Rom.11: 28-32) om hen te enten op de ‘edele Olijf’ (Rom.11:23), zoals Hij Zich ook ontfermde over ongehoorzame heidenen (Rom.11:30,31) want allen (Jood en Griek) hebben Gods genade nodig om niet verloren te gaan (Rom.11:32; 1Tim.2:4). God herstelt Israël en zal het als Joods volk behouden door hun zonden weg te doen (Rom.11:26-27).
Met ‘de Joden’ in 1Tess.2:15-16 beschuldigt Paulus niet ‘alle Joden’! Christus is niet door ‘alle’ Joden gedood, net zomin als de profeten door ‘alle’ Joden zijn gedood. Maar wel door vertegenwoordigers van het volk van God: ‘de Joden’ zijn Israël (zoals de Grieken ‘de heidenen’ zijn)! Paulus denkt niet als een antisemiet, hij wijst hier op de rol van Israël (het Joodse volk als collectief) in de heilshistorie.
Les: Beperk je niet tot één Bijbelvertaling!
En ook de volgende tekst is uiterst dubieus vertaald:
Rom.11:28 (NBV21) Omwille van u zijn ze Gods vijanden geworden door het evangelie af te wijzen, …
Rom.11:28 (NBG) Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, …
De Joden zijn geen vijanden van God (het woordje God is door de vertalers toegevoegd!) maar vijanden van het Evangelie (dat ze verworpen hebben).
De Jodenhaat hangt ook samen met dubieuze Bijbelvertalingen die leiden tot verkeerd denken. En dat is nog steeds actueel. Bijvoorbeeld door de NBV en NBV21 vertalingen van o.a. Rom.11:15.
Rom.11:15 (NBV21) Als God zich met de wereld heeft verzoend toen hij hen verwierp …
Rom.11:15 (NBG) Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is ….
De Joden zijn niet verworpen maar zij hebben het Evangelie verworpen (Rom.10:16-21;Rom.11:1): zij blijven Gods volk (Rom.11:29)!
Hetzelfde geldt voor de tekst die door antisemieten veelvuldig misbruikt is en wordt:
Joh.8:44 (NBV21) Uw vader is de duivel, en u doet maar al te graag wat uw vader wil. ….
Joh.8:44 (NBG) Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. ….
De NBV vertaalt dit met ‘Uw vader is de duivel’, iets wat nooit verandert (=afstamming). Voor wie dit geldt is er geen hoop!
De NBG vertaalt dit terecht anders: ‘Gij hebt de duivel tot vader’ (vgl. ‘de duivel gaat rond als een briesende leeuw’ 1Petr.5:8). De duivel is als een vader voor hen, omdat ze naar hem luisteren en doen wat hij wil (vgl. Judas en Hd.13:10) en omdat satan de heerser van deze wereld is en heerst over alle ongelovigen (1Joh.3:1; Joh.12:31; 2Kor.4:4; Ef.2:2). Hoewel Jezus alleen sprak tot ongelovige Joden (ook Saulus was zo’n kind van de duivel! (Hd.7:58-8:3; 9:1-2,4,14)), geldt dit voor alle ongelovigen! Dus ook voor heidenen! Allen zijn zondaar, levend in duisternis (Ef.5:8) als kinderen des toorns c.q. kinderen der ongehoorzaamheid (Ef.2:1-3; 5:6).
Of zoals Johannes het zegt: ‘wie de zonde doet is uit de duivel’ (1Joh.3:8).
En dus waarschuwt Johannes ons: iedereen zondigt! (Mt.9:11-13:1Joh.1:10) oftewel: niet alleen ‘de Joden’ zijn duivelskinderen
(vgl. 1Joh.3:10)! De oude natuur van Paulus (Saulus) is ook die van ons. I.t.t. de NBV-vertaling geeft de NBG-vertaling een zondaar wel hoop op grond van het Evangelie, omdat je slaafse relatie met satan, met hulp van Christus, kan veranderen! Je kan uit God geboren worden en veranderen in een kind van God: geheel anders dus. God is onze Vader, alleen door geloof, niet door afstamming.
Les 3: De pastorale brieven
16
De brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus
Paulus was de pastor van zijn medewerkers en de door hem gestichte gemeenten. Dit gold ook zijn medewerkers Timoteüs en Titus die hij schriftelijk instructies gaf voor hun taak, zoals een leermeester aan zijn leerling, maar het was ook hun mandaat.
De drie brieven 1&2 Timoteüs en Titus zijn de enige brieven die Paulus schreef aan één persoon en medearbeider in het Koninkrijk van God. Daarin onderscheiden zij zich van al zijn andere brieven, ook van die aan Filemon, want dat is een zuiver persoonlijke brief.
Naar stijl en inhoud vormen de brieven één geheel en ze zijn vermoedelijk kort na elkaar geschreven. Ze bestaan voornamelijk uit inlichtingen en aanwijzingen voor de organisatie en leiding van de christelijke gemeente. Samen noemt men ze zijn ‘Pastorale brieven’ (Herderlijke brieven) omdat ze gericht zijn tot leidende broeders en handelen over het geven van leiding aan de gemeente. Ze werden voor het eerst zo genoemd door Thomas van Aquino en de Duitstalige theologen na hem.
Paulus schreef deze brieven na zijn laatste zendingsreis en 2 jaar gevangenschap in Rome, d.w.z. na 61 n.C., en voordat hij de martelaarsdood stierf onder Nero in 65 n.C. (2Tim.4:6-8).
Waarschijnlijk schreef hij de eerste 2 ‘Pastorale brieven’ (1 Timoteüs en Titus) in Macedonië (63 n.C.), toen hij vanuit Korinte met de collecte op weg was naar Jeruzalem. Na zijn arrestatie in Rome in de herfst van 64, schreef Paulus vanuit gevangenschap 2 Timoteüs (64 n.Chr.). Hij roept Timoteüs op naar hem toe te komen: de laatste kans om elkaar te zien (2Tim.4:21). Het is onbekend of dit gebeurt is maar omstreeks voorjaar 65 werd Paulus in Rome terechtgesteld.
De ‘Pastorale brieven’ vormen in die zin de laatste boodschap van Paulus en hij legde daarmee zijn geestelijke erfenis vast. Zijn laatst geschreven brief werd 2 Timoteüs en daarmee het laatste van alle geschriften van Paulus.
Paulus over het gezag van apostelen en oudsten in de Gemeente
Het Hoofd
Christus is Heer (Joh.13:13) en het hemelse Hoofd van Zijn Lichaam, de universele Gemeente of Kerk (Ef. 1:10,22;4:15).
RR 18 Extra info: De leiding in de synagogen, de Griekse ekklesia (Kerk, gemeente) van de 1e eeuw en de Kerk van nu
De apostelen in de universele Kerk
Op aarde is de universele Kerk het huis van God (1Tim.3:15) en Zijn Tempel (1Kor.3:16-17) door de gemeenschap met de Heilige Geest (2Kor.13:13;Fil.2:1). De universele Kerk kent geen georganiseerd menselijk leiderschap, wel de bediening van apostel die dan ook niet valt onder de verantwoordelijkheid van een plaatselijke gemeente. Deze bediening heeft 3 kenmerken:
Apostelen en oudsten in de plaatselijke Kerk
In de gemeente van de stad Jeruzalem wordt niet meer alleen over apostelen maar ook over ‘oudsten’ gesproken: leiders naast de apostelen (Hd.4:5,34,37; 5:2,21; 15:2,4,6,22,23; 16:4). In Jeruzalem ging het om de verantwoordelijke oudsten van een stadsgemeente (niet van één lokale (huis)gemeente) en de apostelen behoren tot deze ‘oudsten’ (1Petr.5:1; 2Joh.1). De oudsten zijn met de apostelen samen, verantwoordelijk voor de hele stad d.w.z. het netwerk van huisgemeenten.
Oudsten in de gemeentelijke organisatie
In Handelingen lezen we niets over de aanstelling van oudsten maar door de schaalvergroting van de gemeente en de overgang van een huisgemeente naar stads- of streekgemeente, werden leiders en een kerkstructuur ongetwijfeld nodig. In zijn pastorale brieven spreekt Paulus dan ook over oudsten (presbuteros; 1Tim.5:17,19; Tit.1:5) en over een ‘oudstenraad’ (1Tim.4:14).
Er werden op stadsniveau oudsten aangesteld in de bestuurlijke taak en functie van ‘opziener’ (episkopos; Tit.1:7) met daarnaast de dienaar/helper (diakonos).
Les 4: 1 & 2 Timoteüs
19
Timoteüs
Timoteüs was een van Paulus’ naaste medewerkers. Timoteüs was de zoon van een heidense vader en een gelovige Joodse moeder uit Lystra. Al op Paulus’ 1e zendingsreis was Timoteüs getuige geweest van Paulus’ lijden in Lystra e.o. (Hd.13,14; 2Tim.3:11). Toen Paulus op zijn 2e reis opnieuw langs Lystra kwam, trok de nog jonge Timoteüs met hem mee (Hd.16:1-3).
Sindsdien heeft hij veel met Paulus samengewerkt en werd hij soms door Paulus naar een gemeente gezonden om die te helpen, bijvoorbeeld Berea, Tessalonica en Filippi (1Tess.3:1-6; Hd.17:14,15; Fil.2:19).
En Paulus schreef ook brieven samen met Timoteüs. Dit geldt ook voor 3 van de 4 gevangenschapsbrieven oftewel Timoteüs was bij Paulus tijdens zijn gevangenschap in Caesarea en Rome.
In de tijd dat Paulus 1 & 2 Timoteüs schreef, was Timoteüs evangelist in Efeze en één der leiders van de gemeente aldaar. In later tijd heeft ook Timoteüs nog gevangen gezeten, maar hij werd vrijgesproken (Hebr.13:23).
De heikele kwestie van de besnijdenis van Timoteüs
Timoteüs werd wèl door Paulus besneden (Hd.16:3) maar Titus niet (Gal.2:3). Waarom?
Ging dat niet in tegen zijn eigen leer (Kol.3:11)?
Paulus heeft Timoteüs niet besneden omdat die besnijdenis voor God enige waarde zou hebben, maar omwille van de dienst van Timoteüs. Aangezien de moeder van Timoteüs een Jodin was, werd hij door de Joden als een Jood beschouwd en voor Joden behoorde zo iemand besneden te zijn. Als hij niet besneden was geworden had Timoteüs geen synagoge kunnen binnengaan om daar het Evangelie te verkondigen, want onbesneden zou hij voor de Joden niet acceptabel zijn om hen te leren. In Timoteüs’ besnijdenis komt Paulus dus tegemoet aan de Joodse gevoelens omwille van de dienst onder hen: ‘voor de Joden geworden als een Jood’ (1Kor.9:20).
Als men in Jeruzalem Titus gedwongen had om zich te laten besnijden, en Paulus had daaraan toegegeven, dan zou dat wel een verloochening van het Evangelie betekent hebben want de Joodse christenen in Jeruzalem hadden geen enkele grond om te eisen dat de Griek Titus besneden werd. Hadden ze die eis wel gesteld dan hadden ze daarmee laten blijken dat het Evangelie niet voldoende was om met God in het reine te komen en dat besnijdenis nodig was. (Jaap Fijnvandraat)
Opbouw en inhoud van 1 Timoteüs
Opbouw/hoofdlijnen 1 Timoteüs (Geschreven in Macedonië, ca. 62-63 n.Chr.) | ||
I | Paulus’ voorschriften over de leer | 1:1-20 |
A | Paulus’ eerdere voorschriften aan Timoteüs (waarschuwingen tegen dwaalleraars, goed gebruiken van de wet) | 1:1-11 |
B | Christus’ eerdere voorschriften aan Paulus (Gods genade voor Paulus, persoonlijk getuigenis) | 1:12-17 |
C | Eerste voorschrift: ‘Strijd de goede strijd’ (opdracht aan Timoteus) | 1:18-20 |
II | Paulus’ voorschriften over de samenkomst | 2:1-3:16 |
A | De voorbede in de samenkomst (aanwijzingen voor het gebed) | 2:1-8 |
B | De vrouw in de samenkomst (aanwijzingen voor de vrouwen) | 2:9-15 |
C | Eigenschappen van een opziener (ambt) | 3:1-7 |
D | Eigenschappen van een diaken (ambt) | 3:8-13 |
E | Tweede voorschrift: ‘Gedraag u in het huis van God’ | 3:14-16 |
III | Paulus’ voorschriften over de dwaalleraars | 4:1-16 |
A | Beschrijving van de dwaalleraars (de juiste houding van de gemeente tegenover schijnheilige misleiders, verkeerd ascetisme) | 4:1-5 |
B | Instructies voor onderwijs in het ambt (de juiste houding van de gemeente tegenover ongeestelijke vroomheid) | 4:6-10 |
C | Derde voorschrift: ‘Veronachtzaam de gave in u niet’ | 4:11-16 |
IV | Paulus’ voorschriften over de gemeente-tucht (goede zielzorg) | 5:1-25 |
A | Het omgaan met alle gemeenteleden, jong en oud | 5:1-2 |
B | Het omgaan met oudere en jongere weduwen | 5:3-16 |
C | Het omgaan met de oudsten | 5:17-20 |
D | Vierde voorschrift: ‘Houd daaraan de hand, zonder vooroordeel’ | 5:21-25 |
V | Paulus’ voorschriften over pastorale bewogenheid | 6:1-21 |
A | Vermaning voor slaven | 6:1-2 |
B | Oproep tot godsvrucht (laatste aansporing, tegen de vrome zelfzucht) | 6:3-16 |
C | Vermaning voor de rijke christenen | 6:17-19 |
D | Vijfde voorschrift: ‘Bewaar wat u is toevertrouwd’ | 6:20-21 |
Sleutelvers: 'Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid. ‘ (1Tim.3:15)
Sleutelwoord: herderschap
Deze brief werd geschreven omdat het nodig was dat Timoteüs richtlijnen kreeg, niet zozeer voor de prediking, maar wel voor de inrichting van de gemeente. Dit betrof ook de eisen die aan oudsten (opzieners, voorgangers) en diakenen (=dienaren) gesteld worden.
Timoteüs en Titus: mandaat om gelovigen behouden
Waar kregen Timoteüs en Titus dan mee te maken? Paulus geeft hen vele voorbeelden en noemt man en paard:
1 Timoteüs: andere leer .. onderwijzen; (1Tim.1:3) bezig .. houden met verzinsels en eindeloze geslachtsregisters, die twistgesprekken opleveren; (1:4) zinloos gepraat; (1:6) foute leraars der wet zonder inzicht (1:7).
Sommigen, o.a. Hymeneüs en Alexander (en Filetus), hebben geloof en goed geweten verworpen, zij lasteren (1:19,20).
Zij beweerden dat de Opstanding reeds had plaatsgevonden en braken daarmee het geloof van sommigen af (2 Tim 2:17-18).
Zich wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen; (4:1) leugenaars, die hun geweten hebben dichtgeschroeid; (4:2) Zij verbieden te trouwen en gebieden zich te onthouden van voedsel (4:3) onheilige en onzinnige verzinsels; (4:7) de oefening van het lichaam .. van weinig nut (4:8) minachten vanwege .. jeugdige leeftijd (Jeugdigheid van Timotheüs aangevallen) (4:12).
Verwaandheid, onwetend, twistvragen en woordenstrijd … afgunst, ruzie, lasteringen, kwaadaardige verdachtmakingen; (6:4) verdorven gezindheid, geen waarheid, godsvrucht als bron van winst (6:5)🡪 Leidt tot de ondergang van de hoorders!! (2Tim 2:14)
2 Timoteüs: dwaalleraars: (2 Tim 2:14-26), waaronder de “voorwerpen in een groot huis” vs 20,21).
Titus: Tegensprekers, misleiders, leugenaars, met hun werken verloochenen ze Hem: Titus 1:10-16
De gemeenten hadden te maken met gemeenteleden die afdwaalden van het geloof (1Tim.6;10,21), die hun geloof verloochenden (1Tim.5:8), en zelfs afvielen van het geloof en satan achterna gingen (1Tim.1:19; 4:1; 5:15). Paulus wil daarom dat Timoteüs en Titus weten waarmee ze te strijden hebben want hun opdracht als leiders van de gemeente is om zichzelf en zoveel mogelijk van de gemeente te behouden (1Tim.4:16). Er waren problemen en er was tegenstand van gewone ‘broeders’ en gemeenteleden (of die dat ooit waren) en daarom geeft Paulus aan hoe daar mee om te gaan: bid (1Tim.2:1), beveel (1Tim.1:3;4:11;5:7), vermaan (1Tim.4: 13;5:1;6:2b), bestraf (1Tim.5:20), vermijd (1Tim.4:7;5:22;6:20), lees/houd voor (1Tim.4:6,13), leer (1Tim.6:2b;4:11,13;5:17).
Hoe blijven gelovigen behouden?
Paulus roept Timoteüs en de gehele gemeente op o.a. godvruchtig te leven.
Hij legt in zijn brief ook uit wat dit betekent:
Godvruchtigheid (godsvrucht/godvrezendheid) (1 Timoteüs) | |
Het geheim van de godvruchtigheid | 3:16 |
Het leven in godvruchtigheid | 2:2 |
Oefening in godvruchtigheid | 4:7,8; 5:4 |
Jagen naar godvruchtigheid | 6:11 |
De leer van de godvruchtigheid | 6:3 |
Godvruchtigheid is uit de geest | 6:5 |
Godvruchtigheid levert winst op | 6:6 |
Godvruchtigheid is nuttig tot alles | 4:8 |
Godvruchtigheid houdt de belofte in van leven, nu en in de toekomst | 4:8 |
7 typeringen van een christen | Kenmerk | 2 Timoteüs 2: |
Kind (zoon) | Wedergeboorte | 1 |
Soldaat | Lijden | 3 |
Kampvechter | Oefening | 5 |
Landman | Arbeid | 6 |
Arbeider | Vaardigheid | 15 |
Vaatwerk | Bruikbaarheid | 21 |
Dienstknecht | Trouw | 24 |
U echter, o mens die God toebehoort, ontvlucht deze dingen. Jaag daarentegen gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid na. (1Tim.6:11 HSV)
.. de godsvrucht is nuttig tot alles, daar zij een belofte inhoudt van leven, in heden en toekomst. (1Tim.4:8)
Bovendien geeft Paulus zeven leerzame typeringen van het leven als christen.
Zie ook RR18 Extra Info Godvruchtig leven. Overdenking van Jan Kranendonk
DE 10 GEBODEN:
1 Tim 1:9b-10
8 Maar wij weten dat de wet goed is, als men die wettig gebruikt, 9 en als men dit weet: dat de wet niet bestemd is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en voor opstandigen, goddelozen en zondaars, onheiligen en onreinen, voor hen die vader of moeder vermoorden, voor doodslagers, 10 voor ontuchtplegers, voor mannen die met mannen slapen, voor mensenhandelaars, leugenaars, meinedigen en als er iets anders tegen de gezonde leer is, (1Tim.1:8-10 HSV):
één prachtige Paulinische zin die de 10 Geboden (de wet) vertaalt naar de actualiteit van toen (en nu) waar gemeenteleiders mee worden geconfronteerd:
De wet is goed maar men moet de wet (de 10 Geboden) wel wettig gebruiken
Vergelijking van eisen waaraan oudsten volgens Paulus moeten voldoen
1 Timoteüs 3:2-7 | |
1 | Onbesproken |
2 | De man van een vrouw |
3 | Nuchter |
4 | Bezadigd |
5 | Beschaafd |
6 | Gastvrij |
7 | Bekwaam om te onderwijzen |
8 | Niet aan de wijn verslaafd |
9 | Niet opvliegend |
10 | Vriendelijk |
11 | Niet strijdlustig |
12 | Niet geldzuchtig |
13 | Een goed bestierder van zijn eigen huis |
14 | Niet een pas bekeerde |
15 | Gunstig bekend bij de buitenstaanders |
Titus 1:6-9 | |
1 | Onberispelijk |
2 | Man van een vrouw |
3 | Met gelovige kinderen |
4 | Niet aanmatigend |
5 | Niet driftig |
6 | Niet aan de wijn verslaafd |
7 | Niet opvliegend |
8 | Niet op oneerlijke winst uit |
9 | Gastvrij |
10 | Met liefde voor wat goed is |
11 | Bezadigd |
12 | Rechtvaardig |
13 | Vroom |
14 | Ingetogen |
15 | Zich houdend aan het betrouwbare woord – zowel om te vermanen als om te weerleggen |
1 Petrus 5:1-3 | |
1 | Niet gedwongen, maar uit vrije beweging |
2 | Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid |
3 | Niet als heerschappij voerend…. Maar als voorbeelden der kudde |
Huiswerkvraag 2: Denk je dat er andere eisen gesteld worden aan oudsten in de gemeente van Christus dan aan leiders in onze maatschappij? Zo ja, welke onderscheidende eisen kom je tegen in de Pastorale brieven?
Huiswerkvraag 1: Ken je naast
1 Tim. en Titus nog een Bijbelboek / Bijbelgedeelte die eisen benoemt die in een gemeente aan oudsten worden gesteld?
De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste …. (1Petr.5:1-)
Wat het betekent om leiding te geven in de Gemeente
Vereiste eigenschappen van opzieners (1 Timoteüs) | |
Persoonlijke ervaring van het heil | 1:15,16 |
Vast geloof | 1:19a |
Goed geweten | 1:19b |
Gebedsleven | 2:1,2 |
Onberispelijke levenswandel | 3:2,7 |
Kennis van de Schriften | 4:6 |
Oprechte vroomheid | 4:8 |
IJver | 4:13 |
Vooruitgang | 4:15 |
Volharding en zelfdiscipline | 4:16 |
Moed bij de verkondiging van de waarheid | 5:17-20 |
Onpartijdigheid | 5:21 |
Zich niet compromitteren | 5:22 |
Reinheid | 5:22 |
Liefde, volharding en zachtzinnigheid | 6:11 |
Gehoorzaamheid aan het Woord | 6:14 |
De vruchtbare dienst (2 Timoteüs) | |
Geroepen tot dienst | 1:7-9 |
Streven naar heiliging | 2:19-21 |
Blijmoedige bereidheid tot lijden | 1:8; 2:3; 3:12; 4:5 |
Betrouwbaarheid in de strijd, ijverig in het werk | 2:5,6 |
Goed bekend met het Woord van God | 3:14-17 |
Krachtig door de genade van God | 2:1 |
… wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid. (1Tim.4:12 NBG)
Leiding geven in Gods gemeente is geen macht uitoefenen of regels opleggen maar opvoeden (Kol.1:28) en als herder van een kudde het goede voorbeeld geven, inspirerend en uitnodigend tot navolgen (Hd.20:28; 1Petr.5:2-3), in de kracht van de Heilige Geest (Kol.1:29).
En leiding geven is dienen in de groep waar je zelf onderdeel van bent, daar waar je een voorbeeld kunt zijn (1Tim.4:6-16). Echte dienaren hebben oog voor de behoeften van mensen en dienen niet om applaus van mensen te krijgen maar zijn uit op de goedkeuring van één Persoon: Jezus Christus.
Opbouw en inhoud 2 Timoteüs
Opbouw/hoofdlijnen 2 Timoteüs (Geschreven in Romeinse gevangenis, ca. 64 n.Chr.) | |||
I | Volharding onder huidige beproevingen | 1:1-2:26 | |
A | Adressering en zegengroet, dankzegging voor Timoteüs’ geloof | 1:1-5 | |
B | Herinnering aan Timoteüs’ verantwoordelijkheid | 1:6-18 | |
1 | Wakker de gave van de evangelisten aan | 1:6-10 | |
2 | Volg mijn voorbeeld in het lijden | 1:11-14 | |
3 | Een trouw strijder: Onesiforus | 1:15-18 | |
C | Kenmerken van een trouw voorganger | 2:1-26 | |
Weet te lijden als een goed kampvechter voor Jezus Christus (wees sterk en verdraag moeite) | 2:1-13 | ||
1 | Een wervend leraar | 2:1-2 | |
2 | Een doelbewust soldaat | 2:3-5 | |
3 | Een volhardend landman | 2:6-13 | |
Aanmaning tegen de dwaalleraars te strijden | 2:14-4:8 | ||
Wat een bekwaam leider moet weten en doen | 2:14-26 | ||
4 | Een ijverig arbeider (vermijd nutteloze woordentwist) | 2:14-19 | |
5 | Een geheiligd vat (met een hecht fundament en de goede verdediging: een heilige levenswandel) | 2:20-23 | |
6 | Een zachtmoedig dienstknecht | 2:24-26 | |
II | Volharding onder de toekomstige beproevingen | 3:1-4:22 | |
A | De naderende dag van de afval | 3:1-17 | |
1 | De komende afval (het wezen der dwaalleraars en van hun leer; de moeilijke tijden in het laatste der dagen) | 3:1-9 | |
2 | De confrontatie met de afval (verduurt de vervolging en houdt vast aan de heilige Schriften; een nieuwe aansporing aan Timoteüs om voort te gaan in het geloof) | 3:10-17 | |
B | De opdracht om het Woord te prediken (blijf trouw in uw ambt) | 4:1-5 | |
C | De naderende dood van Paulus | 4:6-22 | |
1 | Paulus’ zekerheid door de dood heen (de goede strijd gestreden; het laatste getuigenis van Paulus) | 4:6-8 | |
2 | Paulus’ situatie in de gevangenis (persoonlijke opmerkingen en aanwijzingen) | 4:9-18 | |
3 | Paulus’ afsluitende groeten | 4:19-22 | |
Sleutelwoord: trouw
Sleutelvers: en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten. Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus. (2Tim.2:2-3)
Deze brief is ernstig omdat er mensen afvielen van hun geloof. En dat zou nog toenemen! …
De Here Jezus aannemen en met God verzoend worden, alleen door geloof, ligt niet iedereen. De Here dienen en volkomen worden, de goede strijd strijden om de krans der rechtvaardigheid te behalen, is een smalle weg die maar weinigen vinden.
Deze brief is ook een bemoediging voor een evangelist die onder al de problemen en verdrukkingen moedeloos zou kunnen worden. Paulus spoort Timoteüs aan om te volharden in het lijden en om volkomen te zijn in de dienst van de Here, te midden van alle lauwheid en afval.
En in deze brief vindt ieder die de Here Jezus wil dienen, naast bemoediging ook opbouw.
Paulus wil dat de gemeente weet heeft van ‘de laatste dagen’
“En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede, verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God. Zij hebben een schijn van godsvrucht, maar hebben de kracht ervan verloochend. Keer u ook van hen af. Want tot hen behoren zij die de huizen binnensluipen en vrouwtjes in hun macht krijgen die met zonden beladen zijn en door allerlei begeerten gedreven worden, die altijd leren en nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen …. Het zijn mensen met een verdorven gezindheid en, wat het geloof betreft, verwerpelijk.”
(2Tim.3:1-9 HSV)
Wat herkennen wij NIET in onze tijd?
Paulus waarschuwt en alarmeert alle Christenen (alle vissers van mensen).
Hij hijst de stormbal. Nu waait het al maar wees alert want er komt een zware storm!
Les 5: Titus
29
Titus
Titus was een Griek (Gal.2:3) die door de apostel Paulus tot het geloof in de Heer Jezus was gebracht (Tit.1:4; 1Kor.4:15). In de christelijke traditie wordt hij gerekend tot de 70 discipelen.
Titus was een trouwe en geliefde medearbeider van Paulus (2Kor.8:23) en een reisgenoot tijdens sommige zendingsreizen (Gal.2:1). Vermoedelijk was hij afkomstig uit de buurt van Tarsus en heeft hij al met Paulus samengewerkt vóór diens zendingsreizen (Gal.2:1-3). Ook later werkte hij met Paulus samen en werd bijv. de bode tussen Paulus en de gemeente in Korinte (2Kor.2:12; 7:6-15; 8:6,16-24; 12:18).
Paulus heeft (na zijn vrijlating) o.a. op het eiland Kreta gewerkt. Bij zijn vertrek daar had Paulus Titus als zijn afgevaardigde achtergelaten om er te prediken, oudsten aan te stellen en om gemeentelijke zaken in orde te brengen (Tit.1:5). Titus vestigde zich er echter niet, want Paulus zou Artemas of Tychikus naar Kreta sturen opdat Titus naar Paulus in Nikopolis kon gaan (Tit.3:12).
Het eiland Kreta gold als de geboortegrond van de Filistijnen (Deut.2:23; Jer.47:4; Am.9:7).
Het was dichtbevolkt met rivaliserende steden en vele culturen. Meestal waren de bewoners van Kreta het niet met elkaar eens, een Kretenzische cultuur van partijschappen en individualisme! Er waren oudsten nodig met loyaliteit aan elkaar en Christus, naar de cultuur van het koninkrijk van God. Paulus wil wat verkeerd en ziekelijk is op Kreta gezond maken (Titus is afgeleid van ‘verpleger!)
Terwijl Titus op het eiland Kreta verbleef, schreef Paulus hem een brief op zijn reis van Kreta naar Nikopolis (meerdere steden met die naam, onbekend welke bedoeld is), wellicht in 63 n.C.. Net als de beide brieven aan Timoteüs bevat ook deze brief raadgevingen over de bediening van het opzienersambt in de gemeente.
Later toen Paulus de tweede brief aan Timoteüs schreef in 64 n.C., is Titus naar Dalmatië gegaan (2Tim.4:10) maar volgens de overlevering is hij als opziener van de gemeentes op Kreta gestorven, 94 jaar oud.
Opbouw en inhoud van de Brief aan Titus
Opbouw/hoofdlijnen Titus (waarschijnlijk geschreven ca. 63 n.Chr.) | ||
I | Stel oudsten aan (opdracht aan Titus, profiel van oudsten en dwaalleraars tot zwijgen brengen) | 1:1-16 |
A | Introductie (adressering en zegengroet) | 1:1-4 |
| Vermaningen aan het adres van de gemeenteleiders | 1:5-16 |
B | Benoem oudsten die gekwalificeerd zijn (taak in de gemeente) | 1:5-9 |
C | Vermaan valse leraren (strijd met de misleiders) | 1:10-16 |
II | Breng dingen in orde (vermaningen aan het adres van de gemeenteleden) | 2:1-3:15 |
A | Kom uit voor de gezonde leer (aanwijzingen) | 2:1-15 |
B | Houd de goede werken in stand (goeddoen in de samenleving, houding tegenover de overheid en tegenover dwaalleraars) | 3:1-11 |
C | Besluit: persoonlijke vraag, opdrachten, groeten | 3:12-15 |
Sleutelwoord: verantwoording
Sleutelvers: Maar gij, kom uit voor hetgeen met de gezonde leer strookt. (Titus 2:1)
Paulus’ brief aan Titus bevat richtlijnen en vermaningen betreffende het christenleven en de inrichting van de gemeente.
Bijzonderheden:
Alleen in deze brief noemt Paulus zichzelf ‘dienstknecht van God’ (1:1).
Paulus is de enige schrijver in het Nieuwe Testament die heidense auteurs aanhaalt: hij doet dat driemaal in deze brief (1:12) maar ook in Hd.17:28 en 1Kor.15:33.
Het heil Gods Titus | |
De bron van het heil: | |
De genade van God | 2:11 |
De bewerker van het heil: | |
De persoon van Jezus | 2:14; 3:6 |
Het middel van het heil: | |
Het kruis | 2:14 |
De vruchten van het heil: | |
Wedergeboorte en vernieuwing door de Geest | 3:5,6 |
Rechtvaardiging | 3:7 |
Eeuwig leven | 3:7 |
De Brief aan Titus bevat twee opvallend beknopte samenvattingen van de christelijke waarheid, zoals onderwezen in het Nieuwe Testament: Titus 2:11-14 en 3:4-7.
Les 6: Tot slot
32
Tessalonicenzen, Timoteüs en Titus
In deze brieven klinkt tot slot eenzelfde oproep voor leiders en gemeente:
Leef een rustig en stil leven, in bezonnenheid, nuchter en bezadigd.
1 en er een eer in te stellen rustig te blijven en uw eigen zaken te behartigen en met uw handen te werken, zoals wij u bevolen hebben, (1Tess.4:11)
2 laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. 8maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof en liefde en met de helm van de hoop der zaligheid; (1Tess.5:6,8)
3 dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak. (2Tess.2:2)
4 zulke mensen bevelen wij en wij vermanen hen in de Here Jezus Christus, dat zij rustig bij hun werk blijven en hun eigen brood eten. (2Tess.3:12)
5 voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. 11Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, 12maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. (1Tim.2,11,12)
6 Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, 11Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles. (1Tim.3:2,11)
7 Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid. (2Tim.1:7)
8 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle (2Tim.4:5)
9 maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, (Tit.1:8)
10 Oude mannen moeten nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding. 5bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. 6Vermaan evenzo de jonge mannen bezadigd te zijn in alles, 12om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, (Tit.2:2,5,6,12)
Dank voor jullie bijdrage en aandacht!
34
Volgende keer: Hebreeën, 1 & 2 Petrus, Judas
Huiswerk/vragen:
Lees Map
1. Welke overeenkomsten en verschillen zie je tussen 2 Petrus en Judas?
2. Wat leer je over lijden (verdrukking en vervolging) in 1 Petrus (en Hebreeën)?
Vraag daarbij: Wát zou je vandaag doen, als je wist dat morgen lijden en vervolging komt, zekerheden wegvallen, etc.?
Op de site vind je een evaluatieformulier voor deze cursus. Dit helpt ons om in de toekomst, zover nodig, onderdelen van deze cursus aan te passen of te verbeteren.
S.v.p. invullen dus.