Betapunt Noord: lesmateriaal vergelijker programmeeronderwijs
Wat is je naam? *
Your answer
Als je door iemand bent gevraagd om dit in te vullen, door wie?
Your answer
Welke lessenserie ga je beoordelen? *
Als jouw lessenserie er niet bij staat, welke is het dan?
Your answer
Op welke school heb je ervaring opgedaan met deze lessenserie? *
Your answer
In welke groepen heb je deze lessenserie gegeven? *
Your answer
Heb je voor deze les / lesseserie ervaring met programmeren nodig? *
Geen ervaring
Veel ervaring
In welke mate waren de leerlingen tijdens de les gemotiveerd aan het werk? *
Niet gemotiveerd
Erg gemotiveerd
Raad je deze lessenserie aan collega’s aan? Waarom? *
Your answer
Welke aandachtspunten kan je aan je collega's meegeven over deze lessenserie? *
Your answer
Nu volgen een aantal uitspraken over wat kinderen kunnen hebben geleerd bij een lessenserie. Geef aan met Ja of Nee of je denkt dat het grootste gedeelte van de kinderen dit hebben opgestoken van de lessenserie.
*
Nee
Ja
- De leerling kan uitleggen waarom programmeren belangrijk voor hem / haar is
- De leerling kan een voorbeeld geven van een situatie waar de computer meerwaarde heeft en een voorbeeld geven waar de mens beter is
- De leerling kan een voorbeeld geven van een probleem dat zonder computer niet op te lossen is
- De leerling kan uitleggen hoe een probleem kan worden opgelost door de computer
- De leerling kan beredeneren hoe een computerprogramma zou kunnen werken en welke problemen dit programma oplost
- De leerling kan een probleem opdelen in deelprobelem en deze deelproblemen oplossen
- De leerling kan onderscheid maken tussen verschillende bronnen en aangeven welke bron kan helpen bij het oplossen van het probleem
- De leerling kan verschillende gegevens omzetten in een andere representatie (bijv. geheimschrift)
- De leerling kan een patroon herkennen; voortzetten en corrigeren
- De leerling kan patronen herkennen in abstracte situaties (e.g. cijferreeksen)
- De leerling kan herkennen dat een computerprogramma volgens patronen werkt (e.g. op dezelfde manier werkt maar met andere data)
- De leerling kan een grote taak opdelen in deeltaken
- De leerling kan analyseren of er een deeltaak mist in een probleem dat is opgedeeld in deeltaken
- De leerling kan bedenken hoe een probleem kan worden opgelost door deelproblemen aan te pakken
- De leerling kan een programma aanpassen om erachter te komen waar het fout gaat
- De leerling kan een programma aanpassen zodat de fouten niet meer optreden
- De leerling begrijpt dat bij een hoger abstractieniveau details verloren gaan
- De leerling begrijpt dat een programmeertaal een abstractie is
- De leerling kan een abstracte oplossing verzinnen voor een probleem
- De leerling kan dezelfde situatie vanuit verschillende abstractieniveaus bekijken
- De leerling begrijpt dat een algoritme uit een serie kleine opdrachtjes bestaat
- De leerling kan een programma maken
- De leerling kan voorspellen wat een programma gaat doen
- De leerling kan een ALS-DAN-ANDERS regel en logische operatoren (EN; OF; NIET) toepassen
- De leerling begrijpt dat een computer in WAAR en ONWAAR denkt
- De leerling kan bepalen welke logische operator (EN; OF; NIET) moeten worden gebruikt in welke situatie
- De leerling begrijpt dat een stuk programmacode meerdere keren kan worden uitgevoerd.
- De leerling begrijpt dat je een parameter kan meegeven aan een functie of procedure
- De leerling kan een functie maken en aanroepen in een programma
- De leerling begrijpt het concept van herhaling en wat voor een mogelijkheden dit biedt
- De leerling kan een geautomatiseerde oplossing verzinnen voor een probleem
- De leerling kan een simpel programma maken met herhaling er in
- De leerling kan van een device (e.g. telefoon of smartboard) vertellen wat de input en output onderdelen zijn
- De leerling begrijpt wat een foute input voor een gevolgen kan hebben
Een leerling kan van de input of de output van een programma aanpassen
- De leerling begrijpt dat een simulatie een vereenvoudiging is van de werkelijkheid
- De leerling kan een model bedenken die een praktische situatie modelleert
- De leerling kan een simulatie maken van een situatie en daarmee experimenteren.
- De leerling kan uitleggen waar een variabele uit bestaat
- De leerling kan variabelen van een concrete situatie omschrijven
- De leerling kan werken met variabelen in een computerprogramma
- De leerling begrijpt dat samenwerken belangrijk is bij het programmeren
- De leerling kan de werking van een programma aan iemand anders uitleggen
- De leerling kan een probleem oplossen door verschillende programma's te laten samenwerken
Op welk email adres kunnen we je bereiken als we vragen hebben? *
Your answer
Heb je nog iets wat je kwijt wilt over deze lessenserie?
Your answer
Submit
Never submit passwords through Google Forms.
This content is neither created nor endorsed by Google. Report Abuse - Terms of Service