Link

Evert Musch, schilderijen, tekeningen, grafiek

(de tekst op deze pagina’s is ontleend aan de catalogus van de expositie die gehouden werd in het Drents Museum te Assen, van 17 september tot 13 november 1988. Tekst : Mieke van der Wal. Eindredaktiee : Jan Jaap Heij. Layout : Albert Rademaker. Drents Museum Assen ©)

Leven en werk

Jeugdjaren

Evert Musch werd op 16 maart 1918 geboren in Groningen als zoon van Jan Musch en Grietje Kiers. Zijn vader werkte bij de PTT, terwijl zijn moeder een winkel dreef in “comestibles en koloniale waren” aan de Grachtstraat.

Gezicht op de Grachtstraat te Groningen, nabij het geboortehuis van Evert Musch (Photo : Guido Musch ©) Locatie

Het gezin telde verder nog een dochter, Jantje (genaamd “Jennie”) die drie jaar ouder was dan Evert.

 

Evert Musch, op de leeftijd van 3 jaar, met zijn ouders en zijn zusje. Link

Toen Evert negen jaar was, verhuisde het gezin in verband met de gezondheid van zijn moeder naar Bussum. Groningen bleef echter trekken en na anderhalf jaar ging de familie weer terug. Het gezin verhuisde in de daarop volgende jaren nog zes keer binnen de stad en kwam uiteindelijk te wonen aan de Brugstraat.

Link

Het academiegebouw van de universiteit van Groningen, gezien vanuit het ouderlijk huis van Evert Musch in de Brugstraat (1948). Potloodtekening, 23 x 18 cm. Locatie

Musch herinnert zich dat hij al van jongs af aan met tekenen in de weer was. In een interview in Kijk op het Noorden uit 1985 staat daarover te lezen [1]: “Ik zal een jaar of drie geweest zijn toen er geen stukje papier meer veilig voor me was. Ik haalde pakpapier uit de winkel, spreidde dat op de vloer uit en maakte er tekeningen op. Ik heb altijd gezegd dat ik tekenaar wilde worden”.

Toen hij een jaar of elf was liet zijn moeder zijn tekeningen eens zien aan een huisbezoeker van de Nederlands Hervormde Kerk, P. Sennema, die tekenleraar was aan de HBS.

Hij zag er wel iets in en raadde de ouders Musch aan hun zoon naar de academie te laten gaan en een akte te laten halen, zodat hij tekenleraar zou kunnen worden.

Als voorbereiding hierop moest Musch naar de HBS. Terugziend heeft hij daarover in een vraaggesprek uit 1987 verteld [2]: “Dat was toen iets heel bijzonders, want mijn vader werkte bij de post en dan ging je niet naar de HBS.hooguit naar de MULO. Ik presteerde goed. Plichtsgevoel had ik. Ik kon me niet veroorloven te slabakken, want het ging allemaal zonder subsidies. Na de HBS ben ik tekenaktes gaan halen.”

Af en toe maakte hij in de middelbare schooltijd in opdracht van een reclamebureau illustraties en verdiende zo wat bij.

In zijn HBS-tijd viel nog een ander talent van Musch op: zijn prestaties op atletiekgebied. Op aanraden van de gymnastiekleraar sloot hij zich aan bij een sportvereniging en werd een fervent atletiekbeoefenaar: “Op mijn 16e jaar stopten ze me in de keurploeg, om medailles te halen. Je moest trouwens 18 zijn om in de keurploeg te mogen”. Hij heeft de sport altijd met zeer veel plezier beoefend en atletiek ook als een vorm van expressie gevoeld.

Academiejaren

Het tekenen bleef echter op de eerste plaats staan en na het eindexamen van de HBS ging Musch in 1936 naar de Gemeentelijke Kunstnijverheidsschool, zoals de Academie Minerva toen officieel heette.

 Naast de opleiding tot 'vrij kunstenaar' bereidde Musch zich voor op het behalen van diverse tekenaktes. De praktijkvakken werden beoefend onder leiding van de academie-docenten en de theorie, zoals kunstgeschiedenis en psychologie, bestudeerde hij zelf uit de boeken. In 1938 deed hij met goed gevolg

staatsexamen in Den Haag voor de akte LO.In het jaar daarop rondde hij zijn opleiding aan de Kunstnijverheidsschool af en legde hij het examen af voor de middelbare akte MA.

 

Evert Musch poserend voor schildersezel, + 1939. Link

Hij had het praktijkgedeelte al afgewerkt toen hij in het kader van de mobilisatie gelegerd werd bij de luchtdoelartillerie in Egmond aan Zee. Zijn verblijf daar duurde maar kort, van eind augustus tot ongeveer half november, omdat hij toen een jaar studieverlof kreeg om het theoretisch gedeelte van de akte MA af te maken. Daarvoor slaagde hij in december 1939 en hij ging zich vervolgens voorbereiden op het behalen van de akte MB, die hij door zeer intensieve studie en dankzij zijn grondige opleiding aan de academie al in de zomer van 1940 in zijn bezit kreeg. Veel later, van het eind van de jaren zestig tot in de loop van de jaren zeventig, zou hij zelf examinator voor deze aktes worden.

Door dit studieverlof heeft Musch trouwens de Duitse inval van Mei 1940 ontlopen. De Duitsers vielen onverwacht en zonder oorlogsverklaring het neutrale Nederland binnen en stonden al binnen een paar uur in Groningen, en Musch was aldus niet meer in de gelegenheid zich bij zijn regiment te vervoegen.

In de tijd dat Musch zijn opleiding aan de academie begon werd het klimaat op het gebied van de beeldende kunst in Groningen vooral bepaald door de befaamde kunstenaars groepering “De Ploeg”, waarvan de belangrijkste leden zoals Jan Altink, Johan Dijkstra en Jan Wiegers expressionistisch werkten.

Musch had verwacht dat er aan de academie ook in die stijl gewerkt zou worden, maar dat bleek niet het geval te zijn. De twee leraren die er toen lesgaven in tekenen, A.W. Kort (1881-1972) en C. P. de

Wit (1882-1975), waardeerden het expressionisme niet zo.

Deze docenten, die beide al sinds 1908 aan de academie verbonden waren, legden in hun onderwijs vooral de nadruk op het bijbrengen van traditionele technische vaardigheden. Zij deden dat met een grote gedegenheid, wat speciaal voor de leerlingen die een akte wilden gaan halen een enorme steun was. Kort gaf naast tekenles ook nog les in batikken, lithograferen, etsen en glas-in-lood-schilderen. Zijn eigen werk

wordt gekenmerkt door vage contouren en een dromerige sfeer die vaak doet denken aan het late werk van Matthijs Maris. De Wit gaf behalve tekenles nog les in anatomie en “methodiek van het teekenonderwijs”. Hij werkte in een vrij kleurige impressionistische stijl.

Schilderen stond overigens niet op het officiële lesprogramma, maar leerlingen die zich voorbereiden op het behalen van hun aktes kregen vanaf het tweede jaar wel schilderlessen van Kort en De Wit.

Naast deze twee docenten gaf verder de beeldhouwer Willem Valk (1898-1977), die in 1921 zijn aanstelling aan de academie had gekregen, onderwijs in boetseren en houtsnijden. Niet-beeldende vakken, zoals bijvoorbeeld perspectiefleer en wiskunde, werden onderwezen door leraren van de Zeevaartschool

en de MTS, waarmee de Middelbare Kunstnijverheidsschool toen een geheel vormde. Het leerlingenaantal was in de jaren dertig nog zeer laag: toen Musch met zijn studie begon waren er over de drie verschillende

jaren verspreid ongeveer vijftien studenten. Hierdoor was het onderwijs heel individueel gericht. Medeleerlingen in de drie jaren aan de academie waren ondermeer Johan Bolling, Ruurd Elzer, Abe Kuipers, Anno Smith, Wladimir de Vries en To Jager, welke laatste in 1943 de echtgenote van Musch zou worden.

Oorlogsjaren in Groningen

Nadat Musch zijn opleiding had voltooid, wilde hij niet meteen gaan lesgeven, maar probeerde hij als vrij kunstenaar de kost te verdienen. In 1939 kreeg hij van uitgeverij Boom in Meppel opdracht om illustraties te maken bij het boek “Harm, een boerenlèven an de Riest” door L. Jonker en drie jaar later illustreerde

hij voor uitgeverij Bosch en Keuning “Kinderen in verstand en in boosheid” door P. Keuning.

Wenskaart voor Ir. A. H. Schelling, 1941. Litho, 10,5 x 6 cm, particuliere collectie. Link

In deze jaren maakte hij ook de nodige ex-libris en gelegenheidsgrafiek, ondermeer voor Ir. H.A. Schelling, een groot verzamelaar van ex-libris met wie hij via Kort in contact was gekomen.

Daarnaast trachtte hij zijn vrije werk onder de aandacht van het publiek te brengen door aan tentoonstellingen mee te doen. De eerste keer dat hij zijn werk in het openbaar liet zien was op een expositie van het “Kunstlievend Genootschap Pictura” in januari 1940, waar hij drie etsen, een litho en een

geaquarelleerd stilleventje toonde. De criticus van het Groninger Dagblad schreef over zijn inzending [3]: “Van Evert Musch treft een mooi etsje van een kruik en een knap doorgevoerde litho van een doode eend. Zijn kooromgang van de Martinikerk is zeker met liefde en geduld gedaan, doch minder sterk beeldend. Zijn eenigszins suf gepeuterd stilleventje (ongeveer zo groot als een briefkaart!) doet ons vergeten dat we voor 't werk van een jonge kunstenaar staan. Of mogen we in dezen tijd het begrip jeugd niet meer associeëren met begrippen als: frischheid, durf, spontaniteit?” Dit stilleven werd daarentegen door de recensent van het Nieuwsblad van het Noorden, A.M.Dommering [4], “een van de hoogtepunten van de expositie” genoemd en Musch' totale bijdrage werd door deze geprezen vanwege de “groote, gevoelige zuiverheid”.

Kooromgang Martinikerk in Groningen, 1940. Olieverf op paneel, 46 x 31 cm, particuliere collectie. Link

In deze jaren had Musch regelmatig contact met de dertien jaar oudere Riekele Prins (1905-1954), die toen in Bedum woonde. Musch vond het een eer dat deze bekende etser hem als zijn vriend beschouwde en met hem optrok. Samen tekenden zij veel in het Groningerland, ondermeer aan het Wad. Via Prins leerde Musch Nico Bulder (1898-1964), de bekende houtgraveur uit Hoogezand, kennen.

Met hem ontstond een hechte vriendschap, die zou duren tot de dood van Bulder. Met Prins en Bulder maakte Musch deel uit van een groepje kunstenaars dat vanaf 1941 onder de naam “De Jongeren” werk

tentoonstelde in een soort galerietje aan de Rijksstraatweg in Haren. Plannen hiervoor, waartoe Willem Valk het eerste initiatief had ontplooid, waren al aan het eind van de jaren dertig ontstaan. Tot de groep behoorden verder onder meer de schilders Klaas Bouma (die het beheer over de ruimte zou gaan voeren) en Johan Bolling, de illustrator en grafisch vormgever Herman Dijkstra, de pottenbakker Anno Smith en de batikker R. de Vries. Wat deze kunstenaars vooral samenbond was hun aandacht voor technische beheersing en sfeeruitbeelding.

Musch exposeerde in Haren onder meer grafiek, die in een recensie uit 1941 door A.M. Dommering als volgt beschreven werd [5]: “Geregelde bezoekers van de Picturatentoonstellingen zullen zich enkele werken herinneren: de fijne litho van een eend van Evert Musch, zijn ets van het kerkinterieur[ ... ]. Resten nog te vermelden drie kleine litho's van E. Musch: een Nieuwjaarskaart en twee boekteekens, met fijne phantasie en goede vlakverdeling [ ... ]”.

Stelleven met dode eend, 1939. Litho, 30 x 52 cm, particuliere collectie. Link

De galerie heeft maar kort bestaan. Toen in 1942 de Kultuurkamer werd ingesteld en alleen daarbij aangesloten kunstenaars nog mochten exposeren, sloot Bouma de galerie. Later deden de Duitsers

een inval in het pand, waar Bouma in de kelder illegaal drukwerk vervaardigde, als valse  persoonsbewijzen, e.d. Hij werd gearresteerd en is in 1944 in Westerbork geëxecuteerd.

Hoewel het geen gemakkelijke tijd was, kon Musch in de eerste oorlogsjaren toch redelijk leven van de opbrengst van zijn werk. Via de kunsthandel van Koos Niezen, die hij al enige tijd kende, verkocht hij wat hij aan schilderijen maakte. In de periode 1940/41 verdiende hij bovendien wat bij door voor Niezen oude schilderijen te restaureren. Hiermee vergrootte hij tevens zijn schildertechnische kennis.

Schelpen, 1943. Litho, 5,5 x 11 cm, particuliere collectie. Link

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog betekende wel dat Musch niet meer, zoals hij graag had gewild, naar het buitenland kon gaan. Terugkijkend heeft hij in een interview uit 1961 gezegd [6]: “Als Adolf Hitler er niet geweest was, was ik de wereld ingegaan, naar Frankrijk, Spanje en Italië. Ik had wat van de wereld willen zien en ik had op vele plaatsen in de wereld willen werken”. Ook van buiten werken, het grote ideaal van Musch, kwam weinig terecht. Na zijn huwelijk met To Jager in 1943 bleef Musch inwonen bij zijn ouders, in de Brugstraat. Hier werd in het jaar daarna ook zijn dochter Elisabeth

geboren. Musch schilderde in die tijd nog wel, maar legde zich toen toch vooral toe op het lithograferen van stillevens, die hij afdrukte bij drukkerij Van Dingen. Acht kleurenlitho's van schelpen zou hij na de oorlog in een map uitgeven onder de titel “Monumenten der Zee”. De laatste twee jaar van de oorlog kwam hij nauwelijks meer de straat op en zat min of meer ondergedoken op zijn zolderkamer. Hij had geweigerd lid te worden van de Kultuurkamer en liep dus gevaar voor de Arbeitseinsatz gepakt te worden.

Link

Cassis cornuta (blad VII uit de map Monumenten der Zee), 1943. Kleurenlitho, 32 x 25,5 cm, particuliere collectie.

Naar Drenthe

Na de oorlog wilde Musch de stad verlaten en buiten gaan wonen, “in een landschap waar hij zich thuis kon voelen”. Hoewel hij de uitgestrektheid en soberheid van het wijdse Groninger land prachtig vond, viel de keuze op Noord-Drenthe, waar hij ook al eerder getekend had.

Link

Kippen op een erf, 1945. Oliverf op linnen, 65 x 45 cm, Drents Museum Assen. Locatie 

Hij werd vooral tot deze streek aangetrokken, omdat het landschap er beslotener en intiemer is en meer een 'coulissen-karakter' heeft. Verder voelde hij er een sfeer van oudheid en van geheimzinnigheid in. Meteen na de bevrijding verhuisde Musch met zijn gezin naar Midlaren, waar ze eerst in een woonwagen woonden, daarna in een kamer bij een oude boerin in een boerderij midden op de Es en in de winter in een zomerhuisje aan het Zuidlaardermeer. In Noord-Drenthe ging Musch voor het eerst na de bevrijding weer in de buitenlucht met olieverf werken. Het eerste schilderij dat hij zo maakte, van een korenveldje met een oud paaltje van een omheining, heeft hij altijd in eigen bezit gehouden, omdat het voor hem het begin van een nieuw tijdperk symboliseert. Dit doek liet hij kort na het ontstaan zien op een tentoonstelling bij Pictura.

“Het paaltje”, rand van een korenveld bij Midlaren, 1945. Olieverf op linnen, 60 x 72 cm, particuliere collectie. Link  Locatie

In een recensie schreef Johan Bolling erover [7]: “Het "landschap met het paaltje" heeft Musch blijkbaar in een heerlijk oogenblik van inspiratie gemaakt, want men denkt niet meer aan een zoeken, het is een daad”.

Wat de nieuwe omgeving voor Musch betekende heeft Hans Heyting in 1962 als volgt beschreven: “Het wijdse en toch zo intieme Drentse parklandschap, met kronkelende diepjes en verspreide boomgroepen, met als uit de grond gegroeide oude hofsteden onder het atmosferische licht, was een openbaring voor zijn schildersoog. Hij schilderde als een bezetene, maar met een grote blijheid, om al het nieuwe te verwerken, om het atelierlicht te overwinnen, om de atmosfeer te vinden: de strijd om het licht, om het Drentse licht”.

Waaidennen op zandverstuiving bij Zuidlaren, 1945. Oost-indische inkt en waterverf, 60 x 48 cm, particuliere collectie. Link  Locatie

Al snel besloot Musch zich definitief in Noord-Drenthe te vestigen en ging hij op zoek naar een eigen behuizing. In Zeegse kocht hij een zomerhuisje, waarheen het gezin in april 1946 verhuisde. Het huisje was zeer plezierig gelegen midden in het bos en Musch vond in de direkte omgeving veel verschillende onderwerpen voor schilderijen: bos- en heidelandschappen, zandverstuivingen, oude boerderijen en pittoreske dorpjes als Anloo, Oudemolen en Gasteren.

Inmiddels was eind 1946 Musch' zoon Jan Evert geboren en op aandrang van zijn schoonmoeder, die vreesde dat het vrije kunstenaarschap een te wankele basis van bestaan zou blijken te zijn, solliciteerde hij in 1947 naar een baan als docent aan de Academie Minerva, waar een vacature was ontstaan door de pensionering van De Wit. Zelf had hij helemaal geen ambitie in deze richting, daar de verkoop van zijn werk via kunsthandel Niezen niet slecht liep. Omdat hij er echter van uit ging toch geen kans te hebben om aangenomen te worden schreef hij maar een brief om zijn schoonmoeder niet teleur te stellen. Tot zijn verbazing werd hij benoemd en hij zou tot zijn pensionering in 1981 aan de academie verbonden blijven.

Docentschap aan Academie Minerva

In de 34 jaar dat Musch aan Minerva verbonden is geweest, is daar het nodige veranderd. De academie was in 1947 geen zelfstandig instituut, maar, zoals al vermeld, onderdeel van een samenwerkingsverband met de Zeevaartschool en de MTS, onder directoraat van ir. J.A. Muller. De drie afdelingen waren sinds 1922 gehuisvest in een toen nieuw gebouwd scholenkompleks aan de Petrus Driessenstraat.

Gebouw van de Academie tevens Zeevaartschool en Technische School te Groningen, aan de Petrus Driessenstraat (foto gemaakt in 1936) Link  Locatie

Tot 1951 werd de naam 'Academie Minerva' niet gebruikt en pas in 1964, toen Muller met pensioen ging, werd Minerva weer een zelfstandige academie voor beeldende kunsten, onder leiding van een beeldend kunstenaar, de schilder en graficus Wim Zwiers (geb.1922).

Toen Musch docent werd, was het leerlingenaantal nog nauwelijks groter dan in de tijd toen hij er zelf zijn opleiding kreeg: over alle jaren verspreid nog geen twintig. Dit aantal groeide echter in de daaropvolgende jaren zeer snel uit; in 1981 waren er alleen al aan de dagopleiding zo'n vijfhonderd studenten. Deze toename had ondermeer te maken met het feit dat er vanaf het begin van de jaren vijftig diverse nieuwe afdelingen werden ingesteld, zoals een afdeling publiciteit, een modeafdeling en een afdeling decoratief ontwerpen. Door deze veranderingen werd het lerarencorps in de loop der jaren ook aanzienlijk uitgebreid. Waren er toen Musch in dienst kwam naast hem nog maar twee andere docenten, Willem Valk, van wie Musch in zijn eigen studietijd alles had gekregen, en Nico Bulder, die twee jaar voor hem benoemd was, toen hij afscheid nam lag het aantal docenten rond de tachtig. Met verschillende van hen, zoals Rudi Bierman, Folkert Haanstra, Diederik Kraaypoel, Jentsje Popma, Johan Sterenberg, Wim van Veen en Frans van der Veen, heeft hij door de jaren heen een heel plezierig en inspirerend contact gehad.

Door de schaalvergroting ontstond er aan het eind van de jaren vijftig een nijpend ruimtetekort in het gebouw aan de Petrus Driessenstraat. Aanvragen voor een nieuw gebouw werden niet gehonoreerd, waardoor men gedwongen werd in dependances verspreid over de stad te gaan lesgeven.

Eén van de gebouwen waarin de Academie Minerva gehuisvest was, in een voormalige mosterdfabriek aan de Mussengang in Groningen (foto gemaakt in 1981; Beeldbank Groningen© ) Locatie

Op het laatst waren er acht verschillende lokaties in gebruik, wat veel tijd met heen en weer gaan voor de docenten met zich meebracht. Musch vond dit een zeer vervelende situatie en heeft altijd gepleit voor één onderkomen waar alle afdelingen weer gebundeld konden worden. Het zou echter nog tot drie jaar na zijn afscheid duren, tot 1984, voor het nieuwe gebouw van de Academie Minerva, naar ontwerp van Piet Blom, aan het Gedempte Zuiderdiep in gebruik genomen werd.

In 1947 begon Musch met enige reserve aan het lesgeven, met de gedachte dat hij zich altijd weer kon terugtrekken als het hem echt niet beviel. De begintijd was moeilijk, omdat het hem ontbrak aan enige onderwijservaring. Hij probeerde daarom maar aan te sluiten bij de manier van lesgeven van zijn voorganger, De Wit, van wie hij zo'n tien jaar daarvoor zelf les had gekregen. Geleidelijk aan begon hij echter veranderingen aan te brengen en werd een eigen inbreng duidelijk zichtbaar. Zo voerde hij bijvoorbeeld het tekenen naar bewegend model in om zijn studenten te leren de essentie van een beweging vast te leggen. Een ander moeilijk punt in de beginjaren was dat zijn eerste leerlingen nauwelijks jonger waren dan hijzelf en dat sommigen van hen, onder wie Wim Crouwel, Herman van Dülmen-Krumpelman en Hendrik Korteling, reeds enige jaren op de academie zaten en al ongeveer wisten in welke richting ze verder wilden gaan.

Al vrij snel kreeg het lesgeven Musch echter te pakken en ging hij zich sterk interesseren voor iedere nieuwe generatie die opkwam. Een gemeenschappelijk punt in de herinneringen van studenten die Musch in zijn eerste jaren als docent hebben meegemaakt is dat zij het enorme verschil aangeven met diens voorganger De Wit. Enerzijds was Musch niet veel ouder dan zijzelf, anderzijds had hij een duidelijk andere benadering. Zo liet Musch veel meer ruimte voor het gevoelsmatige, terwijl De Wit een meer traditionele en wat afstandelijke aanpak had. Musch was minder academisch en toonde zijn leerlingen de poëtische kant van de beeldende kunst. Hij wist daarbij zijn enthousiasme voor de dingen die hem raakten over te brengen op zijn studenten.

Dat hij dat enthousiasme door de jaren heen bleef uitdragen komt ondermeer naar voren uit herinneringen van enige oud-studenten, die op schrift gesteld zijn naar aanleiding van Musch' afscheid van Minerva. De graficus Reinder Homan, die van 1973 tot 1975 studeerde, heeft dit als volgt verwoord: “Naast de schilderkunstige problemen, die je me leerde onderkennen en oplossen, was het en is het nog steeds, we zien elkaar nog regelmatig, vooral je enthousiasme voor het vak in al zijn verschijningsvormen, wat erg aanstekelijk werkte [...]. Ja, volgens mij zijn dat naast een grote vakkennis als schilder en kunsthistoricus, je twee grootste kwaliteiten; je enthousiasme, je voor 100% kunnen geven en je inlevingsvermogen”.

Een facet van het leraarschap dat Musch wat moeilijk viel was het feit dat hij bij nieuwe leerlingen iedere keer weer vanaf de basis moest beginnen. Zij moesten steeds weer ingewijd worden in elementaire begrippen als compositie, kleurstelling, vormkennis. Kea Homan, leerlinge tussen 1957 en 1961, heeft zich over het stilleven-tekenen in haar eerste jaar herinnerd: “Het echt, zogenaamd ouderwets tekenen met houtskool, krijt en conté, van op een bepaalde wijze gegroepeerde voorwerpen uit de stillevenkast! Pas wanneer we daarvan iets terecht brachten, mochten we overgaan tot aquarelleren. Vorm, toon, sfeer en stofuitdrukking waren de dingen waarop het aankwam. En als je dan na vele dinsdagochtenden ploeteren dacht dat je er was, begon het pas echt! Dan moest je doorgaan, steeds weer doorgaan. Daar Evert zijn pupillen al heel snel kende, wist hij wat hij kon vragen en hoelang. Inzinkingen en zogenaamde dode punten kwamen in die tijd veelvuldig voor, maar Evert zag kans deze te overwinnen door aanmoedigende en stimulerende gesprekken en ons zo te motiveren tot doorgaan. Evert verwachtte veel, tijdens die lessen, maar niet het onmogelijke en deze benaderingswijze heeft er stellig toe bijgedragen dat wij hogere eisen  aan ons zelf gingen stellen en onszelf kritischer gingen volgen”.

Musch heeft het altijd heel belangrijk gevonden dat elke leerling de basisvaardigheden, de ambachtelijke kant van het vak, goed leerde beheersen. Toch vond hij dat de techniek niet mocht gaan overheersen; in een interview uit 1984 heeft hij hierover gezegd [8]: “Kunstonderwijs is voor mij altijd de vorming van creativiteit geweest, waarop direct de vaktechniek volgt. Het gaat in de eerste plaats om de ontwikkeling van de creatieve mens. Als je uitsluitend uit wilt gaan van vakmanschap, dan wordt het imitatief, dan ga je voorbeeldjes geven, dan zeg je: werk dat maar eens uit, dan ben je er. Maar dan ben je toch nergens? Ik ben altijd tegen imitatie geweest”.

Fazantenpoot, 1943. Litho, 4,5 x 16,5 cm, particuliere collectie. Link

Musch heeft zijn studenten nooit een speciale stijl willen opleggen. Hij heeft altijd gerespecteerd dat iedere leerling een eigen inzicht had dat bij hem hoorde en gevonden dat iedereen vanuit zijn eigen persoonlijkheid moest werken: het werk van de leerlingen mocht geen “schoolgezicht” krijgen. Zo kon het voorkomen dat er in eenzelfde jaar mensen zaten die de abstracte kant uitgingen en anderen die puur realistisch werkten. Ook wanneer leerlingen een richting uitgingen die hij zelf nooit zou kiezen, dan probeerde hij zich toch steeds in hen te verplaatsen.

Over zijn manier van lesgeven heeft Musch in een interview uit 1972 ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum gezegd [9]: “Leraar zijn is trouwens ook een vorm van creativiteit, omdat je voor anderen een stimulans bent, anderen prikkelt. Leraar aan een kunstacademie is niet een lesje lezen, een leraar in de kunst heeft niet iets bestaands te vertellen, maar iets over een vorm die nog komen moet, die nog niet bekend is. En dat nieuwe moet ook komen vanuit de leraar zelf. Ik heb nooit gedacht: nu ga ik mijn leerlingen vertellen wat ik te vertellen heb. Ik ben altijd uitgegaan van de wisselwerking. Je krijgt een leerling en die heeft een zekere bagage en vanuit dat vermogen moet je als leraar uitgaan. Je moet proberen het meer gestalte te geven”.

Hoewel deze instelling ten opzichte van het lesgeven veel energie en inspanning kostte, heeft Musch dit als de enige manier gezien om goed les te geven. Jan van Loon, student van 1957 tot 1961 en tegenwoordig zelf als docent aan Minerva verbonden, heeft over Musch' betrokkenheid bij zijn leerlingen geschreven: “Als collega bleek me dat hij met niet aflatende inzet altijd weer bezig was mensen warm te maken voor licht, kleur, het spontane element, etc.. Op werkbesprekingen was Evert de man die in de meest onooglijke aquarel wel weer een mooi stukje kon aanwijzen om op die manier mensen met minder goede resultaten moed in te spreken. Hij bleef vertrouwen houden in de mogelijkheden van studenten waarmee hij werkte en dat maakte hem tot een zeer bijzondere docent”.

Hoewel Musch zijn eigen visie niet heeft willen opleggen vertoont het werk van sommigen van zijn studenten toch verwantschap met dat van hem. Musch voelt dat bijvoorbeeld heel sterk bij de stillevens van Ben Snijders (van 1961 tot 1965 student aan Minerva), waarin hij een sterke verwantschap ziet met stillevens die hijzelf vroeger gemaakt heeft. Hij zegt daar echter bij dat Snijders dat niet van hem heeft overgenomen, maar dat die zich uit eigen beweging zo heeft ontwikkeld. Snijders zelf heeft zich over Musch' lesgeven herinnerd: “Vooral met stilleven schilderen heb ik veel aan hem gehad. Zijn enthousiasme werkte altijd aanstekelijk. Het was prettig om, in het begin, met hem wat bussen, flessen, een paar lappen (dat alles kwam uit de grote stillevenkast met de glazen schuifdeuren) zo bij elkaar te zetten, dat het een te schilderen stilleven vormde. Hij had er meestal geen theoriën over, maar werkte op je gevoel en je kritiek. Tijdens het schilderen liep hij zo nu en dan rond, en bleef pas bij je staan als je niet meer verder kon. Na wat gepraat en samen kijken, veel kijken, kon je dan vaak wel weer door”.

Link

Olifant in de dierentuin in Emmen, 1958, gewassen krijttekening, 34 x 40 cm, part. coll. Locatie

De lessen werden overigens niet alleen in de academie gehouden; Musch ging ook geregeld met zijn leerlingen naar de Hortus Botanicus in Haren en af en toe naar de dierentuin in Emmen. Daarnaast werd er ook veel in de open lucht landschap geschilderd en vonden er af en toe excursies naar het buitenland plaats. Arend Kuiper, tussen 1972 en 1978 leerling van Musch, over dat buiten werken: “Nooit heb ik Musch als docent kunnen zien die me onderwees hoe je moest schilderen, maar wel als schilder die je liet meeproeven van kleur, licht en atmosfeer. Niet binnen de lokalen gebeurde het allemaal, ook buiten, of het nu landschap was of de mensen op straat. Door zijn fijngevoeligheid ten aanzien van het landschap toonde hij je ook de ziel van dat landschap”.

Link

Evert Musch schilderend bij Anloo, circa 1960. Locatie

Behalve de praktijklessen heeft Musch ook kunstgeschiedenis gegeven en bezocht hij regelmatig met zijn leerlingen belangrijke tentoonstellingen. Hij heeft sommige van zijn leerlingen ook deelgenoot trachten te maken van zijn plezier in het verzamelen van grafiek, tekeningen en antiquiteiten, waarmee hij al in zijn eigen opleidingstijd begonnen was. Zijn collega-docent Ralph Prins heeft hierover in 1981 opgemerkt [10]: “In latere gesprekken, - over Ming, grafische technieken of archeologie, viel me de aandacht op, waarmee je over de dingen die je na staan kon praten. Op je best was je, als de grenzen tussen droom en realiteit werden overschreden en in elkaar overgingen, zoals toen je sprak over een werkstuk van Rembrandt, waar je eerst over droomde en hoe dit dan in je bezit kwam. Dan herkende ik goed die kant van je die naar het schouwende ging”.

In veel herinneringen van oud-leerlingen komt naar voren, dat Musch meer voor hen was dan zomaar een docent. Er groeide vaak een persoonlijke band en velen van hen hebben nog steeds regelmatig contact met hem, nu als collega's en goede vrienden.

Schilder in Drenthe

Door zijn docentschap aan de academie heeft Musch weinig tijd overgehouden voor zijn eigen artistieke werk. Toch vond hij het heel belangrijk om zelf beeldend bezig te blijven en hij heeft hierover in het al eerder geciteerde interview naar aanleiding van zijn 25-jarig jubileum gezegd: “Ik heb mijn leraarschap nooit willen loskoppelen van mijn werk als schilder. Als je niet blijft doorwerken als schilder kun je misschien nog wel een goede leraar zijn, maar het gevaar dat je dan niet met de ontwikkelingen blijft meegroeien is dan niet denkbeeldig. Met de vaktechnische ontwikkeling ben je misschien wel bij, maar met de geestelijke zaken raak je onherroepelijk achterop”. Hoe zijn lesgeven zijn eigen werk indirekt beïnvloed heeft, heeft hij in 1961 als volgt verwoord [11]: “Het heeft grote waarde dagelijks contact te hebben met jonge mensen, die anders denken dan ikzelf. Het heeft een bepaalde invloed op je werk. Iets wat je niet in 't werk kunt zien, maar dat er wel is. Ik ben blij dat ik in Groningen leraar ben”. De periodes waarin hij de meeste tijd had om zelf te werken waren de zomervakanties. Hij maakte dan geregeld reizen naar het buitenland, naar Italië, Duitsland, maar vooral naar Frankrijk, waar hij veel landschappen heeft gemaakt. In Drenthe zelf heeft hij natuurlijk ook veel landschappen geschilderd. Daarnaast heeft hij af en toe familieleden en bekenden geportretteerd en, vooral in de jaren vijftig en de laatste paar jaar, stillevens op het doek gezet.

Nadat hij in 1945 in Drenthe was gaan wonen, kwam hij al gauw in contact met andere schilders uit de provincie, met wie hij samen ging exposeren. Zo nam hij tussen 1946 en 1953 geregeld deel aan de zomertentoonstellingen in het Gymnasium in Assen van de “Drentse Schilders”. Tot deze groep die meteen na de oorlog ontstaan was, behoorden ondermeer E.B. von Dülmen-Krumpelmann, Hans Heyting, L.A. Kortenhorst, Hein Kray, Arent Ronda, Willy Schoonhoven van Beurden, Klaas Smink, Antony Keizer, Albert Torie en Jentinus Ponne  Musch' inzendingen op deze exposities, voornamelijk Drentse landschappen, werden in besprekingen vaak geprezen. Jan Ubink vond zijn Landweg Anloo-Eext een van de beste werken van de tentoonstelling van 1947 [12]. Vijf jaar later schreef een andere recensent, ene St., naar aanleiding van “Anloër diepje” en “Voorjaar in Zeegse” [13]: “De Drentse sfeer ligt hem buitengewoon goed”.

Link

Schapendrift te Meppen (Drenthe), 1950. Olieverf op linnen, 45 x 60 cm, particuliere collectie. Locatie

Min of meer als voortzetting van de Drentse Schilders werd in 1954 het “Drents Schildersgenootschap” (DSG) opgericht, welke vereniging ook nu nog een belangrijke rol in de Drentse kunstwereld speelt. Oprichters waren behalve Musch, E.B. von Dülmen-Krumpelman, Arent Ronda, Antony Keizer, Albert Torie, Joop Schuurhuis, To Jager, Marieke Eisma et Herman von Dülmen-Krumpelman. Het DSG organiseerde, vooral tot de jaren zeventig, in veel plaatsen over de hele provincie verspreid tentoonstellingen, waardoor de plaatselijke bevolking vaak de eerste gelegenheid geboden werd om met beeldende kunst in aanraking te komen. Musch heeft aan de meeste daarvan meegewerkt, zowel organisatorisch als door het inzenden van werk. In de loop der jaren waren op deze exposities voorbeelden te zien van alle verschillende onderwerpen en technieken die hij zoal heeft beoefend. Nog steeds is hij actief lid van de vereniging.

Ondertussen was Musch met zijn gezin in 1952 naar Schipborg verhuisd, waar drie jaar later zijn jongste zoon, Johannes, werd geboren. In en rond Schipborg en Zeegse woonden enige kunstenaars die in de eerste helft van de jaren zestig geregeld ‘s zomers werk tentoonstelden in de Openbare Lagere School van Schipborg, de “school van Meester Zuurke”. In de loop der jaren namen naast Musch ook To Jager, E.B. von Dülmen-Krumpelman, Herman von Dülmen-Krumpelman, Marieke Eisma, Joop Schuurhuis, en Bernard Franssens aan deze exposities deel. Het initiatief voor een dergelijke tentoonstelling werd in 1961 in de Provinciale Drentsche en Asser Courant zeer geprezen [14]: “Een zomerexpositie als deze is niet alleen belangrijk voor de directe omgeving, doch voor de gehele provincie, omdat hiermee Drenthe ook op cultureel gebied iets kan bieden, dat vroeger alleen mogelijk was in het Westen van het land. [...] Voorts zijn exposities op het platteland belangrijk voor de culturele verheffing van de bevolking, die hierdoor in eigen omgeving in staat wordt gesteld er van kennis te nemen”.

Link

Montagne Sainte-Victoire (Provence), 1953. Aquarel, 37 x 49 cm, particuliere collectie. Locatie

Zoals al vermeld, maakte Musch vanaf de jaren vijftig geregeld reizen naar het buitenland waar hij nieuwe inspiratie opdeed. Frankrijk was en is hierbij een favoriet reisdoel, waarschijnlijk omdat het Musch, zoals hij in een interview in de Leeuwarder Courant uit 1981 opmerkte, aan Drenthe doet denken [15]: “Een mieters land is het, net Drente, het heeft iets menselijks. En dan natuurlijk het landschap daar en dat licht. Ik houd van die pasteltinten die je daar hebt”.

In 1961 kreeg Musch de kans een tocht naar Israël te maken. Hij was één van de twaalf kunstenaars die op uitnodiging van het Koninklijk Zeemanscollege “De Groninger Eendracht” op een coaster een reis mochten maken naar een bestemming naar eigen keuze. Musch reisde per trein naar Livorno (Italië) en scheepte daar in op de “Arizona” die hem naar Israël bracht, waar hij ondermeer Jaffa en Akko bezocht.

Storm op de Middellandse Zee, 1961. Aquarel, 54 x 76 cm, particuliere collectie. Link

Tijdens deze reis maakte hij veel aquarellen en tekeningen en een schilderij in tempera, zowel van de zee en de golven tijdens de bootreis als van het landschap en de plaatsen in Israël. Een keuze uit de resultaten van alle deelnemende kunstenaars werd op meer dan 20 plaatsen geëxposeerd onder de titel “Ku(n)stvaart”.

 Link

Straatje in het Arabische gedeelte van Akko (Palestina/Israël), 1961. Aquarel, 48 x 34 cm, particulière collectie.

Hoewel Musch het heel belangrijk vond om zelf te blijven schilderen bracht dit naast zijn werk aan de academie op den duur toch teveel spanning met zich mee. Terugkijkend zei hij hierover bij zijn afscheid van Minerva in een vraaggesprek met het Nieuwsblad van het Noorden [16]: “Die spanning is me op een gegeven moment ook opgebroken. Ik moest er een aantal jaren mee stoppen”.

In deze periode, waarin Musch niet voor zichzelf kon werken en tijdelijk ook zijn lesgeven moest staken, zat hij echter niet stil. Hij besteedde zijn tijd toen aan het grotendeels eigenhandig restaureren van de boerderij in Anloo, waarin hij nog steeds woont.

Die boerderij had Musch samen met zijn oudste zoon Jan Evert al enkele jaren eerder, in 1970, gekocht.

De doorslag bij de aankoop van de in zeer slechte staat verkerende boerderij gaf een eind 18e eeuwse ets door Hendrik Schwegman naar een tekening van Egbert van Drielst, die Musch tegenkwam bij een antiquair in Eelde. Op deze prent, “Te Anlo in het Landschap Drenthe”, stond de boerderij afgebeeld en

Te Anlo in het Landschap Drenthe, 1760-1818. Ets door Egbert van Drielst (1745-1818), Drents Museum Assen. Link

aan de hand hiervan begon Musch in 1975 met de ingrijpende restauratie. In een interview uit 1985 heeft hij hierover verteld [17]: “Midden in de winter werd met het werk begonnen. Ik heb er eerst veel vaklui bij gehad, waardoor ik zo spoedig mogelijk met mijn gezin het voorhuis kon betrekken. Daarna ben ik zelf ook aan het timmeren en metselen geslagen. We zijn er vijf jaar lang 16 intens mee bezig geweest. We gingen nooit met vakantie en alle vrije avonden en weekeinden werden er aan besteed”.

In 1980 was de verbouwing gereed en in september werd de expositieruimte die op de deel was ingericht geopend. Musch heeft hier een aantal jaren exposities georganiseerd, onder meer van werk van oud-leerlingen en van hemzelf.

De genoemde prent naar Van Drielst is een van de vele kunstwerken die Musch in de loop der jaren heeft verworven. Al vanaf het eind van de jaren dertig verzamelt hij op een breed terrein: oude grafiek, waaronder bladen van Hendrik Goltzius, Antonie van Dijck en Rembrandt van Rijn, Japanse prenten, het lithografisch werk van Theo van Hoytema en grafiek en tekeningen van andere 19e en 20e-eeuwse kunstenaars. In 1963 hield hij op verzoek van de toenmalige directeur van de Provinciale Drentsche en Asser Courant een tentoonstelling van een gedeelte van zijn verzameling, waar bladen vanaf de vijftiende tot de negentiende eeuw te zien waren. Musch is nog steeds bezig met het aanvullen van zijn collectie en gaat regelmatig langs bij antiquairs en veilingen. Hoewel hij in de eerste plaats natuurlijk dingen verzamelt die hij mooi vindt, is hij ook sterk geïnteresseerd in de technische en (kunst)historische achtergronden. Vanwege zijn grote kennis op deze gebieden treedt hij regelmatig op als adviseur van het Drents Museum.

Musch verheugde zich erop om na zijn afscheid van Minerva volop tijd te hebben om zelf weer aan het werk te gaan. Dat dit echter langzamer op gang kwam dan hij gehoopt had, kwam gedeeltelijk doordat zijn gezondheid te wensen overliet en gedeeltelijk door zijn betrokkenheid bij twee acties op zeer verschillende gebieden. In het voorjaar van 1983 deed een uitspraak over het niveau van Drentse portretschilders veel stof opwaaien en als reactie hierop zette een aantal van hen, onder wie Musch, een protestactie op touw die resulteerde in het organiseren van een route langs open ateliers, onder de titel “Bekijk het maar”.

Link

Omslag van het “Groene Boekje”[18]gemaakt in het kader van de aktie tegen het plan van de aanleg van een EOT  eenheidsoefenterrein) in de Strubben-Kniphorstbos, 1984. Men ontwaardt hier Folkert Haanstra (op de voorgrond) en Tonnis de Boer.

Een jaar later, eind 1984, protesteerde hij samen met andere kunstenaars uit de omgeving tegen de inrichting van een militair oefenterrein in de Schipborger Strubben en in het Kniphorstbos bij Anloo. De aantasting van dit natuurgebied, die daarvan het gevolg zou zijn, ging Musch zeer aan het hart, getuige een uitspraak in een interview in de Hoogeveensche Courant uit 1985 [19]: “Als het een EOT [= eenheidsoefenterrein ] wordt, worden er banen aangelegd, gaat men er rijden met rupsbanden en het hele gebied gaat er aan. Weet u, dat daar meer dan veertig grafheuvels liggen en twee hunebedden. En je vindt daar unieke strubben, zoals nergens anders meer in Drenthe. Het zou doodzonde zijn, als dat zou verdwijnen”.

Verschillende kunstenaars, onder wie velen die kortere of langere tijd les hadden gehad van Musch zoals Herman van DuImen Krumpelman, Bart Pots, Anneke Kuyper, Jan van Loon, Ben Snijders, Reinder Homan, Ben van Voorn en Albert Rademaker, legden hun impressie van dit 'bedreigde stukje oerlandschap in Drenthe' vast. De resultaten daarvan werden tentoongesteld in Galerie Musch en enkele ervan werden afgebeeld in een boekje dat ter gelegenheid van de aktie verscheen en dat ondermeer aangeboden werd aan de leden van de Staten Generaal. Waarschijnlijk mede door deze actie werd een beslissing uitgesteld en is tot op heden nog geen definitief besluit genomen.

Pas de laatste paar jaren heeft Musch weer de rust en de tijd gevonden om te schilderen en heeft hij de nodige nieuwe werken gemaakt, waaronder verscheidene bloemstillevens. Hij heeft ook plannen om het etsen weer op te nemen, dat hij sinds het eind van de jaren dertig niet meer heeft beoefend, en de oude etspers van Minerva die hij bij zijn afscheid gekregen heeft te gaan gebruiken.

Link

Gezicht op het dal van de Drentsche A bij Schipborg gezien vanaf de Kymmelsberg, 1946. Ingekleurde pentekening, 20 x 77 cm, Drents Museum Assen.

Door alle verschillende activiteiten die Musch in de loop der jaren heeft ontplooid - schilderen, lesgeven, verzamelen, tentoonstellingen en lezingen organiseren, maatschappelijke acties - heeft hij veel invloed gehad op diverse terreinen van de Drentse samenleving. Als teken van erkenning hiervoor werd hem in

1985 de Culturele Prijs van Drenthe toegekend. Gedeputeerde Staten verwoordden hun motivatie als volgt: “De beeldend kunstenaar Evert Musch krijgt de individuele prijs 1985, vanwege zijn bijzondere verdiensten als beeldend kunstenaar en voor de bevordering van belangstelling voor beeldende kunst in Drenthe in het algemeen, alsmede om zijn verdiensten als bekwaam docent en vanwege zijn inzet voor het behoud van het Drentse landschap. [...] De bijzondere kenmerken van Evert Musch, te weten een oprechte belangstelling voor mensen en een bijna intuïtief gevoel voor artisticiteit, zijn de grondslag voor alles wat hij tot nu toe gedaan heeft: als graficus, als schilder en als docent aan de academie, als kenner en minnaar van Drente, verzamelaar van prenten, galeriehouder en als restauratiearchitekt van zijn eigen, eeuwenoude boerderij”.

Sinds de instelling van de individuele Culturele Prijs in 1955 was het de derde keer dat deze werd toegekend aan een beeldend kunstenaar. Voor Musch werd in 1967 de Meppeler kunstenaar Klaas Smink onderscheiden en tien jaar daarvoor, in 1957, E.B. von Dülmen Krumpelmann uit Zeegse. Bij de overwegingen die tot de toekenning aan Van DuImen Krumpelmann hadden geleid, werd toen ondermeer diens grote invloed op jongere Drentse kunstenaars als Arent Ronda en Evert Musch genoemd. Bijna dertig jaar later werd bij de toekenning aan Musch diens invloed op de volgende generatie beeldende kunstenaars, onder wie de grafici Reinder Homan en Kea Homan, benadrukt. Musch, die zeer verrast was toen hij hoorde dat hij de Culturele Prijs zou krijgen, heeft dit niet alleen ervaren als erkenning van zijn artistieke werk, maar ook als een erkenning van zijn kwaliteiten als actievoerder. Dat hij dat aspect ook zeker als zeer belangrijk beschouwde bleek wel uit zijn dankwoord, waarin hij andermaal opriep tot behoud van de Strubben en het Kniphorstbos.

.

STIJL ET THEMATIEK

Schilderijen, aquarellen en tekeningen

Landschappen

Wie aan het vrije werk van Musch denkt, zal zich in de eerste plaats vlot opgezette, kleurige landschappen voor de geest halen. Dit soort werk neemt inderdaad de belangrijkste plaats in zijn oeuvre in, maar dat was nog niet meteen vanaf het begin van zijn loopbaan het geval. Hoewel Musch al in de jaren dertig en veertig het Groninger land introk om te tekenen, begon het landschap pas na de oorlog, toen hij zich in Drenthe gevestigd had, een steeds grotere rol te spelen. In zijn Groningse periode maakte hij buiten voornamelijk potlood- en krijttekeningen, waarin hij de natuur tamelijk gedetailleerd en precies weergaf; in Drenthe ging hij veel meer met olie- en waterverf in de openlucht schilderen, waarbij het coloriet een steeds belangrijker element werd.

Terwijl Musch in zijn schilderijen uit de periode eind jaren veertig-begin jaren vijftig nog vasthield aan een vrij gedetailleerde werkwijze, is in zijn aquarellen en tekeningen uit die tijd een duidelijke verandering zichtbaar ten opzichte van zijn vroegere werk. De lijnvoering is veel losser en breder van opzet.

Link

Zwemmend eendje, 1946. Penseel in Oost-indische inkt, 7 x 11 cm, particuliere collectie.

Platanen in Le Tholonet (Provence), 1953. Olieverf op linnen, 75 x 100 cm, particuliere collectie. Link  Locatie

Deze ontwikkeling naar een meer impressionistische stijl is in zijn schilderijen na verloop van tijd, vooral na zijn eerste buitenlandse reizen naar Italië en Frankrijk in het begin van de jaren vijftig, ook terug te zien. Die buitenlandse reizen hadden ook invloed op Musch' kleurgebruik, het felle, harde licht komt bijvoorbeeld in zijn Franse landschappen sterk naar voren.

Toch nemen de Drentse motieven de voornaamste plaats in binnen de landschappen. Vanaf het begin heeft het Drentse landschap Musch zeer aangetrokken en het vastleggen van het karakteristieke daarvan fascineert hem tot op de dag van vandaag. Dat geheel eigen karakter van het land komt onder meer goed tot uiting in zijn uitbeelding van het stroomdal van de Drentse Aa. Toen hij nog maar kort in Zeegse woonde, maakte hij daarvan eerst een uitvoerige ingekleurde pentekening en aan de hand daarvan heeft hij vervolgens een groot doek van 55 x 205 cm geschilderd, waaraan hij bijna tien jaar, tussen 1946 en 1955, heeft gewerkt. Dit werk gaat Musch zeer aan het hart en hij heeft hierover kort geleden in een interview in de VVV-gids Drenthe gezegd [20]: “Het is een weerslag voor mij van het land waar ik toen woonde: de Drentse Aa rond Schipborg. Het hele gebied tot aan Oudemolen toe. Moet je zien: rond het midden van de twintigste eeuw is er nog zó'n landschap! Hier heeft geen bulldozer ooit gewerkt, alleen een boer met zijn schop. De rivier de Drentse Aa gaat nog helemaal zijn eigen gang, met al zijn kronkeltjes. In die tijd klonken er geluiden over kanalisering en ik wilde dit prachtige gebied voor mezelf vastleggen, voordat het verknoeid zou zijn. Gelukkig werd het gebied toen tot beschermd gebied verklaard. Het ligt er nog net zo bij als hier op het schilderij”.

Link

Gezicht op het dal van de Drentsche A bij Schipborg gezien vanaf de Kymmelsberg, 1946-55. Olieverf op linnen, 55 x 205 cm, Drents Museum Assen. Locatie

Over de werkwijze die hij bij het maken ervan gevolgd heeft, vertelde hij onlangs in een vraaggesprek in de Koerier [21]: “Ik heb het zittend op een heuvel gemaakt. Je maakt ter plekke eerst een uitvoerige tekening. Vervolgens moest ik het binnen afmaken. Dat gebeurde stukje bij beetje, want steeds moest ik even naar de bewuste plek toe om te controleren of alles er nog net zo uitzag. Het duurde uiteindelijk jaren voordat het af was, terwijl je andere schilderijen er soms in een paar uur uitrukt”.

Bij het bepalen van een onderwerp voor een landschap gaat Musch sterk op zijn gevoel af. Over de manier waarop hij daarbij te werk gaat, staat in hetzelfde interview te lezen: “Ik ben iemand die het van de direkte waarneming moet hebben. Voordat ik met een schilderij begin, maak ik eerst een krabbel. Dan weet je waar je mee bezig bent en dan heb je het in de vingers. Daarna kan het op het witte doek. [...] Niet iedere plek is geschikt voor een compositie. Het licht en de atmosfeer moeten je treffen. Je gaat niet zomaar ergens staan. Als je ergens rondloopt moet je ineens een kick krijgen. "He, dat doet me wat", denk je en dan begin je te werken”.

Hoewel hij alweer ruim veertig jaar in Drenthe woont, wordt hij nog steeds door het landschap geïnspireerd, getuige een uitspraak uit het artikel in de VVV-gids: “Het liefst ga ik naar buiten in de omgeving om te werken. Hier vlak achter het huis of nog ergens anders in Drenthe. Bij Gasteren bijvoorbeeld is het schitterend mooi. Daar heb je zowel de Drentse Aa als de hei, heuvels en stukken moeras, een verrekt mooie plek. Ik denk niet dat je in Europa nog veel plekken vindt waar het nog zo gaaf is als hier in Drenthe. [...] Op zoek naar een mooi plekje loop ik door het landschap en dan ..... pfffft, dan krijg ik dat gevoel. Dat plekje is het dan voor mij. Ik moet even een kick krijgen. En dat plekje is het dan ook precies zoals het is. [...] Ik onderga het landschap heel intens. Ik probeer erin te kruipen. Dàt ben IK”.

Ondanks het feit dat zijn Drentse omgeving hem zeer lief was, trok Musch ook de grenzen over om in andere omgevingen het landschap te bestuderen. In 1951 maakte hij zijn eerste buitenlandse reis, naar Italië, en twee jaar later volgde de eerste van vele tochten naar Frankrijk. Ondanks de enorme verschillen tussen de landschappen in Drenthe en Frankrijk zocht Musch naar de overeenkomsten en gaf die weer in zijn werk. Hans Heyting heeft hierover in 1962 geschreven: “Wat hij in Drenthe vond, vond hij in Frankrijk: het mystieke, het lyrisch-romantische. Ook al werden zijn kleuren onder de zuidelijke zon harder en helderder, ook al verrijkte hij zich met meuwe motieven: hij schilderde het Franse landschap vanuit een Drentse geest”.

Link

Landschap in de buurt van Montbrison-sur-Lez (Drôme provençale), 1972. Olieverf op linnen, 65 x 80 cm, particuliere collectie. Locatie

In 1960 volgde een tocht naar de Dolomieten, waar landschappen ontstonden die door hun uitgesproken kleuren een meer expressionistisch karakter hebben. Het jaar daarop reisde Musch, zoals al eerder vermeld, met een coaster naar Israël. Onderweg maakte hij veel studies van de zee en de golven en in Jaffa en Akko legde hij in snel uitgevoerde, haast schematische, tekeningen en aquarellen het stadsbeeld vast. Twee jaar later, in 1963, maakte hij een reis langs de Moezel en vervaardigde een aantal gezichten op de karakteristieke hellingen langs de rivier.

Dat het landschapschilderen al vrij vroeg in zijn loopbaan een belangrijke plaats in zijn werk innam, blijkt ondermeer uit een artikel van W.J. Eelssema uit 1954, waarin deze zich afvroeg [22]: “Vindt Evert Musch in zijn landschappen zijn grootste kracht? De bewering zou niet al te bout zijn. In elk geval is het waar, dat het karakter van Musch zich het sterkst uitspreekt in zijn landschappen. Het is hier, zoals ook in zijn bloemstukken, die wonderlijk warm van kleur zijn, niet een nabootsing van de natuur, doch eerder een scheppen. Zowel wat zijn landschappen uit Nederland als uit Italië en Frankrijk betreft. Vaak treft in deze werken de liefde voor het detail, dat nimmer verwaarloosd wordt. Steeds treffen ook de kleuren van zijn persoonlijk palet evenals het compositie-vermogen, dat van elk doek iets bijzonders en iets gaafs maakt”.

Portretten

In het zojuist geciteerde artikel gaf Eelssema ook een karakterisering van een andere onderwerpskategorie die een grote plaats inneemt in Musch' oeuvre, zijn portretten: “Evert Musch is gelukkig ver verwijderd van  bombast en gevoelsromantiek. Zijn portret van een verwaaid meisje zou iets van een sentimenteel medelijden kunnen worden, maar is door de klare kijk van de schilder een gezond brok meegevoel. Het portret van Van Giffen, met andere kleuren op de achtergrond dan gewoonlijk het geval is, blijft lang in de herinnering. Het is bijna een vastgelegd begrip geworden, pregnant en vast omlijnd weergegeven. Zo sterk zelfs, dat bij niet al te wilskrachtige toeschouwers de plastische weergave tot prototype in de verbeelding zou kunnen worden. Wat het ook zij, boeiend zijn deze portretten in elk geval. Juist omdat dit werk eerlijk is, zonder trucjes, die snel zouden kunnen vervoeren, maar even snel teleurstellingen zouden verwekken en een luchtledige ruimte zouden achterlaten”.

Link

Portret van professor A.E. van Giffen, 1954. Olieverf op linnen, 84 x 66 cm, collectie Drents Genootschap.

Het portret van de bekende archeoloog professor dr. A.E. van Giffen heeft Musch in 1954 in opdracht van het Drents Genootschap (de Culturele raad van Drenthe) geschilderd. Dit portret moest deel uit gaan maken van een serie portretten door Drentse kunstenaars van vooraanstaande personen in de Drentse samenleving, de zogenaamde “Drie Podagristen-collectie”, waartoe het Genootschap in het begin van de jaren vijftig de aanzet had gegeven.

Musch herinnert zich de volgende anecdote over het uitvoeren van deze opdracht. Van Giffen voelde er weinig voor langdurig te poseren, maar Musch mocht uiteindelijk bij hem thuis komen waar hij een aantal potloodschetsen vanuit diverse gezichtspunten maakte.

Link

Studie voor het Portret van professor A.E. van Giffen, 1954. Potlood, 22 x 15,5 cm, Drents Museum Assen.

Aan de hand van een van die schetsen schilderde hij het portret vervolgens in zijn atelier. Toen het bijna af was kwam Van Giffen nog een keer een half uurtje bij Musch, zodat hij nog de laatste finesses aan kon brengen. Bij de officiële aanbieding van het portret, die op een middag plaats vond, kon Musch niet aanwezig zijn, omdat hij les moest geven. 's Avond kwam er een auto bij Musch thuis voorrijden, waaruit twee heren het schilderij haalden. Zij vertelden dat het portret aangeboden was en dat iedereen, ook de professor, er zeer content mee was. Desondanks had Van Giffen bij het bekijken opgemerkt: “Ach ja, die handen. Zulke handen heb ik niet. Daar moet Musch nog wel even iets aan doen, want zo neem ik het niet”. Musch was het niet met deze kritiek eens en wilde dan ook niets aan de handen veranderen. Om de heren niet onverrichterzake te laten vertrekken werd het volgende bedacht: Musch nam een kwast waar geen verf aan zat en kriebelde wat over het schilderij, zodat de twee heren desgevraagd konden getuigen dat Musch er met een kwast aan geweest was. Musch was er bijna zeker van dat Van Giffen niet zou ontdekken dat er niets veranderd was en dat bleek ook zo te zijn. Toen hij geruime tijd later weer een van de heren zag en vroeg hoe het afgelopen was, vertelde die dat de professor bij het bekijken had gezegd: “Ja, nou is het goed”.

Link

Portret van Job Moek, landbouwer te Annen, 1957. Olieverf op linnen, 57 x 54 cm, particuliere collectie.

Dat Musch deze opdracht kreeg van het Drents Genootschap geeft wel aan dat hij toen reeds, in de eerste helft van de jaren vijftig, naam gemaakt had als portrettist. In de jaren veertig was hij al begonnen met het maken van portretten, de meeste heel uitgewerkt, een enkele al wat losser. Na de oorlog werd zijn werkwijze ook in dit genre steeds vrijer en impressionistischer. De beeltenis van Job Moek uit het eind van de jaren vijftig lijkt in slechts enkele brede vegen te zijn opgezet. Niet alleen in opdracht, maar ook omdat het hem altijd zeer geboeid heeft om iemand die hem interesseert uit te schilderen, heeft Musch door de jaren heen een groot aantal portretten gemaakt. In vele gevallen waren zijn vrouw en kinderen zijn modellen.

Stillevens

In zijn beginjaren heeft Musch vooral stillevens gemaakt, zowel geëtst en gelithografeerd als getekend en geschilderd. De techniek speelde daarbij een zeer belangrijke rol. Zo heeft hij in de oorlogsjaren een enkel stilleven in de techniek van de oude meesters geschilderd, waarbij hij op een eikenhouten paneel over de onderschildering voorzichtig steeds nieuwe doorschijnende verflaagjes (glacis) opbracht. Die aandacht voor de techniek hadden zijn leermeesters op de academie, De Wit en Kort, hem al bijgebracht en ook door het restaureren van schilderijen had Musch veel over de technische aspecten van het schildersvak geleerd. De invloed van Kort was, behalve in technisch opzicht, ook verder nog duidelijk aanwezig in Musch' stillevens uit de eerste periode. Het zijn heel precieze, gedetailleerde en verstilde composities. Tot in de jaren vijftig is Musch geregeld stillevens blijven maken, die langzaamaan steeds meer een eigen karakter kregen, door een lossere penseelvoering.

Link

Stilleven, boeket chrysanthen, 1944. Olieverf op linnen, 42 x 26 cm, particuliere collectie.

Een lange periode heeft hij zich daarna nauwelijks meer met dit onderwerp beziggehouden, maar de laatste paar jaar heeft hij weer een aantal bloemstillevens gemaakt, die veel kleuriger zijn dan de eerdere stillevens en wat stijl betreft dan ook meer aansluiten bij zijn andere werk.

Stilleven met veldboeket en schaal met appels, 1987. Olieverf op linnen, 80 x 65 cm, particuliere collectie. Link

Stadsgezichten, interieurs en andere onderwerpen

Een ander onderwerp waarmee Musch zich in de jaren veertig heeft bezig gehouden zijn stadsgezichten. Uit die jaren heeft hij nog een aantal tekeningen van Groningen, waaronder een van een kijkje over de daken van de stad vanuit de zolderkamer in het huis van zijn ouders aan de Brugstraat, waar hij zelf jaren gewoond heeft. Geschilderde stadsgezichten heeft hij toen niet gemaakt. Wel schilderde hij een gedeelte van het interieur van de Martinikerk en van de kooromgang van diezelfde kerk maakte hij een ets. De stads- en dorpsgezichten die hij in later jaren gemaakt heeft, zijn merendeels in het buitenland ontstaan. Zo heeft hij op zijn reis langs de Moezel in 1963 in Zell an der Mosel de karakteristieke oude huizen met hun overhangende voorgevels geaquarelleerd. Link

Een huis in Zell an der Mosel, 1963. Aquarel, 52 x 37 cm, particuliere collectie. Locatie

Toch heeft hij ook nog wel enkele stadsgezichten geschilderd in Nederland, onder andere in Groningen, Amsterdam, Harlingen en Franeker. Rond het midden van de jaren zestig vond er een opmerkelijke uitbreiding plaats van de door Musch uitgebeelde onderwerpen. Zijn bezorgdheid om de bedreigde natuur en zijn verontrusting over het milieubederf, zoals dat mede veroorzaakt werd door de industrie, de moderne landbouwmethodes en al te rigoureuze ruilverkavelingen, uitten zich in de jaren zestig in werkstukken, die een beeld geven van de moderne technische “vooruitgang”. Zo ontstonden een sombere krijttekening van een raffinaderij te Pernis, een agressieve aquarel van de landbouwbeurs te Zuidlaren en verschillende in- en exterieurs van fabrieken, werkplaatsen en scheepswerven.

Op de Landbouwbeurs in Zuidlaren, 1965. Aquarel, 56 x 76 cm, particuliere collectie. Link  Locatie

Ruimtelijk werk

In diezelfde periode ging Musch ook experimenteren met het gebruik van andere materialen en vervaardigde hij diverse plastieken, zowel van hout als van ijzer. Veel van deze werken toonde hij op

een tentoonstelling die in 1966 gehouden werd bij de Stork Pompenfabriek in Assen. Tot zijn inzending behoorde onder meer een constructie opgebouwd uit onderdelen van pompen, die buiten bij de fabriek werd opgesteld en daar nog steeds staat. In tegenstelling tot zijn schilderijen en tekeningen die impressionistisch van stijl zijn, zijn Musch' beelden meer abstraherend, ook al wordt de band met het onderwerp nooit helemaal losgelaten. Een voorbeeld daarvan is 't Hemeloor, een metaalplastiek van fabrieksafval in vorm geïnspireerd op de radiotelescoop bij Dwingeloo.

Link

Sculptuur samengesteld uit ijzeren pomponderdelen, 1966. Hoogte circa 4 meter, Stork Pompenfabriek Assen Locatie.

Hoewel Musch de objekten met heel veel plezier gemaakt heeft, is hij toch niet doorgegaan op deze weg, maar heeft hij zich verder weer beperkt tot het tekenen en schilderen.

Grafiek en illustraties

Eveneens rond het midden van de jaren zestig heeft Musch ook op grafisch gebied wat geëxperimenteerd en een sterk naar abstractie neigende kartonsnede, “Macchina”, gemaakt. Het was voor het eerst sinds een jaar of twintig dat hij weer in een grafische techniek werkte. Tijdens en kort na zijn studietijd had hij wel geregeld geëtst en gelithografeerd en een enkele keer een houtsnede gemaakt.

Macchina, 1965. Kartonsnede, 37 x 49 cm, particuliere collectie. Link

Bij het etsen, dat hij alleen in de periode 1938-1940 gedaan heeft, ging het Musch vooral om het experimenteren met de techniek en niet om het maken van grote oplagen voor de verkoop. Hij drukte zijn platen af bij de academie en maakte dan een zeer kleine oplage van enkele stuks. Voorbeelden hiervan zijn ondermeer een blad met een gedeelte van het interieur van de Martinikerk in Groningen, uit 1939, en een zelfportret uit 1940.

Zelfportret, 1940. Ets, 28 x 18 cm, particuliere collectie. Link

Lithograferen heeft Musch vaker beoefend, eveneens in het begin van zijn loopbaan. Hij maakte in deze techniek zowel vrij werk, voornamelijk stillevens, zoals de al even genoemde schelpen-serie, als diverse opdrachten. Naast gelegenheidsgrafiek, waaronder nieuwjaarswensen, heeft hij verscheidene ex-libris vervaardigd. Verder lithografeerde hij in 1949 en 1950 in opdracht van drukkerij Van Dingen acht stadsgezichten voor een tweetal kalenders. Die stadsgezichten zijn, evenals de meeste stillevens, kleurenlitho's, waarin Musch alle mogelijkheden die deze techniek biedt ten volle heeft uitgebuit. Opvallend is het zachte, sobere coloriet dat deze bladen hun geheel eigen, verstilde sfeer geeft.

Een ander terrein waarop Musch diverse malen in opdracht heeft gewerkt is dat van de illustratie. Nadat hij, zoals ook al vermeld is, vlak na zijn studie tweemaal een opdracht voor het illustreren van een boek had gekregen, heeft hij in de jaren zestig nogmaals illustraties verzorgd bij een drietal boeken met Drentse poëzie en proza. De laatste keer dat hij op dit gebied aktief geweest is, was bij het in 1982 verschenen boek van Jan A. Niemeijer, “Drente d'olde lantschap”, waarvoor hij een serie pentekeningen van landschappen maakte. Ook in de illustraties is een ontwikkeling te zien van een doorwerkte tekentrant in het vroege werk tot een veel lossere lijnvoering in het latere.

Zandweg door het Balloërveld, 1982. Oost-indische inkt, 38 x 64,5 cm, Drents Museum Assen (gebruikt als illustratie in “Drente d’olde lantschap”). Link  Locatie

Waardering

De waardering voor Musch' werk is vanaf het begin in het algemeen steeds positief geweest. De recensies en artikelen die in de loop der jaren zijn verschenen zijn meestal lovend van toon en uitgesproken negatieve kritiek is zeldzaam, ook al hebben sommige recensenten wel af en toe een stekelige opmerking. Zo ontlokte Musch' inzending naar een expositie bij Pictura in december 1945 een recensent, ene v.L., de volgende beschouwing [23]: “Evert Musch is de raskunstenaar, die nog lang niet is waar hij wezen wil. Zijn schilderijen geven iets van zijn ontwikkeling te zien. Het "blauw börgje" zou doen vermoeden, dat hij iets reactionair van aanleg is. Toch spreekt er ook uit een gevoel voor realiteit en een scherpe observatie, wat in zijn andere werk veel sterker naar voren komt. Het "blauw börgje" is waarschijnlijk vroeger. Zijn "herfststilleventje" is geraffineerde stofuitdrukking, maar toch is het niet het pulletje wat hij geschilderd heeft. Dit is slechts het middel, het symbool waarmee hij zijn vreugde van kleur en licht en vorm uitspreekt. Het portret in gebogen lijst is bijna religieus in liefdevolle toewijding en rustige zekerheid van harmonie. Toch heeft hij het meeste bereikt in "het paaltje". Het is de stille poëzie van de eenvoudige dingen van het land, maar het is meer dan dat. In de betrekkelijke éénkleurigheid is een variatie van toon, die ons doet denken aan een aria van Bach. In de speling van licht en schaduw heeft hij zich beheerscht als de beste impressionist zonder tot uitbundige tegenstellingen te komen. De beweeglijke toets, die vormgevende waarde heeft, is expressief en toch niet opdringerig en het paaltje zelf is het thema, het motief waarin het geheel zich concentreert. Wat meer spanning, wat meer wagen zouden we zeggen”.

To, schilderend, (1942). Olieverf op paneel, 28 x 16 cm, particuliere collectie. Link

In zijn werk uit de jaren veertig zagen sommige recensenten invloeden van andere schilders, zoals bijvoorbeeld van Musch' leraar aan de academie Kort. Naar aanleiding van een expositie bij kunsthandel Koos Niezen in Groningen begin 1948 werd in een bespreking in De Waarheid geschreven [24]: “Hij is een typisch aanhanger van de traditionele naturalistische vormen, uitspraak, een verheerlijker van de romantische school. Musch is leerling geweest van den schilder Kort [...]. Uit dit milieu weet hij zich niet geheel vrij te maken. Vermoedelijk zal hij voor zijn leven op deze erfenis in zijn werk blijven voortbouwen, tenzij hij hier tegen verzet weet te bieden, en andere wegen weet in te slaan. Het portret van den schilder Ronda en het zuivere jongensportret geven mij aanleiding te veronderstellen, dat hij hier mee bezig is? Als fundament kan zulk een ontwikkeling voor een kunstenaar van het grootste belang zijn, maar wanneer hij in dezelfde ontwikkeling volhardt, heeft zijn kunst te weinig eigen stijl en wordt op den duur dor en fantasieloos. Het bezit dan niet de sprankelende overmoed, die het werk van sommige jongeren, zo fris doet zijn. Dit zou te betreuren zijn voor een jong kunstenaar als Musch, die technisch zeker knap genoemd mag worden”.

Dat zich niet lang daarna al een verandering in het werk van Musch voltrok, blijkt uit een recensie van enkele maanden later in het maandblad Drenthe over een expositie van de Drentse Schilders [25]: “Evert Musch liet op deze tentoonstelling goed werk zien, hoewel ik me afvraag of hij zichzelf nog wel is! Ik meende invloeden van zijn dorpsgenoot van DuImen Krumpelman te bespeuren. Zijn toets is breder, ruiger geworden, zijn prachtige lichtschildering is dezelfde gebleven. Hopenlijk is het zoeken van Musch "in den brede" een zoeken in de goede richting, hoewel ik zulks betwijfel”.

Link

Bastide Saint Jean bij Rousset (Bouches-du-Rhone, Provence), (1953). Gouache, 37 x 49 cm, particuliere collectie. Locatie

In het begin van de jaren vijftig zette de ontwikkeling naar een wat lossere en bredere stijl zich door en in 1953 gaf Jan Ubink hiervan, naar aanleiding van een tentoonstelling van werk van Musch en zijn vrouw To Jager in het VORK-gebouw in Assen, in het Nieuwsblad van het Noorden de volgende karakterisering [26]: “Het werk van Musch sluit niet aan bij die Groninger schilders, die De Ploeg vormen, er deel van uitmaakten of er innerlijk aan verwant zijn. Zijn kleuren zijn veelal zachter, zijn toets ijler. Een expressionist is hij zeker niet, maar wel is er in zijn ontwikkeling een groei tot krachtiger en gedurfder vormgeving en is zijn blik door zijn reizen naar Italië en Zuid-Frankrijk kennelijk ook in artistiek opzicht verruimd. [...] Een kleine veertig schilderijen, tien gouaches en bijna twintig aquarellen geven een goed inzicht in het jongste werk van deze kunstenaar. Het meeste ervan dateert van 1950 en later. Deze grote productiviteit wijst op een gemakkelijk expressie-vermogen, dat bij deze kunstenaar - o.a. in enkele aquarellen - wel eens tot een te grote vlotheid leidt, maar waaraan hij tevens dankt een lyrisch-romantische charme in zijn werk zoals in de Zuid-Franse schilderijen, die bekoorlijk van lijn en kleur zijn en veel sfeer hebben. Stoerder en krachtiger zijn sommige van zijn Drentse werken, vooral de landschappen, en zijn portretten getuigen van een streven om in vorm en naar de geest zijn objecten weer te geven”.

In de schilderijen die Musch in de jaren vijftig op zijn reizen naar Frankrijk maakte, en die op diverse tentoonstellingen van het DSG te zien waren, was volgens verschillende critici de invloed van het Franse impressionisme merkbaar, die zich vooral manifesteerde in het “fonkelend” kleurgebruik. Aan het begin van de jaren zestig ontstaan enkele doeken met landschappen in de Dolomieten, die enige kritiek ontmoeten, omdat enkele recensenten ze “te objectief” of “te reëel” van benadering vonden.

Link

Naderend onweer boven Toblach/Dobbiaco (Dolomieten), (1960). Olieverf op linnen, 66 x 91 cm, particuliere collectie. Locatie

In deze periode bleef Musch tevens Drentse landschappen, portretten en in iets mindere mate ook stillevens exposeren. Zijn weergave van het Drentse land werd over het algemeen zeer geroemd, zowel om het kleurgebruik als om de compositie. Zo werd bijvoorbeeld in een recensie in de Ter Apeler Courant over een expositie in het Klooster in 1960 geschreven [27]: “Zijn liefde voor het Drentse land komt ook op deze expositie weer duidelijk tot uitdrukking. Wij voelen de grote rust, die er uitgaat van de tussen het groen verscholen oude boerderij in AaIden. Het zijn juist deze, met riet gedekte oude boerderijen, die zo typerend voor Drente zijn. Het prille voorjaar komt goed tot uiting in de in paarsen en gelen gehouden houtwal. Juist een schilder als Musch ziet in een voor de meesten vrij onbelangrijk stukje natuur een mooie compositie”.

Ook zijn portretten ontmoetten veel bijval, Musch slaagde er volgens verschillende critici in naast een treffende gelijkenis ook het karakter van zijn modellen vast te leggen.

Link

Scheepssloperij Doeksen op Westterschelling, (1965). Inkttekening, 50 x 65 cm, particuliere collection. Locatie

Rond het midden van de jaren zestig vond er, zoals al gesignaleerd, een opmerkelijke uitbreiding plaats, zowel van de door Musch uitgebeelde thematiek, als van de door hem gebruikte materialen. Veel van de toen ontstane schilderijen en plastieken waren te zien op een tentoonstelling van het DSG die onder de titel “Kijk op techniek” in 1966 gehouden werd bij de Stork Pompenfabriek in Assen en de verandering in zijn werk werd ondermeer beschreven door J.G. van der Bend in de Provinciale Drentsche en Asser Courant [28]: “Evert Musch kennen we als de impressionist. Ook hier heeft hij werk ingezonden, zoals we dan hem gewoon waren. Met liefde geschilderd, haast altijd een beetje studieus, wat al te gedetailleerd: "Bouwput", soms wel eens wat plaatjesachtig: "Landbouwbeurs". Maar Musch is ondergedoken in de industrie. Hij heeft zich eerst laten verbijsteren door de hittige sfeer van een "ijzergieterij". Hier is de impressie bijna bijzaak geworden. Deze "traditionele" kunstenaar is al een tijdlang bezig zich van de uiterlijkheid der dingen los te maken. In Westerbork durfde hij deze zomer te komen met zo maar een paar experimenten. Van afvalmateriaal. En een voorstellingsloze cartonafdruk. Hij is gaan spelen met materialen van verschillende aard. Hij heeft het leven in een dood stuk hout ontdekt, heeft het dode eraf gebeiteld en geschuurd, zodat het een ritmisch bewegen is geworden. Door deze industrietentoonstelling heeft hij tandwielen, metaalkrullen, buizen en gaas gevonden en is daarmee als met klanken begonnen te componeren. Sommige composities zijn na lang overdenken tot stand gekomen. Sommige hebben een meer spontaan karakter. "'t Hemeloor" , geïnspireerd door een gedicht van Roel Reyntjes, en "Opbouw" hebben - hoezeer ook van te voren doordacht - dat spontane vooral behouden. Dat een man, die jarenlang uitsluitend schilder is geweest, in staat bleek een zuil te componeren uit zware blokken ijzer, zodat die van alle kanten gezien in balans is met een verrassende silhouetwerking dwingt onze bewondering af. Wij zouden niet durven voorspellen of Musch in deze richting tenslotte bevrediging zal vinden. Wel zijn wij ervan overtuigd, dat dit experimenteren van grote invloed zal zijn op zijn verdere ontwikkeling”.

Link

Het stroomdallandschap van de Drentsche A bij Gasteren bij avond,(1974). Olieverf op linnen, 62 x 73 cm, particuliere collectie. Locatie

Toen Musch in 1985 de Culturele Prijs kreeg, werd er ter gelegenheid daarvan in het Drents Museum een kleine tentoonstelling van werk uit eigen bezit gehouden. Naar aanleiding daarvan werd in enkele recensies een terugblik op zijn werk gegeven. Eric Bos vatte in het Nieuwsblad van het Noorden Musch' ontwikkeling als volgt samen [29]: “Evert Musch werd vooral landschapsschilder en maakte ook portretten, aanvankelijk realistisch [...], maar allengs in een stijl die overal in de jaren veertig en vijftig (en nu nog wel) in den lande gold: een beetje Goois, een beetje Bergens, een beetje Haags, een beetje Veluws en met een kleurstelling, die je het late Hollandse impressionisme zou kunnen noemen. Maar fauvistisch genoeg om dat van het Franse te onderscheiden. In de laatste jaren is het werk van Musch opener geworden, minder vastzittend aan toetsjes en kleurtegenstellingen op de vierkante centimeter”.

Ook voor de Drentse en Asser Courant was dit de gelegenheid Musch' werk nog eens te beschouwen [30]: “Wat opvalt in de ontwikkeling van Musch is, dat zijn vroegere meer realistische werk heeft plaatsgemaakt voor werk met een impressionistische inslag, althans gelet op techniek, penseelvoering, kleurgebruik. Inhoudelijk zou ik willen zeggen dat zijn werken gaan van het beschrijvende (zie bijvoorbeeld een aquarel als “Uitzicht over de Drentse Aa bij Schipborg 1947”) naar het lyrische en momentane. Nu is dit laatste natuurlijk ook eigen aan het impressionisme, maar Musch weet, als bijna geen ander, dit vluchtige aspect te combineren met verwijzing naar het essentiële van een plek, een gebeuren, een ontroering, daarmee de tijd ver overbruggend”.

Landschap tussen Amen en Hooghalen (het Amerveld),(1976). Olieverf op linnen, 60 x 70 cm, particuliere collectie. Link  Locatie

Slotopmerking

Ondanks het feit dat Musch het grootste deel van zijn werkzame leven als docent verbonden is geweest aan Academie Minerva heeft hij daarnaast toch kans gezien om een tamelijk omvangrijk oeuvre op te bouwen. Aan waardering daarvoor heeft het niet ontbroken, wat niet alleen blijkt uit de vele positieve kritieken, maar ook uit de toekenning van de Culturele Prijs van Drenthe in 1985. Die waardering is echter beperkt gebleven tot de Noordnederlandse kunstwereld; landelijke bekendheid heeft hij nooit gekregen. Enerzijds is dat mogelijk te wijten aan het feit dat hij zich in zijn werk nooit veel heeft aangetrokken van wat de 'mode van de dag' voorschreef, anderzijds heeft hij zelf ook geen pogingen gedaan zijn schilderijen en aquarellen buiten de regio tentoon te stellen en zelfs diverse aanbiedingen van galerieën in het westen om daar te exposeren afgeslagen.

Musch' grafisch werk heeft daarentegen ook buiten de regio veel waardering ondervonden, zij het slechts in de beperkte kring van kenners en liefhebbers van de prentkunst; zijn litho's staan in verschillende handboeken over ex-libris en gelegenheidsgrafiek lovend beschreven.

Bij het overzien van Musch' vrije werk kan geconcludeerd worden dat hij altijd zijn eigen weg heeft gevolgd en een herkenbare, persoonlijke stijl heeft ontwikkeld. Zijn eerste werk dat vrij precies en 'realistisch' is, herinnert nog aan de manier van werken van zijn leermeester Kort. Wanneer hij na de oorlog echter begint met buiten schilderen wordt zijn stijl wat losser en breder, meer impressionistisch. Deze stijl is hij de rest van zijn Ieven min of meer trouw gebleven, op enkele experimenten in de jaren zestig na.

Musch kon in zijn vrije werk geheel zijn eigen gang gaan en hoefde zich weinig aan te trekken van de nieuwste richtingen in de kunst, omdat hij door zijn docentschap aan de academie niet financieel afhankelijk was van de verkoop van zijn werk. Dit heeft hij als een van de bijkomende pluspunten van het lesgeven ervaren.

Hoewel hij zichzelf ook als impressionist omschrijft, zijn de stijl en de techniek waarin hij zich uitdrukt toch niet het belangrijkste voor hem. Zelf heeft hij daarover bij zijn afscheid van Minerva in een interview in het Nieuwsblad van het Noorden gezegd: “Ik heb wel eens het idee, dat veel leerlingen mij ouderwets vinden. Oorspronkelijk was ik een pure impressionist, maar ik heb nooit de instelling gehad dat het beeld, de afbeelding, belangrijk is. Ik zeg altijd: techniek is belangrijk, maar zodra je met een krijtje één lijn op papier kunt zetten heb je al techniek onder de knie. Waar het om gaat, is het doorzicht in watje maakt. Het moet regelrecht uit het hart komen, dan is kunst goed, of je nu een pure realist bent of abstract werkt”.

Techniek alleen is dus niet voldoende, in een interview uit 1987 in maandblad Drenthe heeft Musch dat nogmaals benadrukt: 'Mentaliteit. Instelling. Dat is alles. Voor outsiders is dat heel erg moeilijk te zien. Bij de een leidt het hoogste technische kunnen tot niets en bij de ander tot alles. Het zit hem in de beleving van het onderwerp en van de verf. Beleving komt uit de mens, niet uit de techniek'.

Veertje(1944). Litho, 9,5 x 16 cm, particuliere collectie. Link

Documentatie en literatuur over Evert Musch

Veel gegevens zijn ontleend aan documentatie in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag, in het Drents Museum en in het bezit van de kunstenaar en aan gesprekken met vrienden en collega's van Musch en met hemzelf.

Belangrijkste literatuur

Johan Schwencke, Het rijk der grafische kunst, Amsterdam/Antwerpen (Wereldbibliotheek) 1951, p.31, 91, 113.

Johan Schwencke, Tweehonderd Nederlandse grafische kunstenaars, Amsterdam/Antwerpen (Wereldbibliotheek) 1954, p.117 + afb.137.

Catalogus 160 jaar kunst, Academie Minerva Groningen, Groningen z.j. (1958).

Catalogus Ku(n)stvaart, Groningen z.j. (1961).

Hans Heyting, “De kunstschilder Evert Musch”, Drentse Volksalmanak, 1962 (jg. 80), p.124-138.

Catalogus Prentkunst uit drie eeuwen, samengesteld uit de collectie van Evert Musch, kunstschilder, Assen, Drukkerij Torenlaan, z.j. (1963).

P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, deel II, Den Haag (Pieter Scheen) 1970, p.87.

Catalogus 25 jaar Drents Schildersgenootschap, Assen, Drents Museum, 1978.

Akademie Informatie, 1981 nr.2, nummer gewijd aan het afscheid van Musch van Academie Minerva met herinneringen van en over hem.

De Lucas-krater - Historie en analyse van en meningen over het beeldende-kunstonderwijs aan de kunstacademies in Nederland, red. M. van der Kamp, P.G.J. Leijdekkers, J.L. Locher, J.B.H. Vierdag,

Assen (Van Gorcum/Academie Minerva Pers) 1984, speciaal p. 3-18 en p. 240-242.

Een stukje oerlandschap in Drenthe, samenstelling Evert Musch, Herman von Dülmen Krumpelmann, Albert Rademaker, Assen (Van Gorcum/Vlieghuis) 1984.

Tom van Koolwijk en Chris Schriks, Kleine prentkunst in Nederland in de twintigste eeuw, Zutphen (De Walburg Pers) 1986, p.30 + afb.441-444.

Interviews

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 3-6-1961.

Drentse en Asser Courant, 7-12-1972 (Joh. Drenthen).

Nieuwsblad van het Noorden, 19-9-1980 (Noorder rondblik).

Nieuwsblad van het Noorden, 20-3-1981 (Eric Bos).

Leeuwarder Courant, 28-3-1981.

De Lucas-krater, 1984 (zie hiervoor), p.240-242.

Hoogeveensche Courant, 29-11-1985 (Lammert Huizing).

Kijk op het noorden, jg.17 nr.105, december 1985 (Pieter Terpstra), p.56-59.

Drenthe, jg.58 nr.9, maandblad november 1987 (Sjouke B. Dekker), p.176-180.

VVV-gids Drenthe, 1988, p.26-27.

De Koerier, 17-2-1988 (Gert Klooster).

Geciteerde recensies van krantenartikelen

Nieuwsblad van het Noorden, januari 1940 (A.M. D[ommering]), knipsel uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

Groninger Dagblad, ± januari 1940 (Observer), ongemerkt knipsel in Gemeentearchief Groningen in archief “Pictura”.

“Grafische tentoonstelling', ± juni 1941 (A.M.D[ommering]), ongemerkt knipsel uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

Groninger Dagblad, december 1945 (Johan Bolling), twee ongemerkte knipsels uit bezit van J.H.Bolling, 's-Gravenhage.

“Er wordt weer geëxposeerd”, ongemerkt knipsel d.d. 12-1-1946 (v.L.), uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

“De Drentse schilders”, 7-8-1947 (Jan Ubink), ongemerkt knipsel uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

De Waarheid, 3-2-1948.

Drenthe, maandblad september 1948, p.141 (Rzd.).

“Mooie expositie Drentse schilders”, ongemerkt knipsel gedateerd juli 1952 (St.), uit documentatie Drents Museum.

Nieuwsblad van het Noorden, 23-12-1953 (Jan Ubink).

W.J. Eelssema, “Twee schilders: Evert Musch en To Jager”, ongemerkt knipsel d.d. 20-9-1954 in plakboek in bezit van de kunstenaar.

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 1-3-1955.

Nieuwsblad van het Noorden, 24-5-1960 (Jan Ubink).

Ter Apeler Courant, 17-8-1960.

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 30-12-1960.

Nieuwsblad van het Noorden, 31-12-1960 (Johan D[ijkstra]).

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 5-6-1961, 30-6-1961.

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 10-12-1966 (J.G. van der Bend).

Nieuwsblad van het Noorden, 3-1-1986 (Eric Bos).

Drentse en Asser Courant, 11-1-1986.

Keuze uit tentoonstellingen

Eenmanstentoonstellingen:

l972

Anloo, Galerie Musch: overzichtstentoonstelling t.g.v. 25-jarig docentschap aan Academie Minerva.

1982

Anloo, Galerie Musch: Het landschap, expositie i.h.k.v. de Drentse Rijwielvierdaagse.

1984

Anloo, Galerie Musch: Bekijk het maar, tentoonstelling van portretten.

1985/86

Assen, Drents Museum: tentoonstelling van werk uit de collectie van het museum, n.a.v. de toekenning van de Culturele Prijs van Drenthe.

1995        

Anloo, Magnuskerk, overzichtstentoonstelling.

2002        

Groningen, Pictura, grote overzichtstenstoonstelling voorafgaand aan zijn 85e verjaardag.

Tentoonstellingen met één of slechts enkele collega's:

1953/54

Assen, VORK-gebouw (samen met To Jager).

1960

Gasselte, Burgemeester Sikkensschool (samen met Joop Schuurhuis en E.H. van Duimen Krumpelmann).

Ter Apel, Klooster (samen met E.H. en E.B. van Duimen Krumpelmann, Joop Schuurhuis en To Jager).

1964

Emmen, Oudheidkamer (samen met Joop Schuurhuis).

1985

Gasteren, Dorpshuis: Kunst langs de route (samen met E.H. van Dulmen Krumpelmann).

Groepstentoonstellingen:

1940

Groningen, Pictura.

1941/42

Haren, 'De Jongeren'.

1945

Groningen, Pictura.

1947- 1953

geregeld deelgenomen aan de jaarlijkse tentoonstellingen van de Drentse Schilders, die gehouden werden in het Gymnasium in Assen.

1948

Groningen, Kunsthandel Koos Niezen.

1954

Schoonoord, Gymnastieklokaal (samen met E.B. en E.H. van Duimen Krumpelmann, Joop Schuurhuis, A. Keyzer, H. Heyting, T. Allertsma, ds. Schuddebeurs, S. Eelsing).

1954 - heden

zeer regelmatig deelgenomen aan de tentoonstellingen van het Drents Schildersgenootschap, die over heel Drenthe verspreid gehouden werden. O.a. jubileumtentoonstelling 25 jaar Drents Schildersgenootschap in het Drents Museum te Assen 1978-79.

eind jaren vijftig - begin jaren zestig

regelmatig geëxposeerd met een aantal collega's uit Zeegse en Schipborg, meestal in de zomer in de Openbare Lagere School in Schipborg.

1957

Groningen, Academie Minerva: 160 jaar kunst.

1961/62

Groninger Museum: Ku(n)stvaart (Deze tentoonstelling is hierna te zien geweest op ruim 20 plaatsen in Nederland, ondermeer in Assen en Delfzijl, en in Bremerhaven).

1967

Groningen, Pictura: Dynamisch Groningen (Kunstmanifestatie Vereeniging van handelaren Anno 1847).

1984

Anloo, Galerie Musch: Strubbehoutd (tentoonstelling i.h.k.v. de aktie ter behoud van de Schipborger Strubben en het Kniphorstbos bij Anloo).

Boeken met illustraties door Evert Musch

L. Jonker, Harm, boerenlèven an de Riest, Meppel (Boom) 1939.

Herdruk Stichting Het Drentse Boek, Zuidwolde, 1988. 4 paginagrote illustraties en 11 illustraties tussen de tekst.

P. Keuning, Kinderen in verstand en in boosheid, Van menschen uit het Groningerland, Baarn (Bosch en Keuning) 1942 (5e druk, is eerste druk met illustraties van Musch).

Herdruk met een nawoord van Hans Werkman, Groningen/Franeker (De Vuurbaak/Wever) 1975 (7e druk), 10 paginagrote illustraties.

De Brummelwal. Drentse proza en drentse poëzie.

Bloemlezing samengesteld in opdracht van het Drents Genootschap, Culturele raad voor Drenthe, Assen (Van Gorcum & Comp, N.V) 1960, Omslag en 49 illustraties tussen de tekst.

Dichtersriege, keur oet Drentse gedichten van 1900-1966 met tiekens van Evert Musch, Assen (Het Drents Genootschap/Van Gorcum & Comp, NV) Assen,1966.

Omslag en 15 illustraties tussen de tekst.

Oet Jan Naardings hof. Een keur oet 't wark van dr. Jan Naarding, bij 'n kanner gaard deur leden van de Drentse Schrieverskring, Haren-Gn. (Knoop & Niemeijer, Triangelreeks) 1969.

Omslag en 15 illustraties tussen de tekst.

Jan A. Niemeijer, Drente d'olde lantschap, met 18 landschapstekeningen van Evert Musch, Assen

(Van Gorcum) 1982 (5e, geheel herziene druk).


[1] Kijk op het Noorden, jg.17 nr.105, december 1985 (Pieter Terpstra), p.56-59.

[2] Maandblad Drenthe, jg.58 nr.9, november 1987 (Sjouke B. Dekker), p.176-180.

[3] Groninger Dagblad, + januari 1940 (Observer), ongemerkt knipsel in Gemeentearchief Groningen in archief “Pictura”.

[4] Nieuwsblad van het Noorden, januari 1940 (A.M. Dommering), knipsel uit knipselboek in bezit kunstenaar.

[5] “Grafische tentoonstelling”, + juni 1941 (A.M. Dommering), ongemerkt knipsel uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

[6] Provinciale Drentsche en Asser Courant, 3-6-1961.

[7] Groninger Dagblad, december 1945 (Johan Bolling), twee ongemerkte knipsels uit bezit van J.H. Bolling, ‘s-Gravenhage.

[8] De Lucas-krater, 1984 (zie literatuurlijst), p.240-242.

[9] Drentse en Asser Courant, 7-12-1972 (Joh. Drenthen).

[10] Akademie Informatie, 1981 nr.2, nummer gewijd aan het afscheid van Musch van Academie Minerva.

[11] Provinciale Drentsche en Asser Courant, 3-6-1961.

[12] “De Drentse schilders”, 7-8-1947 (Jan Ubink), ongemerkt knipsel uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

[13] “Mooie expositie Drentse schilders”, ongemerkt knipsel gedateerd 1952 (St.), uit documentatie Drents Museum

[14] Provinciale Drentsche en Asser Courant, 5-6-1961, 30-6-1961.

[15] Leeuwarder Courant, 28-3-1981.

[16] Nieuwsblad van het Noorden, 20-3-1981 (Eric Bos).

[17] Kijk op het Noorden, jg.17 nr.105, december 1985 (Pieter Terpstra), p.56-59.

[18] Een stukje oerlandschap in Drenthe, Evert Musch, Herman von Dülmen Krumpelmann, Albert Rademaker, Assen 1984.

[19] Hoogeveensche Courant, 29-11-1985 (Lammert Huizing).

[20] VVV-gids Drenthe, 1988, p.26-27.

[21] De Koerier, 17-2-1988 (Gert Klooster).

[22] W.J. Eelssema, “Twee schilders : Evert Musch en To Jager”, ongemerkt knipsel d.d. 20-9-1954 in plakboek in bezit van de kunstenaar.

[23] “Er wordt weer geëxposeerd”, ongemerkt knipsel d.d. 12-1-1945, (v.L.), uit knipselboek in bezit van de kunstenaar.

[24] De Waarheid, 3-2-1948

[25] Maandblad Drenthe, september 1948, p.141 (Rzd.).

[26] Nieuwsblad van het Noorden, 23-12-1953.

[27] Ter Apeler Courant, 17-8-1960.

[28] Provinciale Drentsche en Asser Courant, 10-12-1966 (J.G. van der Bend).

[29] Nieuwsblad van het Noorden, 3-1-1986 (Eric Bos).

[30] Drentsche en Asser Courant, 11-1-1986.