English                        Tenses

Simple Present

Present Continuous

1. Vorm:

  • hele werkwoord
  • bij he / she / it : hele werkwoord + s
  • bij vragen of ontkenningen: do/does gebruiken
  • Vb. I read a book every day.
  • He reads a book every day.
  • Does she read a book every day?

2. Gebruik:

  • feit
  • gebeurtenis
  • gewoonte
  • iets wat regelmatig gebeurt
  • dienstregeling

3. Signaalwoorden:

  • always, never, usually, regularly, often, sometimes, every day, every week etc.

4. Voorbeelden:

  • He studies two hours every day.
  • We often watch TV in the morning.
  • Water boils at 100 degrees Celsius.
  • I live in Apeldoorn.
  • They always get up early.
  • The bus leaves at 8 o’clock

1. Vorm:

  • am / is / are + werkwoord + ing
  • Vb. I am reading
  • Is she reading a book?

2. Gebruik:

  • iets is NU, op dit moment aan de gang
  • iets gebeurt in de nabije toekomst
  • (kan irritatie uitdrukken)
  • In het Nederlands zeggen we vaak ‘aan het…., staan te …….. ,zitten te…….’

Bijv. Ik ben aan het luisteren

Ze staan te wachten.

Hij zit te schrijven

3. Signaalwoorden:

  • now, right now, at the moment, at present,
  • this evening, tomorrow (nabije toekomst)
  • ‘look’ en ‘listen’ aan het begin van de zin
  • (always, constantly, all the time – bij irritatie)

4. Voorbeelden:

  • I am writing an e-mail.
  • Look, they’re kissing!
  • They are leaving next week. (nabije toekomst)
  • I’m watching TV at the moment.
  • (She’s always picking her nose.- irritatie)

Simple Past

Past Continuous

1. Vorm:

  • hele werkwoord + ed
  • bij onr. m. ww. – de 2e vorm uit het rijtje
  • bij vragen of ontkenningen: did gebruiken
  • Vb. I cooked dinner yesterday.
  • Last Christmas I gave you my heart.
  • Did you watch CSI Miami last week?

2. Gebruik:

  • situatie, gebeurtenis, gewoonte die zich afspeelde in het verleden.
  • iets dat begon in het verleden en nu is afgelopen
  • in alle zinnen met een tijdsbepaling die verwijst naar het verleden
  • je moet hier dus niet kijken naar de Nederlandse vertaling! Kijk alleen of de actie in het verleden is gebeurd

3. Signaalwoorden:

  • yesterday, this morning, last week, last year, in 1980, four days ago, when I was young

4. Voorbeelden:

  • Charles Dickens died in 1870.
  • He saw her last week.
  • We first met a year ago.
  • It happened a long time ago.
  • The Titanic sank on het first voyage.

1. Vorm:

  • was / were + werkwoord + ing
  • Vb. I was reading
  • Were they writing a letter?

2. Gebruik:

  • iets wat in het verleden al een tijd aan de gang was
  • vaak in combinatie met de simple past : een lang durende actie (past cont.) wordt onderbroken door een korte actie (past simple)

3. Signaalwoorden:

  • als bij de simple past,
  • when, while, as

4. Voorbeelden:

  • Yesterday he was shopping at the supermarket for two hours
  • She was cleaning the windows (lang) when the phone rang (kort)
  • They were watching (lang) a late-night movie when we came (kort) home.


Present Perfect

Present Perfect Continuous

1. Vorm:

  • have / has + voltooid deelwoord
  • bij onr.m.ww. – de 3e vorm uit het rijtje
  • Vb. I have read 2 books since last week.  
  • Has he ever read a book about cars

2. Gebruik:

  • iets dat in het verleden is begonnen en nog voortduurt
  • iets dat gebeurde in het verleden en waarvan nu het resultaat nog zichtbaar is
  • het gaat er niet om wanneer iets is gebeurd maar meer om de gebeurtenis zelf

3. Signaalwoorden:

  • since, for (two years now), just, ever, never, yet, already, lately, so far, up till now, (for) how long?

4. Voorbeelden:

  • How long have you been here?
  • Have you read any good books lately?
  • I have lived in Groningen since 1998.
  • He has already made a date with her.
  • So far, I haven’t heard from him

1. Vorm:

  • Have / has + been + werkw + ing
  • Vb. I have been reading

2. Gebruik:

  • De ‘simple form’ geeft een feit weer, de continuous benadrukt de handeling

3. Signaalwoorden:

  • Zie present perfect

4. Voorbeelden (Vergelijk):

  • Simple: We have drunk a whole bottle of whisky. (het gaat om het resultaat/hoeveelheid)
  • Continuous: We have been drinking all evening. (het gaat om de handeling)
  • Simple: I have cut my finger (resultaat)
  • Continuous: We have been cutting wood all day. (handeling)
  • Simple: They have lived here all their lives. (permanent)
  • Continous: She has been living here for quite a while. (Beperkte duur, tijdelijk)

Past Perfect

Past Perfect Continuous

1. Vorm:

  • had + voltooid deelwoord
  • bij onr.m.ww. – de 3e vorm uit het rijtje
  • Vb. I had cooked dinner before my husband came home.

2. Gebruik:

  • een gebeurtenis vond verder terug in het verleden plaats dan een andere gebeurtenis in het verleden
  • vaak in combinatie met de ‘simple past’!

3. Signaalwoorden:

  • after, before, when, as soon as, by the time

4. Voorbeelden:

  • He wasn’t (simple past) a stranger, we had met before.
  • She asked (simple past) me if I had had anything to eat.
  • As soon as he had seen her, he knew (simple past) he loved (simple past) her
  • She had changed a lot when I saw (simple past) her again.

1. Vorm:

  • had + been + werkwoord + ing
  • Vb. I had been reading.

2. Gebruik:

  • De ‘simple form’ geeft een feit weer, de continuous benadrukt de handeling

3. Signaalwoorden:

  • Zie present perfect

4. Voorbeelden:

  • We had been walking for hours, when we finally reached the village.
  • After we had been chatting for a few minutes, he asked me to dance.