Stone 1

Zo stel je jezelf en anderen voor

Hello, my name is Kevin.

Hallo, ik heet Kevin.

Hi, I am Sara.

Dag, ik ben Sara.

This is Josh. He's my uncle.

Dit is Josh. Hij is mijn oom

This is Mr Mumblemuch. He's our teacher.

Dit is meneer Mumblemuch. Hij is onze leraar.

This is Sara. She's my pen pal.

Dit is Sara. Zij is mijn penvriendin.

This is Mrs Roberts. She's his mother.

Dit is mevrouw Roberts. Ze is zijn moeder.

These are Miffy and Mooch. They're her cats.

Dit zijn Miffy en Mooch. Het zijn haar katten.

These are Fred and Joe. They're our brothers.

Dit zijn Fred en Joe. Zij zijn onze broers.

These are his children.

Dit zijn zijn kinderen.

These are our grandparents.

Dit zijn onze grootouders.

Stone 2

Zo vertel je over jezelf en anderen

I am thirteen years old.

Ik ben dertien jaar oud.

My sister is fifteen.

Mijn zus is vijftien.

I live in the Netherlands.

Ik woon in Nederland.

He lives in Maine.

Hij woont in Maine.

We come from Britain.

Wij komen uit Groot-Brittanniƫ.

Sean comes from Ireland.

Sean komt uit Ierland.

They're from Oregon.

Zij komen uit Oregon.

My mother's from Newcastle.

Mijn moeder komt uit Newcastle.

I have got a friend named Henry.

Ik heb een vriend die Henry heet.

Maggie has pets.

Maggie heeft huisdieren.

Stone 3

Zo zeg je dat jij of iemand anders iets leuk vindt

I like playing football.

Ik vind voetballen leuk.

We love parties.

Wij houden van feesten.

My friends like working at the airport.

Mijn vrienden vinden het leuk om op het vliegveld te werken.

Megan likes comics.

Megan vindt stripboeken leuk.

He loves gossip.

Hij houdt van geroddel.

I'm fond of unusual names.

Ik ben dol op ongebruikelijke namen.

We're crazy about our pets.

Wij zijn gek op onze huisdieren.

She's really into cooking.

Zij houdt echt van koken.

My hobbies are horse riding and writing.

Mijn hobby's zijn paardrijden en schrijven.

My hobbies are playing computer games and football.

Mijn hobby's zijn computerspelletjes spelen en voetballen.

Stone 4

Zo zeg je dat jij of iemand anders iets niet leuk vindt

I dislike travelling.

Ik vind reizen niet leuk.

We hate ridiculous names.

Wij haten belachelijke namen.

My parents dislike pop music.

Mijn ouders vinden popmuziek niet leuk.

Charlie hates teasing.

Charlie haat plagen.

She dislikes being grounded.

Zij vindt het niet leuk om huisarrest te hebben.

I'm not fond of common names.

Ik ben niet dol op gewone namen.

She's not crazy about school.

Zij is niet gek op school.

We're not into painting.

Wij houden niet van schilderen.