Making questions

Vragen maken

Vragen maak je wanneer je van iemand een antwoord wilt. Je kunt een vraag op 4 verschillende manieren maken. Hieronder worden alle varianten uitgelegd en ondersteunt met eenvoudige voorbeelden.

  1. Vragen met to do

Vragen maak je met een vorm van to do. In de tegenwoordige tijd do/does + het hele werkwoord zonder to.

Woon jij in London?

Do you live in London?

Kijkt zij vaak tv?

Does she watch tv very often?

In de verleden tijd gebruik je did + het hele werkwoord zonder to.

Woonde jij in London?

Did you live in London?

Keek hij vaak tv?

Did he watch tv very often?

  1. Vragen met een vorm van to be

Nederlandse vragen met het werkwoord zijn, krijgen in het Engels een vorm van to be (am, is, are) of voor de verleden tijd (was, were). De vorm van to be komt dan vooraan in de vraag te staan.

Ben ik een goede student?

Am I a good student?

Is hij altijd ziek?

Is he always ill?

Zijn zij op vakantie?

Are they on holiday?

Was zij op school?

Was she at school?

Waren jullie te laat voor gym?

Were you too late for PE?

  1. Vragen met een hulpwerkwoord

De hulpwerkwoorden (can, could, will, would, must, may, might) komen vooraan in de zin.

Kan hij lezen?

Can he read?

Zal ze morgen helpen?

Will she help tomorrow?

  1. Vragen met who/what/which als onderwerp van de zin

Wanneer wie, wat of welke het onderwerp van de zin is, zet je het vragende voornaamwoord who, what of which vooraan en komt het werkwoord erachter.

Wat gebeurde er nadat ze vertrokken was?

What happened after she had left?

Wie bezoek jij elke dag?

Who do you visit every day?

Welke is van jou?

Which one is yours?