Chapter 4

Stone 13

Asking about experiences…

Have you ever flown in a helicopter?

Heb je ooit in een helikopter gevlogen?

Have they ever lived abroad?

Hebben zij ooit in het buitenland gewoond?

Has Linda been to the desert?

Is Linda naar de woestijn geweest?

Has he driven a car?

Heeft hij een auto bestuurd?

…and reacting

No, I haven't.

Nee, dat heb ik niet.

No, they have never flown in a helicopter.

Nee, zij hebben nog nooit in een helikopter gevlogen.

No, he hasn't.

Nee, dat heeft hij niet.

No, Linda has never driven a car.

Nee, Linda heeft nog nooit een auto bestuurd.

Yes, I have.

Ja, dat heb ik wel.

Yes, we have lived abroad for three years.

Ja, wij hebben drie jaar in het buitenland gewoond.

Yes, he has.

Ja, dat heeft hij wel.

Yes, she has been to the desert.

Ja, ze is naar de woestijn geweest.

Stone 14

Asking how long something has been going on

Since when have they known how to drive?

Sinds wanneer kunnen zij autorijden?

How long have you been in the country?

Hoe lang ben je in het land?

How long has Andy had flying lessons?

Sinds wanneer heeft Andy vliegles?

Saying how long something has been going on

They have known how to drive for two weeks.

Zij kunnen sinds twee weken autorijden.

I have been in the country for a long time.

Ik ben al sinds lange tijd in het land.

Andy has had flying lessons since June.

Andy heeft sinds juni vliegles.

Andy has had flying lessons since Tuesday.

Andy heeft sinds dinsdag vliegles.


Stone 15

Saying how something has happened

I've fallen from my bike and now my knee hurts.

Ik ben van mijn fiets gevallen en nu doet mijn knie zeer.

Linda has lost her keys, so now she can't get into the house.

Linda is haar sleutels kwijt, dus nu kan ze het huis niet in.

I can drive on my own because I've passed my driving test.

Ik kan in m'n eentje autorijden omdat ik geslaagd ben voor mijn rijexamen.

Simon can't make it because he's missed his train.

Simon redt het niet omdat hij de trein heeft gemist.

My parents are arguing. They have taken a wrong turn.

Mijn ouders maken ruzie. Ze zijn een verkeerde weg ingeslagen.

My car is wrecked. I've had an accident.

Mijn auto is in de vernieling. Ik heb een ongeluk gehad.

Stone 16

Talking about times according to a schedule

On day one we arrive in New York.

Op de eerste dag komen we aan in New York.

On Saturday we visit the Empire State Building.

Op zaterdag brengen we een bezoek aan het Empire State Building.

At noon we have lunch in Central Park.

Om twaalf uur 's middags gaan we lunchen in Central Park.

The shop opens early in the morning.

De winkel gaat vroeg in de ochtend open.

The park closes at 5.30.

Het park sluit om half zes.

Our tour starts at noon.

Onze excursie begint om twaalf uur 's middags.

Our tour ends at midnight.

Onze excursie eindigt om middernacht.

Her train arrives at 6.15.

Haar trein komt aan om kwart over zes.

The next bus leaves in twenty minutes.

De volgende bus vertrekt over twintig minuten.

Our plane takes off at three o'clock in the afternoon.

Ons vliegtuig vertrekt om drie uur 's middags.