Chapter 7

Stone 25

Zo vraag je hoe iemand is of eruitziet

Is he kind?

Is hij aardig?

Is she strong?

Is zij sterk?

Are they fast?

Zijn zij snel?

Are they lazy?

Zijn zij lui?

Does Peter wear a pair of jeans?

Draagt Peter een spijkerbroek?

Does Peter wear a jacket?

Draagt Peter een jas?

Does Rose have many friends?

Heeft Rose veel vrienden?

Does Rose have blonde hair?

Heeft Rose blond haar?

What does he look like?

Hoe ziet hij eruit?

What does she look like?

Hoe ziet zij eruit?

Stone 26

Zo beschrijf je iemand

He is very flexible.

Hij is erg flexibel.

We are very intelligent.

Wij zijn heel intelligent.

He is afraid of spiders.

Hij is bang voor spinnen.

She looks fabulous.

Zij ziet er fantastisch uit.

They look tired.

Zij zien er moe uit.

They wear special suits.

Zij dragen speciale pakken.

They have the same sweater.

Zij hebben dezelfde trui.

They wear black capes.

Zij dragen zwarte capes.

She wears a silver suit.

Zij draagt een zilveren pak.

He has a mask.

Hij heeft een masker.

She has huge muscles.

Zij heeft enorme spieren.

He has strong arms and big hands.

Hij heeft sterke armen en grote handen.

She has pointy ears and a long nose.

Zij heeft puntige oren en een lange neus.


Stone 27

Zo praat je over iets dat al is gebeurd

Last year I was a hero.

Vorig jaar was ik een held.

A few years ago she was a teacher.

Een paar jaar geleden was zij lerares.

Two years ago you were a friend of mine.

Twee jaar geleden was jij een vriend van me.

Two years ago they were best friends.

Twee jaar geleden waren zij beste vrienden.

When he was young he loved football.

Toen hij jong was hield hij van voetballen.

When you were young you hated maths.

Toen jij jong was haatte je wiskunde.

Five years ago she liked cats.

Vijf jaar geleden vond ze katten leuk.

Five years ago she loved cooking.

Vijf jaar geleden hield ze van koken.

A month ago they worked in a library.

Een maand geleden werkten ze in een bibliotheek.

A month ago they studied at university.

Een maand geleden studeerden ze aan de universiteit.

Stone 28

Zo praat je over plannen

Next year I'm going to travel the world.

Volgend jaar ga ik een wereldreis maken.

In a few months he's going to work with my sister.

Over een paar maanden gaat hij met mijn zus werken.

Next week she's going to move to Spain.

Volgende week gaat ze naar Spanje verhuizen.

In two months I'm going to buy a new jacket.

Over twee maanden ga ik een nieuwe jas kopen.

Next year he's going to be a hero.

Volgend jaar zal hij een held worden.

In a few months she's going to become very rich and famous.

Over een paar maanden zal zij heel rijk en beroemd worden.