Chapter 1

Stone 1

Zo vertel je wat je tijdens de vakantie hebt gedaan

I saw the pyramids during the holidays.

Ik heb tijdens de vakantie de piramides gezien.

Eric spent two days in Rome this summer.

Eric heeft deze zomer twee dagen in Rome doorgebracht.

She visited a lot of sights a few weeks ago.

Zij heeft een paar weken geleden veel bezienswaardigheden bezocht.

They came back last month.

Zij zijn vorige maand teruggekomen.

Last year we went to the Isle of Man.

Vorig jaar gingen we naar het Isle of Man.

In 2009 he stayed at a youth hostel.

In 2009 verbleef hij in een jeugdherberg.

Stone 2

Zo zeg je de datum...

Today is the sixteenth of September.

Vandaag is het zestien september.

Yesterday was February the second.

Gisteren was het twee februari.

Her birthday is on the first of May.

Haar verjaardag is op één mei.

We left for Paris on July the twenty-third.

We vertrokken op drieëntwintig juli naar Parijs.

A Dutchman discovered Easter Island on the sixth of April seventeen twenty-two.

Een Nederlander ontdekte Paaseiland op zes april zeventientweeëntwintig.

Armstrong landed on the moon on July twenty-fourth, nineteen hundred and sixty-nine.

Armstrong landde op vierentwintig juli negentienhonderdnegenenzestig op de maan.

…en zo schrijf je de datum op

11 September - 11th September

11 september

31 August - 31st August

31 augustus

22 February - February 22nd

22 februari

3 May - May 3rd

3 mei

 Stone 3

Zo vraag je om meer bijzonderheden…

What did you do on Tuesday?

Wat heb je op dinsdag gedaan?

Where did they meet?

Waar hebben zij elkaar ontmoet?

When did she move?

Wanneer is zij verhuisd?

Why did he leave early?

Waarom is hij vroeger weggegaan?

How did you get there?

Hoe ben je daar gekomen?

Who did you call?

Wie heb je gebeld?

…en zo reageer je

I went on a guided tour of the caves.

Ik ben op een rondtocht door de grotten geweest.

They met at a museum.

Ze hebben elkaar in een museum ontmoet.

My sister moved last year.

Mijn zus is vorig jaar verhuisd.

He had to study.

Hij moest studeren.

We went by train.

We zijn met de trein gegaan.

I called my grandparents.

Ik heb mijn grootouders gebeld.

Stone 4

Zo vraag je wat er op een bepaald moment gebeurd is…

Did you go to England last week?

Ben jij vorige week naar Engeland geweest?

Did Annie visit Barcelona three days ago?

Heeft Annie drie dagen geleden Barcelona bezocht?

Did grandfather talk about the past yesterday?

Heeft opa gisteren over het verleden gepraat?

Did they listen to that CD last night?

Hebben zij gisteravond naar die cd geluisterd?

…en zo reageer je

Yes, I did.

Ja.

Yes, she did.

Ja.

No, we didn't.

Nee.

No, she didn't.

Nee.

No, he didn't go to England.

Nee, hij is niet naar Engeland geweest.

No, they didn't visit Barcelona.

Nee, zij hebben Barcelona niet bezocht.

No, he didn't talk about the past.

Nee, hij heeft niet over het verleden gepraat.

No, they didn't listen to that CD.

Nee, ze hebben niet naar die cd geluisterd.