Chapter 1

Stone 1

Asking about past events…

Why were teachers so strict in the 1950s?

Waarom waren leraren zo streng in de jaren vijftig?

How was your holiday?

Hoe was jouw vakantie?

When did you go to Blackpool?

Wanneer ben je naar Blackpool geweest?

Where did you go on holiday?

Waar ben je heen geweest op vakantie?

What happened to you over the holidays?

Wat is er met je gebeurd tijdens de vakantie?

Who came up with the idea to go rollerblading?

Wie kwam er met het idee om te gaan skaten?

…and talking about past events

I went to summer camp in America last month.

Ik ben vorige maand op zomerkamp in Amerika geweest.

Tylor visited Blackpool two weeks ago.

Tylor heeft twee weken geleden Blackpool bezocht.

They started school in the 1950s.

Zij gingen in de vijftiger jaren voor het eerst naar school.

Last year I didn't go on holiday.

Vorig jaar ben ik niet op vakantie geweest.

In 2008 she toured through Europe.

In 2008 trok zij door Europa.

Stone 2

Saying when something took place…

We left for France on July the second.

Wij vertrokken naar Frankrijk op twee juli.

The big event was on February the twenty-third.

Het grote evenement was op drieëntwintig februari.

My brother was born on the sixteenth of September.

Mijn broer is geboren op zestien september.

The accident happened on the first of June.

Het ongeluk gebeurde op één juni

The Queen visited our town on July the second.

De koningin bracht op twee juli een bezoek aan onze stad.

…and writing down the date

2 July / 2nd July

2 juli

February 23 / 23rd February

23 februari

16 September /16th of September

16 september

1 June / 1st June

1 juni

 

Stone 3

Asking about things that happened...

Did you read that news item yesterday?

Heb je gisteren dat nieuwsbericht gelezen?

Did the archaeologists find a mummy a few weeks ago?

Hebben de archeologen een paar weken geleden een mummie gevonden?

Did Biff catch up with her this morning?

Heeft Biff haar vanochtend ingehaald?

Did she tell the story?

Heeft zij het verhaal verteld?

…and reacting

Yes, I did.

Ja, dat heb ik.

Yes, they did.

Ja, dat hebben ze.

Yes, he did.

Ja, dat heeft hij.

No, I didn't.

Nee, dat heb ik niet.

No, they didn't.

Nee, dat hebben ze niet.

No, she didn't.

Nee, dat heeft ze niet.

Stone 4

Talking about past habits

People used to chew gum centuries ago.

Eeuwen geleden kauwde men op kauwgom.

The Egyptians used to mummify their dead centuries ago.

Eeuwen geleden mummificeerden de Egyptenaren hun doden.

The Britons used to grow wheat and barley during the Iron Age.

In de ijzertijd verbouwden de Britten tarwe en gerst.

They used to live in round houses during the Iron Age.

In de ijzertijd woonde men in ronde huizen.

Teachers in the 1950s used to be very strict.

In de vijftiger jaren waren de leraren erg streng.

My grandparents used to have very low salaries.

Mijn grootouders hadden erg lage lonen.

The ancient Greeks usually rode horses.

De Oude Grieken reden gewoonlijk paard.

Romans often drank wine.

De Romeinen dronken vaak wijn.

The ancient Greeks normally wore robes.

De Oude Grieken droegen normaal gesproken gewaden.