Chapter 2

Stone 5

Zo vraag je wat er aan de hand is…

What's the matter with him?

Wat is er met hem aan de hand?

What's wrong with you?

Wat is er mis met jou?

What's up with Jayden?

Wat heeft Jayden?

Is Erika hurt?

Is Erika gewond?

Is your friend wounded?

Is jouw vriendin gewond?

Does your arm itch?

Jeukt je arm?

Does your foot hurt?

Doet je voet pijn?

Are you okay?

Ben je in orde?

Are they all right?

Gaat het goed met hen?

…en zo reageer je

His leg hurts.

Zijn been doet pijn.

I'm ill.

Ik ben ziek.

He feels sick.

Hij voelt zich misselijk.

Yes, she's got a bruise.

Ja, ze heeft een blauwe plek.

No, she's okay.

Nee, ze heeft niks.

Yes, it does.

Ja.

No, it doesn't.

Nee.

Yes. I've only got a cold.

Ja. Ik ben alleen verkouden.

No, they've got the flu.

Nee, ze hebben griep.

a broken leg

een gebroken been

a sprained ankle

een verstuikte enkel

a headache

hoofdpijn

a stomach ache

buikpijn

a fever

koorts

a cough

de hoest

a sore throat

een zere keel

a stuffy nose

een verstopte neus

 Stone 6

Zo vraag je wat iemand aan het doen was…

What was Angela doing then?

Wat was Angela toen aan het doen?

What was Carl doing at that moment?

Wat was Carl op dat moment aan het doen?

What were they doing when the ambulance arrived?

Wat waren zij aan het doen toen de ambulance arriveerde?

What were you doing when it started to rain?

Wat was jij aan het doen toen het begon te regenen?

...en zo reageer je

She was watching TV when the accident happened.

Ze was naar de tv aan het kijken toen het ongeluk gebeurde.

He was walking down the stairs when the doorbell rang.

Hij liep op de trap naar beneden toen de deurbel ging.

They were waiting outside.

Ze waren buiten aan het wachten.

We were playing football.

We waren aan het voetballen.

Stone 7

Zo zeg je dat iemand iets wel of niet kan of kon

I can sleep all night.

Ik kan de hele nacht slapen.

We can't do homework all day.

We kunnen niet de hele dag huiswerk maken.

Jennifer can't concentrate with the radio on.

Jennifer kan zich niet concentreren met de radio aan.

I can see well without glasses.

Ik kan goed zien zonder bril.

Logan could walk again after the accident.

Logan kon weer lopen na het ongeluk.

We couldn't swim faster than him.

Wij konden niet sneller dan hij zwemmen.

Emily couldn't read the blackboard from there.

Emily kon het bord vanaf daar niet lezen.

Stone 8

Zo geef je advies

They should take some rest.

Ze zouden wat rust moeten nemen.

You must turn the radio off.

Je moet de radio uitdoen.

We shouldn't stay up late.

We zouden niet lang moeten opblijven.

He mustn't skip classes.

Hij moet niet spijbelen.

You have to do what the doctor says.

Je moet doen wat de dokter zegt.

Teens have to get nine hours of sleep.

Tieners moeten negen uur slaap krijgen.

She doesn't have to take so many vitamins.

Zij hoeft niet zoveel vitamines te slikken.

Jim doesn't have to worry.

Jim hoeft zich geen zorgen te maken.