Stepping Stones 4e editie, 1 vmbo t/hv, Stonesvertalingen

Chapter 8

Stone 29

Zo vraag je over sport

What kind of sport do you play?

Welke sport speel jij?

What kind of sport do you practise?

Welke sport beoefen jij?

What kind of sport are you into?

Welke sport vind jij leuk?

How often do you train?

Hoe vaak train je?

When does your team practise?

Wanneer oefent jouw team?

Where does Shane play?

Waar speelt Shane?

What kind of equipment do you need?

Welke uitrusting heb je nodig?

What kind of clothes do you need?

Welke kleding heb je nodig?

Stone 30

Zo vertel je over sport

I play hockey

Ik speel hockey.

I'm into football.

Ik vind voetbal leuk.

I enjoy basketball.

Ik houd van basketbal.

I hate chess.

Ik haat schaken.

She plays water polo in Manchester.

Zij speelt waterpolo in Manchester.

She practises basketball on the first and third Friday of the month.

Zij oefent basketbal op de eerste en derde vrijdag van de maand.

She plays tennis at the school gym.

Zij speelt tennis in de gymzaal van school.

She practises hockey at nine o'clock on Thursdays.

Zij oefent hockey op donderdag om negen uur.

We are training outdoors right now.

Wij trainen nu buiten.

At the moment they're playing a match in Spain.

Op dit moment spelen zij een wedstrijd in Spanje.

For basketball you need a ball and two baskets.

Voor basketbal heb je een bal en twee baskets nodig.

For tennis you need a racket and a ball.

Voor tennis heb je een racket en een bal nodig.

You have to wear a skirt and a polo shirt.

Je moet een rok en een poloshirt dragen.


Stone 31

Zo leg je sportregels uit

You have to run five laps.

Je moet vijf rondjes rennen.

You have to throw the ball within 20 seconds.

Je moet de bal binnen 20 seconden gooien.

You cannot cross this line with your feet.

Je mag niet met je voet over deze lijn.

You cannot walk with the ball.

Je mag niet lopen met de bal.

In basketball you mustn't touch the ball with your feet.

Bij basketball mag je de bal niet met je voeten aanraken.

In basketball you mustn't throw the ball into your team's basket.

Bij basketball moet je de bal niet in de basket van je eigen team gooien.

When you break a rule, the referee can give you a yellow card.

Wanneer je een regel overtreedt, kan de scheidsrechter je een gele kaart geven.

When you score more goals than your opponent, you win.

Als je meer doelpunten scoort dan je tegenstander, win je.

Don't touch the ball with your hands.

Raak de bal niet met je handen aan.

Place the ball in the pocket.

Plaats de bal in de zak.

Play fair.

Speel eerlijk.

Stone 32

Zo geef je sportfeiten

I won a gold medal at last weekend's tournament.

Ik heb een gouden medaille gewonnen op het toernooi van afgelopen weekend.

That tennis player won all his matches at Wimbledon.

Die tennisspeler heeft al zijn wedstrijden op Wimbledon gewonnen.

I won a gold medal in Germany.

Ik heb een gouden medaille gewonnen in Duitsland.

The Dutch football team became European champions in Munich in 1988.

Het Nederlandse voetbalelftal is Europees kampioen geworden in 1988 in München.

That tennis player won the US Open when he was only 18 years old.

Die tennisspeler heeft de US Open gewonnen toen hij nog maar 18 jaar oud was.

He scored his third goal of the evening.

Hij heeft zijn derde doelpunt van de avond gescoord.

A Dutch football match normally takes place on Sunday.

Een Nederlandse voetbalwedstrijd vindt normaalgesproken op zondag plaats.

Peter scored a goal in the finals last week.

Peter scoorde een doelpunt vorige week in de finale.

1

© Noordhoff Uitgevers bv