De verleden tijd in vragen

The past simple in questions

1

Als je in het Engels vragen stelt die je kunt beantwoorden met enkel JA of NEE (gesloten vragen), gebruik je het werkwoord to do. Als de vraag betrekking heeft op iets uit het verleden en dus in de verleden tijd wordt gesteld, gebruik je Did.

Het werkwoord dat in het Nederlands vooraan in de vraag zou staan, komt in het Engels ergens na Did in zijn hele vorm terug, zonder to.

Voorbeeld:

Liep jij gisteren alleen naar huis?

-->

Did you walk home alone yesterday?

Nog meer voorbeelden:

Did

you

go

on holiday?

Did

he/she/it

pay

enough?

Did

we

ride

a camel in Egypt last year?

Did

they 

read

his latest novel?

2

Als je een vraag maakt met een vragend voornaamwoord, dan komt die vooraan in de zin. Verder maak je de vraag zoals hierboven.

Voorbeelden:

How did they catch the killer?

When did he go to summer camp in America?

Why did Susan chew gum in class?

3

Als je een vraag maakt met een van de Engelse hulpwerkwoorden (auxiliaries), dan gebruik je GEEN Did, maar zet je het hulpwerkwoord vooraan in de zin. Verderop in dezin staat dan het hele werkwoord zonder to. Deze zet je niet in de verleden tijd.

Wat zijn de hulpwerkwoorden in het Engels?

(to be – to have – to do) - can – could – may – might – must – ought – shall – should – will – would

Voorbeelden:

Could you hear the news on the radio?

Would he visit Blackpool?