Chapter 4

Stone 13

Zo zeg je hoe jij, of een ander, eruitziet

He's fat.

Hij is dik

I'm not skinny.

Ik ben niet dun.

He's tall.

Hij is lang.

I'm not short.

Ik ben niet klein.

big - small

groot - klein

young - old

jong - oud

strong - weak

sterk - zwak

clever - stupid

slim - dom

My friend has brown eyes.

Mijn vriend heeft bruine ogen.

Her brother has got pale skin.

Haar broer heeft een bleke huid.

My friend has got a Mohawk.

Mijn vriend heeft een hanenkam.

His hair is straight.

Zijn haar is steil.

My hair is curly.

Mijn haar is krullend.

Stone 14

Zo zeg je wat je ergens van vindt

I think teens get enough pocket money.

Ik vind dat tieners genoeg zakgeld krijgen.

I don't think gangsta rappers wear larger clothes.

Ik vind niet dat gangsta rappers grotere kleren dragen.

She doesn't think teens get enough pocket money.

Zij vindt niet dat tieners genoeg zakgeld krijgen.

She is cooler than you.

Zij is gaver dan jij.

They are more arrogant than my parents.

Zij zijn arroganter dan mijn ouders.

She is hipper than my parents.

Zij is hipper dan mijn ouders.

Rap music is the best music there is.

Rapmuziek is de beste muziek die er is.

Rock music is the worst music of all.

Rockmuziek is de allerslechtste muziek.

Rap music is the most boring music I know.

Rapmuziek is de saaiste muziek die ik ken.

It is great.

Het is geweldig.

He looks amazing.

Hij ziet er verbazingwekkend uit.

fantastic

fantastisch

wonderful

prachtig

all right

in orde

terrible

verschrikkelijk

dreadful

vreselijk

awful

afschuwelijk

I agree with Todd.

Ik ben het met Todd eens.

I don't agree with them.

Ik ben het niet met hen eens.


Stone 15

Zo stel je vragen over iemands leven

Is climbing dangerous?

Is (bergbe)klimmen gevaarlijk?

Are your friends boring?

Zijn jouw vrienden saai?

Can you play an instrument?

Kun je een instrument bespelen?

Can she learn to be a clown?

Kan zij leren een clown te worden?

Does she practise sports every day?

Beoefent zij elke dag sport?

Do they like sports?

Houden zij van sport?

Do they have many friends?

Hebben zij veel vrienden?

Have they got any brothers?

Hebben zij broers?

Does he have a pet?

Heeft hij een huisdier?

Has he got a hobby?

Heeft hij een hobby?

Stone 16

Zo vertel je over je eigen leven of dat van iemand anders

I am not rich.

Ik ben niet rijk.

Clowns aren't stupid.

Clowns zijn niet stom.

Peter is lazy.

Peter is lui.

You can run very fast.

Jij kunt heel hard rennen.

They can't speak French.

Zij kunnen geen Frans spreken.

I don't go to school anymore.

Ik ga niet meer naar school.

She doesn't do any homework.

Zij maakt geen huiswerk.

I don't have an Mp3 player.

Ik heb geen mp3-speler.

I haven't got a brother.

Ik heb geen broer.

He doesn't have three dogs.

Hij heeft geen drie honden.

He hasn't got a red bike.

Hij heeft geen rode fiets.