The adjective and adverbs

Het bijvoeglijke naamwoord en bijwoorden

Het bijvoeglijk naamwoord / the adjective

Een bijvoeglijk naamwoord beschrijft iemand of iets. Het zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

voorbeeld: Kobe Bryant is a good player

In bovenstaand voorbeeld zegt het bijvoeglijke naamwoord (bn) good iets over het zelfstandig naamwoord (zn) player.

Andere voorbeelden zijn:

My grandfather is an old man.

Mijn grootvader is een oude man.

I bought the computer, because it was a great deal.

I kocht de computer, omdat het een geweldige deal was.

The kid gave such a clever answer.

Het kind gaf zo’n slim antwoord.

Het bijwoord / the adverb

Een bijwoord kan op drie manieren worden gebruikt.

  1. Het bijwoord zegt hoe iets gebeurd of hoe iets gedaan wordt. Het zegt dus iets over het werkwoord.

voorbeeld: Kobe Bryant plays well.

In bovenstaand voorbeeld zegt het bijwoord (bw) well iets over hoe Kobe Bryant speelt.

Andere voorbeelden zijn:

He works hard.

Hij werkt hard.

He always drives slowly.

Hij rijdt altijd langzaam.

He quickly turned around after the teacher called his name.

Hij draaide snel om nadat de leraar zijn naam riep.

  1. Een bijwoord kan ook iets zeggen over een bijvoeglijk naamwoord.

voorbeeld: Kobe Bryant is an extremely good player. (extremely zegt iets over good)

  1. En als laatste, het bijwoord kan ook iets zeggen over een ander bijwoord.

voorbeeld: Kobe Bryant plays extremely well. (extremely zegt iets over well)

Spelling van bijwoorden

De meeste bijwoorden worden gevormd door –ly achter het bijvoeglijknaamwoord te zeggen. Soms wordt de spelling iets aangepast: -le wordt –ly, -y wordt –ily en –ic wordt –ically.

Voorbeelden:

Nederlands

Engels bijvoeglijk naamwoord

Engels bijwoord

mooi

beautiful

beautifully

verschrikkelijk

terrible

terribly

makkelijk

easy

easily

langzaam

slow

slowly

perfect

perfect

perfectly

serieus

serious

seriously

! LET OP: Soms krijgt een bijwoord een heel andere vorm en heb je niks aan –ly, -ily of –ically. Dit geldt bijvoorbeeld voor het word goed.

Hij is een goede speller.

Hij speelt goed.

He is a good player.

He plays well.

Je ziet dat goed in het Engels wordt vertaald als good wanneer het een bijvoeglijk naamwoord is, en als well wanneer het een bijwoord is.

!! LET OP: Een aantal bijwoorden houdt dezelfde vorm als bij het bijvoeglijknaam woord. Daar veranderd dus niets. De belangrijkste zijn:

In Nederlands:

adjective

Adverb

Hard(e)

a hard worker

He works hard.

Snel(le)

a fast car

She drove fast.

Dagelijk/wekelijks/maandelijks

a daily/weekly/monthly report

We meet daily/weekly/monthly.

Vroeg(e)

an early bird

He gets up early.

Laat/late

a late hour

They arrived late.

Lang(e)

a long holiday

We stayed long.

Gratis

a free ticket

We travelled free.

Recht/direct

a straight line

She went straight home.

Hoog/hoge

a high wall

He can jump high.

Laag/lage

a low wall

The aeroplane flies low.

!!! LET OP: Na werkwoorden als to be, to seem, to feel, to look, to smell, to sound, to taste GEEN bijwoorden, maar altijd het bijvoeglijk naamwoord.

voorbeeld:

I am happy. (niet happily)

John seems nice. (niet nicely)

It feels awful. (niet awfully)

The house looks beautiful. (niet beautifully)

The soup smells good. (niet well)

The music sounds good. (niet well)

Grandmother’s pie tastes wonderful. (niet wonderfully)