Chapter 5

Stone 17

Buying things

One chocolate bar and a packet of crisps, please.

Een chocoladereep en een pakje chips, alstublieft.

I'd like a whole-wheat loaf, two pizzas, three brown rolls, please.

Ik zou graag een volkoren brood, twee pizza's, drie bruine broodjes willen, alstublieft.

I'd like some cheese, a glass of apple juice, a chocolate bar, please.

Ik zou graag wat kaas, een glas appelsap, een chocoladereep willen, alstublieft.

I'd like four oranges, a cup of tea, please.

Ik zou graag vier sinaasappels, een kopje thee willen, alstublieft.

I'd like some yoghurt, a packet of biscuits, please.

Ik zou graag wat yoghurt, een pakje koekjes willen, alstublieft.

Can I have a bag of crisps, please?

Kan ik een zakje chips krijgen, alstublieft?

Could I have a bottle of mineral water, please?

Zou ik een fles mineraalwater kunnen krijgen, alstublieft?

Stone 18

Asking and saying how much things cost

How much is a hamburger?

Hoeveel kost een hamburger?

How much is this salad?

Hoe duur is deze salade?

How much is it altogether?

Hoeveel is alles bij elkaar?

How much are those pizzas?

Hoe duur zijn die pizza's?

How much are they?

Hoeveel kosten ze?

It's one pound fifty-eight.

Het is een pond achtenvijftig.

This bag of crisps is three pounds.

Dit zakje chips is drie pond.

A cup of coffee is fifty p.

Een kop koffie is vijftig pence.

Those rolls are forty-four p each.

Die broodjes zijn vierenveertig pence per stuk.

They're eighty-seven p a bag.

Ze zijn zevenentachtig pence per zakje.

one

een

two

twee

three

drie

four

vier

five

vijf

six

zes

seven

zeven

eight

acht

nine

negen

ten

tien

eleven

elf

twelve

twaalf

thirteen

dertien

fourteen

veertien

fifteen

vijftien

sixteen

zestien

seventeen

zeventien

eighteen

achttien

nineteen

negentien

twenty

twintig

twenty-two

twee├źntwintig

thirty-three

drie├źndertig

forty-four

vierenveertig

fifty-five

vijfenvijftig

sixty-six

zesenzestig

seventy-seven

zevenenzeventig

eighty-eight

achtentachtig

ninety-nine

negenennegentig

one hundred

honderd

a hundred

honderd

Stone 19

Asking and talking about timetables

When do you have English?

Wanneer heb je Engels?

Where do you have geography?

Waar heb je aardrijkskunde?

When do you have PE?

Wanneer hebben jullie gym?

We always have biology on Mondays.

We hebben altijd biologie op maandag.

I usually have science on Tuesdays.

Ik heb meestal natuur- en scheikunde op dinsdag.

We often have geography in classroom 108.

We hebben vaak aardrijkskunde in lokaal 108.

I always have tests on Mondays.

Ik heb altijd toetsen op maandag.

I have geography from one-thirty to two-thirty.

Ik heb aardrijkskunde van half twee tot half drie.

We have French from eight o'clock till nine o'clock.

We hebben Frans van acht uur tot negen uur.

They have biology from eleven-thirty to twelve-thirty.

Ze hebben biologie van half twaalf tot half een.

The lesson starts at eight o'clock.

De les begint om acht uur.

The lesson starts at ten o'clock.

De les begint om tien uur.

The lesson starts at half past nine.

De les begint om half tien.

The lesson starts at half past one.

De les begint om half twee.

Stone 20

Asking and saying what people are doing

What are you doing? I'm studying biology.

Wat ben je aan het doen? Ik ben biologie aan het studeren.

What is she doing? She's cooking dinner.

Wat is zij aan het doen? Zij is eten aan het koken.

What is your friend doing? He is walking the dog.

Wat is jouw vriend aan het doen? Hij is de hond aan het uitlaten.

What are they doing? They're listening to a CD.

Wat zijn ze aan het doen? Ze zijn naar een cd aan het luisteren.

What are you doing? I'm calling a friend.

Wat ben je aan het doen? Ik ben een vriend(in) aan het bellen.

What is she doing? She's talking to a teacher.

Wat is zij aan het doen? Ze is aan het praten met een leraar.