Chapter 2

Stone 5

Asking what's wrong…

What's the matter with you?

Wat is er met jou aan de hand?

What's wrong with him?

Wat is er mis met hem?

What's up with them?

Wat hebben zij?

Are you okay?

Gaat het goed met je?

Are they all right?

Zijn zij in orde?

Is she hurt?

Is ze gewond?

…and reacting

My knee hurts.

Mijn knie doet zeer.

He's ill.

Hij is ziek.

They've got spots.

Zij hebben puistjes.

Yes, I am. I've just got a rash.

Ja hoor. Ik heb gewoon uitslag.

No, they aren't. They've got the flu.

Nee, dat zijn ze niet. Ze hebben de griep.

No, she isn't. She's got a bruise.

Nee, dat is ze niet. Ze heeft een blauwe plek.

Stone 6

Asking what someone was doing

What was Nick doing then?

Wat was Nick toen aan het doen?

What was she doing when it happened?

Wat was zij aan het doen toen het gebeurde?

What was he doing when the nurse came in?

Wat was hij aan het doen toen de verpleegkundige binnenkwam?

What were you doing when the ambulance arrived?

Wat was jij aan het doen toen de ambulance arriveerde?

What were they doing while Mandy was at the doctor's?

Wat waren zij aan het doen terwijl Mandy bij de dokter was?

Saying what someone was doing

Nick was making a phone call.

Nick was aan het telefoneren.

Nick was having a bath.

Nick zat in bad.

She was climbing a tree.

Zij was in een boom aan het klimmen.

We were waiting for the doctor then.

Wij zaten toen op de dokter te wachten.

You were playing computer games while it was raining.

Jij was computerspelletjes aan het spelen toen het aan het regenen was.

They were listening to a CD when the phone rang.

Zij waren naar een CD aan het luisteren toen de telefoon ging.

 

Stone 7

Talking about what someone can, can't and could or couldn't do

I can see very well.

Ik kan heel goed zien.

We can't play the piano very well.

Wij kunnen niet zo goed pianospelen.

She could speak.

Zij kon praten.

She couldn't wiggle her toes.

Zij kon haar tenen niet bewegen.

Some teachers aren't able to hear this ring tone.

Sommige leraren zijn niet in staat deze beltoon te horen.

Some people are able to run a marathon.

Sommige mensen zijn in staat een marathon te rennen.

Doctors weren't able to operate.

Doktoren waren niet in staat te opereren.

Doctors were able to improve his hearing.

Doktoren waren in staat zijn gehoor te verbeteren.

Stone 8

Giving advice

You have to do what the doctor says.

Je moet doen wat de dokter zegt.

You have to wear glasses.

Je moet een bril dragen.

You don't have to spend a lot of money.

Je hoeft niet veel geld uit te geven.

You don't have to talk about it.

Je hoeft er niet over te praten.

You should get more exercise.

Je zou meer moeten bewegen.

You should take some time to relax.

Je zou wat tijd moeten nemen om te ontspannen.

You must take these tablets.

Je moet deze tabletten nemen.

You must get some advice from your GP.

Je moet je huisarts om advies vragen.

You shouldn't study all the time.

Je zou niet de hele tijd moeten studeren.

You mustn't worry about your height so much.

Je moet je niet zo druk maken over je lengte.

Why don't you become a volunteer?

Waarom word je geen vrijwilliger?

Why don't you find something to keep you busy?

Waarom ga je niet iets zoeken om je bezig te houden?