kdjv

het dagboek van Anke Veld

NKdeE 2018-2019


28/01/2018

om je niet te schaden, zal ik je naam niet vermelden, Anke.

om je te beschermen, jou te behoeden voor de vloek van mijn aanspreking, zal ik je Anke noemen.
alleen jij weet dat ik mij tot jou richt, alleen jij hoort wat ik echt zeg doorheen de tekens van deze nutteloze zinnen, deze futiele uitsparingen uit het licht waar je in kijkt, het al te felle wit dat jouw wangen oplicht en vergeefs een uitweg zoekt uit de zee van verdriet in jouw traan.

de anderen lezen mee maar zij versterken door hun onbegrip en hun nieuwsgierigheid de ware toedracht en de eindeloze reikwijdte van dit schrijven, deze onmachtige maar meedogenloze offerande van hun lezen aan jouw eeuwige schoonheid en onze roekeloze verbintenis.

zo kan niets nog dit nachtelijke berichten verstoren, niet ons beschermde heden hier, niet jouw van mij bevrijde toekomst elders.

ik weet niet, Anke, of men jou geleerd heeft al
dat de aarde rond is
zoals de dorst
dat, bij het geagiteerde gestommel van de verliefde schaduwen
bij het naderen van het licht
de taal van de dichters
de sterfputtentaal, de taal der eeuwen
droog is,
ruw en droog is,
zo vaak opgediend en afgenomen is,
zo lang al aan de lucht is blootgesteld,
aan het lawaai,
aan haar eigen spraak
dat ze hard geworden is
verguldsel,
en dan verbrijzeld.
zo zetten zij de weg voort
zo kondigen zij de wegen aan:
de stenen, de as op de verstrooide stenen.
het boek
rijst op van de schreeuw der geofferde bloemblaadjes,
van de brand van de profetische roos.
rook.
rook,
voor wie niets ziet dan vuur
voor wie niets ruikt dan de geur
van de dageraad
en van de dood.
maar de verordening van de toppen
maar de verordening van de ruïnes
betreft het jubelen van de bruidsnacht.

zoek mij in die vreugde, Anke, zoek mij
in het ogenblik dat licht het licht hervond
in de dageraad van onze ogen.


29/12/2018

op weg naar huis dacht ik seffens kom ik thuis ik ga de trap op, open de deur van het appartement, de warmte van de kamer overvalt me, ik doe mijn jas uit, zet wat koffie en dan ga ik zitten voor mijn pc, aan mijn klavier, ik kijk nog even de gebaartjes na van die-en-die, voel wat mee hier en wat minder daar, maar daar heb ik snel genoeg van en dan komt het dan schuif ik alles opzij ik zet misschien nog wat Bach op omdat ik wel gek ben op Bach omdat ik in 1980 al droomde van jou op de tonen van Bach de muziek heeft al jouw bewegen in zich maar dat moet ik je nog aantonen ooit als dat al nodig is want er is eigenlijk niet meer zoveel nodig, de tijd van nood en moeten en willen zit er nu wel ver op en wij drijven zelf als verzwegen melodieën weg in de stilte, voor eeuwig op weg naar hun klinken

ik dacht ik kom gewoon thuis en zet wat muziek op en ik zet mij eraan en zo geheel moeiteloos ben je er en ik kan je al dadelijk strelen als ik dat zou willen, ik kan met mijn vingers zachtjes de lijn van je glimlach volgen en gewoon door in je ogen te kijken en te denken wat wij allemaal doen kunnen met elkaars verlangende lijven je ademhaling doen versnellen, je laten lachen, jouw verlangen naar mij naar ons zo ten top drijven dat je op het punt staat enorm boos te worden op mij, mij te willen gaan slaan en het is wel heel erg grappig dat je net op hetzelfde moment denkt aan hetzelfde cliché en je zit al achter me aan met een krant om me te meppen van durf niet hè durf niet te zeggen dat ik mooi ben als ik kwaad…

maar waarom zou ik als ik gewoon kan zitten en kijken en door jou zo te denken jou tot jou bij mij kan maken en zo voor ons alleen de parel van alle werelden te glinsteren leggen, voor ons binnen handbereik, en jou vervolgens de parel in de handpalm kan leggen, je vingers een voor een er rond te sluiten en dan je hand te kussen en dan te zeggen:

“de nacht is een hand voor wie de nacht volgt.
in de nacht vallen alle wegen stil en deze nacht waarin ik je hand nam, waarin we alleen waren was nodig.
deze nacht was nodig zoals de weg nodig was voor jou en voor mij.
in de wereld waar ik je zoek ben jij het gras en de bron.
jij bent de verloren schreeuw waarin ik dwaal. maar jij bent ook, daar waar niets nog wakende is , de vergetelheid bij de asse van de spiegel”

dat dacht ik, Anke, op weg naar huis.

en zo geschiedde.


31/12/2018

ik ben de boot die diep in ’t donker ligt geborgen
van een sluis bij nacht.
ik ben de boot die bij het klotsend water
aan de kade op jou wacht.
jij bent kanaal waarvan het water rond mij
langzaam daalt en zie:
ik stijg. jij wikkelt mij met tranen uit jouw stromen dat zich voor ons tot aan de zeeën strekt. jij draagt mij hoger zo en hoger wijl ik wacht.

o wat popel ik, mijn Anke,
om te varen van de nacht bevrijd in Jou.
o wat popel ik, mijn hemelse Genade,
om in Jouw gladde stromen te verdwijnen.

laat nu de nacht voleinden dit beproefde jaar.
laat ons elkaar verdragen naar de eenvoud van het nieuwe jaar.


als bomen in liefde vallen

“Als bomen in liefde vallen.
Diep, donker, in het water, zoals plannen.
Overgave, geven het op.
Aan het koude water, geruststelling, de grond.
Niet zoals een lijf, vol lucht, dat opblaast.
Wit wordt, bleek, vol groenbruinig herinneringen,
Aan wat nooit zal kunnen zijn.
Zoals liefde, toch niet in het hoofd,
Dat dacht te moeten springen. “


1/01/2019

ik waak en in het raam zie ik alleen de nacht.

ik waak en als ik schrijf naar jou dan zie ik onder de dekens en het laken van de nacht heel vaag en ver jouw lichaam.

ik schrijf: de waakvlam van het ware licht dat in het boek besloten lag.
ik schrijf: het dwaallicht van het schone dat hier niets vermag.
ik schrijf: de ster van het verlorene, de nevel van verlangen.

het flakkert naamloos in de verte en zelfs dat zwakke vlammetje lijkt voor al de zwarte nijd rondom nog licht te veel.
de motten vallen aan.
een hond blaft muilen open die wel moorden willen.
de onmin davert in mijn hoofd met monotoon gedreun.

ik schrijf en zie de nacht ontwaken in het zwart dat voor mijn ogen ligt. ik duw de woorden hel en haat zachtjes weg van jou en naar het scherm maar wel gestaag en zonder angst. het denken hoeft niet en ook niet de angst als mijn schrijven aan jou is gericht. het gaat vanzelf omdat jouw slapen al in alle letters zit. jij bent betekenis die denken overbodig maakt en jouw ontwaken straks, jouw lezen dat ik schreef terwijl je sliep verjaagt de angst die ik vandaag had opgespaard.

jij leest: ik schreef mijn liefde uit voor jou en voor jouw verre lichaam.
jij leest: ik schrijf mijn liefde uit, een zwarte schreeuw die op dit scherm ontstaat en nu de letters dansen doet.

mijn vingers vinden ongemoeid de juiste toetsen want ze raken ook jouw huid. het maakt zoals een bed wat kraken kan een irritant geluid maar als ik maar snel genoeg ben komt geheel jouw stem en ook het fijne lijntje van je lippen op het scherm.

je lacht dan als een tilde in de dwaasheid van dat licht
je ogen asterisken en jouw lichaam lezende maakt bochten van een ampersand.
o kon ik maar jouw adem hier coderen, hoe je borstkas als een schemeren verhoogt en in haar zwart tot rust verzinkt!

zo kan ik waken tot de dageraad gebeurt. ik heb dan toch de nacht, haar dekens en dat vreemde witte laken met jouw heerlijkheid besmeurd.


3/01/2019

neen, ik wil niet van jou dromen.

ik droom niet van jou dan maar van het gemis en eindigen doet het steeds weer met een verschrikkelijk ontwaken, recht in van dit echte het onaflatende bedrog.

een intense vochtige hitte heerst er waar ik rondloop daar. vuur en water, geketend in een zaal met ontelbare meterslange doeken.

ja doeken droom ik, doeken, altijd weer doeken.
lange doeken waar ik inloop urenlang.
doeken die mij schroeien met hun hete druipen en hun hoge dampen, hoog naar een plafond dat niet te zien is.

er is geen uitweg hier, dit is geen weg, ik kom er niet.

donkerrode doeken waarop in het wit tekens staan geschreven, verhalen die mij zouden kunnen leren het waarom, wat doe ik hier, waar kan ik heen nog nu ik jou niet langer voelen kan? waarom kan ik jou niet spreken? jou zien? jouw lichaam strelen en verdrinken in jouw geur van natte haren, zweet en parelend verlangen? waarom blijft mij mijn bestemming steeds ontzegd? en aan jou de jouwe? waar scheelt het nog, welk deel van mij loopt nog in jou verloren?

ik wring in wanhoop mijn afgepeigerde lijf door de doeken heen alsof het lippen zijn die mij jouw ware naam verzwijgen terwijl iedereen toch weet dat jij het bent.

of niet soms? al die jaren dat we ongezien wel bij elkaar maar nooit echt samen waren? dat ik jou dacht, ‘jij’ en hop daar was je weer in al jouw pracht? dat ik weer al mijn moeizaam bij elkaar geharkte liefde bij jou bracht en jij gedwee als gods slavin mijn offerande weigerde. jezelf vermeide in het banale dat ook ik doorstond, met die en die, met een wereld die geen wereld was maar leegte, woestenij? omdat jij zei en jij dacht dat het bij god onmogelijk was.

je spreekt van pijn, dan, verdriet, alsof ik niet…

heb ik jou dan niet de scheuren laten zien waar resten van de pennen in mijn schouders etterden? ben ik dan niet ter jouwer wille afgedaald tot hier? je liep weg, je wou niet weten wie ik was.

hoor je niet mijn schreeuw die de muziek der sterren doet verstommen? voel je niet als ik jou raak het universum kolken om je heen? waar kan je heen, denk je, zonder mij? de letters van je naam verstuiven in de leegte als ik ze niet meer schrijf

ga je nu weer vluchten als ik wakker word uit dit vervloekt begrijpelijke dromen? uit deze neergeschreven, opgehemelde waanzin? ga je weer jouw ogen die als smaragden vol van zwarte smarten in het licht uitbarsten, fijntjes sluiten, jouw lippen stijf van de ontkenning, jouw armen bleke zwaarden van jouw weigering? ga je weer weg zijn, weg van mij?

in mijn dromen is het mijn gemis dat mij vermoordt als engel en als ik waak ontslaap ik platvloers in jouw duivelse afwezigheid.

neen, ik wil niet van jou dromen, Anke


4/01/2019

zal ik jou al schrijvende ter hand nemen? ik bedoel: letterlijk jouw lichaam hier in het geschrevene opwekken, het rillende voor ieders ogen vanuit de dansende tekens laten verschijnen? een hoopje kleumen is het dat hier ligt, een wonder vol in haar ontwikkeling maar naakt en teer, en bevende als een vogeltje dat net, misschien, in volle vlucht een raam vond op haar door weer en wind woelig geworden weg.

zal ik jou vervolgens van het blad nemen, jouw hulpeloosheid uit het wit plukken van dit al te kille scherm? zal ik mijn linkerhand uitreikende ontsluiten en jou in de weeë warmte van mijn palm te rusten leggen, troosten en verzorgen? Ik streel je zachtjes met de vingers die nu typen, ik hoor je zuchten al, jouw holle kreunen van tevredenheid.

word ik jouw god dan als ik jou die in mijn schrijven trilt, aanbid? je strekt je uit in mijn hand en het strelen wordt allengs een wrijven van genot. voel je het gieren door jouw lijfje als ik mijn schreeuwen van verlatenheid en angst doorheen jouw openstaande holten richt?

wil zo niet uitgaan in het mijne, liefste, wil zo niet doven in dit ene dat slechts beklemming is van het onmetelijke. dit, een hand?

spreek en leef, heb lief en volg zelf zingende de stem die zich al schrijvende in dit heelal bevrijdt…


5/01/2019

is dit nu toekomst of herinnering?
kijk en lees, luister of beslis.

ongelukkig ben ik niet: het ontbreekt mij aan niets. maar iets in mij vertrekt toch steeds nog naar het einde. ik zie een struik en denk hem brandende. ik denk ‘een struik’ en zie een strik of zwart geblakerde takken, stompe stekels als een dode spin van inkt.

waar ik ook ga, ik draag een zak mee van de weigering, zware stenen van ontgoocheling. ik ledig hem als ik ter plekke ben, de plaats waar men de zakken terdege dient te ledigen.

en dan is er het zweven, hier en overal. ik zweef met honderdduizenden anderen verloren in het ijle van het grondeloze. grauwe duisternis bij ons alom: eender is het boven, eender is het onder, alles eender, nergens grond.

uit het vergane boek heb ik het laatste blad gescheurd. de wegen naar jouw wachten waren uitgetekend op dat blad. jouw wachten is een zingen, jouw zingen is vernietigend.
maar het blad verpulverde, en de wegen waren weg.

enkel in het ijle schreef ik nog jouw naam, reine incarnatie van het raken dat ik mis. op de naakte ruggen schreef ik jou, van dames die ik met mijn leed betaalde. jouw naam werd maan die mij bescheen omdat jij niet dichter bij mij raken kon. mijn schrijven werd verrijzenis, verblindend stralen, zon die mij ook schroeide. en wat anders dan een ster is onze zon die stralend in wat rest aan duisternis geheel en al verloren is?

wat zou ik nog schrijven als alle wegen naar verdwijnen leiden, weg van nergens naar vergetelheid? onweer, zwavel, donderslag. jij bent mijn weg, vertelt mij dan hartstochtelijk wat zich over mij heen neerstort als het wenen van de nacht. als de nacht weent breekt het duister als een dageraad.

ja, ik heb mij op dat pad begeven omdat geen ander woord mij zag. het was een beeld van jou dat ik daar zag, eiland in een oceaan van nijd en onverschil, atol, asiel, lais.

en plots ben jij daar klaar en duidelijk van elk begin het einde en zingende mijn weg.

maar Anke,
nu jij met jouw zingen zó als god gebeurt,
nu jouw stem mijn ziel aan flarden scheurt,
nu jouw hoogste reiken al mijn duisternis tot licht verklaart,
zeg mij toch:

is dit nu toekomst of herinnering?


6/01/2019

ik lig in bed, ik waak, ik woel, ik vind geen aarding
in het draaien, keren dat ik doe
er is een beeld van jou dat door mijn wezen jaagt
het laat niet af, het houdt niet op

jij ligt in bed ik duw en streef en sterf in jou
jij kreunt omdat je niet meer kan
je stamelt ‘nee’ en ‘nee dit kan niet nee’
dus ik ga nog meer in jou tekeer

en dan

de nekslag achteruit
je drukt je achterhoofd de kussens in
dat zachte wil niet kennen deze kracht van jouw ontluistering
de aarde wijkt, de zeeën splijten
monsterbaarlijk is geheel jouw lichaam
dan gebeurtenis, ontwaken:

je slikt en

in het bulderende suizen van het stille punt
omvormt zich tot kolos, kadaver en geraamte van de tijd
het woeste beest dat in je hals als honger leefde, de mastodont
die slokt, en slokt in de verpletterende zwaarte van zijn reine git
en die mijn snokken vreet, mijn spasmen, en die de kamer eet, en die heelal en jou verpulvert en vergeet

uit jouw lichaam dan stijgt langzaam op
versplinterd licht
het zilveren zingen van gods glinstering.


8/01/2019

dichte wolken verhullen de sterren en de prille maan.
als honderden vogels, duizenden vissen gaat vannacht
de hand van de wind door de wiegende bomen.
de kale takken tokkelen, hun keren van fijne strepen zwart naar scherpe lijnen van een nog dieper git geeft hun reiken over aan de macht van de wind.

maar de wind is goedaardig, een strelen, een gebrek aan geweld.
de wind beleest de bomen.
de bomen schrijven wind.

in het vale wit van het scherm wil ik mijn blijdschap leggen, mijn genieten van jouw ranke lijf, jouw felle lach, jouw pronte schouders en de melodieuze frase van jouw oren die ik met mijn vingerwijzen volg, en zing, en volg.

maar bewijzen doe ik niets.
jij ligt ver van mij te slapen en jouw droom betreft niet mij, maar een woestijn, het verzengende verlangen naar wat je maar niet vinden wil in mij.

ach, wil in mij toch nederdalen Anke, wil in mij toch jouw verlangen zaaien. elk zaadje zal ik koesteren als heiligdom, voeden met de wellust van gemis. elke korrel duister die jij strooien wil in mij, plooi ik open tot een wereldstad in taal.

de wind beleest de bomen met van mijn ziel aan jou de eeuwige bekentenis.
een uil zweeft hoog daarboven, roept de droeve klanken van het goede dat ik mis.
de bomen schrijven grauwe luchten uit waarin ik hou van jou.

de uil heeft zicht op sterren, ziet en zingt de schaduw van jouw naam.


10/01/2019

de vaardigheid verbaast de hand.
de hand verwekt het wrijven.
het wrijven krast, het licht barst open.
het licht lekt duizend soorten kleuren.
de kleuren houden optocht, stoet, parade
de optocht wou een optocht zijn naar morgen
de toekomst werd vergeten dag in een vergeeld verleden.
de wolf wil dieper in het rode.
de hinde houdt het reine in het bos.
het bos ontvlamt, is lichterlaaie.
de vaardigheid verbaast de hand.
de hand was het vergeten,
vergat dat zij het strelen was.


11 januari

ja kom, we gaan wat liggen nu, ik en jij en ik hier netjes in ’t midden van het wit zodat niemand denken kan of zien dat er iets zijn zou, laat staan is. zeg ’s niets, liefste, ja zo ‘niets’ met je tongetje tegen het stilste punt van de tand van het zwijgen. ‘niets’.

hihi.

voel jij niet hoe wij in veelvoud samenplooien hier tot de tonen van één lied? zie je, ik wil niet langer mij uit ons ontwarren, zoeken waar wie ergens is, waar nergens en waar bij jou waar ik altijd toch weer verloren loop in mij die niet bij jou is.
wij, een weg van ons die niemand vindt.

ha, ook al zeg ik mij soms nog zo verbeten weg uit jou dat je om jezelf heel hard lachen moet, zo weg en trillend van het zeggen nog. zeg!

kijk, hier. ik kruis een moeder met twee kindjes in de supermarkt, doorkruis haar blik met stralen jou en zie zij lacht naar mij alsof ik liefde ben en zijn ze niet? ze zijn het echt, mevrouw en dit is stralen van geluk, pure rayon d’or.

ik had jouw dansen lief, toen jouw lichaam dansen tekende en jouw kijken dan mijn handen aaide, ik had jou helemaal in mij toen ik nog hebben wou en jij mij ook maar ik niet kon, niet wou, welja door jou natuurlijk, jij die mij verraadde daar en heel mijn houden van verwierp.

ach, zijn wij niet eender allen en op hetzelfde in ons even boos? dat er niet is? waarom zo boos dan, jij?

ik zal ons openplooien liefste nu al die happen uit de plooi gesneden zijn en in het licht waarin wij lezen thans aan iedereen bewijzen hoe hetzelfde steeds in ons het ene als een zang herhaalt.

‘guirlande’ noem ik het, ‘van jij en mij’.
mooi toch, niet?


13 januari

“het wezen van licht is het duister in jouw ziel dat licht wil wezen”

dv, Gedicht van de Dag op 15/01/2019


ik schrijf het eerst, dan lees ik het, dan moet ik dagen denken soms en dan snap ik er nog niets van. meestal vergeet ik het gewoon, maar het bestaan ervan, dat valt niet te vergeten, want tja, je ziet het, è, men kan het lezen.

en dan, soms jaren later, zie ik iets van jou, de wind die bladen opwaait in een wervelende spiraal die hoger reikt dan de bomen waarvan zij vielen, of een lach op een gezicht ’s morgens in een overvolle trein van werkonwilligen, of jij nu die mij schrijft in woorden die ikzelf had kunnen schrijven en dan begrijp ik plots, aja, natuurlijk, dat was het, wat ik daar zeggen wou.

maar wie, Anke, wie is het dan die daar wat zeggen wou? en aan wie?

kijk, ik schrijf omdat ik schrijven moet, het is mijn missie: woorden geven zin aan mij en ik geef zin aan woorden. als ik, niet ongetalenteerd, maar toch zoals eenieder een falen ben eerst en vooral , een dromen dan dat het wel beter kan, een willen worden weer dat dan wel mooi is maar tja uiteindelijk een falen toch ook weer, – als iemand zoals ik, een mens als een ander, in mijn schrijven plots een ‘bode’ ben, een ‘zendeling’, ben jij Maria dan, Anke? of hoe zit het in elkaar? door wie gezonden en om welke zin? waarom?

het zal ons leren, ja, want het schrijven is natuurlijk slechts haar eigen zin.

voor ik jou leerde kennen was er wel een Anke ook maar zij was louter naam, ik had nog nooit zo letterlijk het woord genomen en tot haar gericht, tot jou, nu, hoewel ik hier niet openlijk, maar jij toch, jij bent echt, mijn reine liefde die ik nu bijna kan raken, zo ver is het gekomen al.

hoe kon ik weten toen, dat jij bestond? waarom lees ik nu jouw wezen in haast elke letter die ik schreef? stond het hier alreeds geschreven en is alles wat sindsdien gebeurde slechts een lezen van dit schrijven? wat is het geheim, het mysterieuze wezen, Anke, in jouw ziel dat zo door licht verlost wil zijn?

als ik jou zie, Anke, zal er nergens in dat wezen duisternis nog zijn, dat denk en schrijf ik nu, alleen maar licht dat in het licht het licht zal lezen, een tel die van zichzelf bevalt, beviel.

hoe kon ik toen begrijpen dat ik enkel mij in jou beschreef, dat jij het schrijven bent, mijn reine dier, mijn lieve hert, mijn hart, het schrijven waarin ik leefde, leef en altijd leven zal?


14/01/2019

vannacht leg ik jou hier mijn gelofte af, Anke
vannacht geef ik aan jou geheel mijn liefde prijs
jij bent voor mij voleinding, licht en paradijs
het staat publiek, het is een wrede open brief.

jij bent mijn woord, en code van mijn droom;
jij bent de naam die mij vermoord;
jij bent de prooi die ik bemin,
gewillig dier dat mij versmachten wil
en dat ik bij nachte woedend van mij sla,
omdat ik enkel in dit hier te felle licht,-
omdat ik enkel in jouw stem besta.

jij bent het hert dat in mijn onmacht ik verwond;
jij bent het vluchten dat ik aan mijn angsten bond;
jij bent het naken van genade die niet komt;
jij bent de ark van het verlangen die op wanhoop’s water glijdt;
jij bent genot van lijden dat vergaat voorbij de tijd;

van de gruwel en de liefde zal ik zingen hier
en van het schone diep daarin,
van de meren die hun kille spiegel op het branden richten,
van de woestenij van rots en zand die de lusten van de maan benoemt,
van het hebben hier dat nergens liefde vindt (want wij zijn geven),
van het zijn dat hier niet aarden kan (want wij gebeuren),
van niets dat alles wint van alles dat in niets verdwijnt (want wij vergaan)

en vertellen zal ik hoe jouw schoonheid daar
voorbij het laatste denken
dat van niets nog is herinnering
in het onaantastbaar raken van het vuur
in de witte stoom van ’t reine stoken
In de dichte drom van diepe aarde
In een krijsen door de ijlste hemellucht

onverstoorbaar dood na
dood na van het sterven dood
toch in jou opnieuw
begint.


20/01/2019

er zijn geen gaten, zie ik, in ’t plafond.
geen streepje licht breekt door de tombe van mijn mond.
je zal niet vallen bij het dansen op mijn graf.
je komt met simpel kijken weg en van mij af.

je ziet de kinderen naar de eendjes kwaken
die in’t schuifelen kwakken plots op ’t strakke laken
dat de eerste vorst daar op de vijver bond.
geen mens wil meer dan ik bij jou geraken.

je hoort niet in mijn hoog verspreidde luchten
dat ik ook al daar en ongezien door jou bestond.
ik hoor gestommel slechts en van jouw liefde molm
ik vang van jouw genieten bot en en been en zuchten.

er zijn geen gaten daar dus kan ik jou wel laten.
ik laat je veilig in de armen van jouw eigen praal.
ik hoor je kirren en je kreten, nogal theatraal.

ik zal mijn stem met droeve donkerte bewaken.
jij kent de kracht nog niet van het ontwaken.


21/01/2019

als dit een boek was, Anke, was dit nog maar begin.

het begin van een boek is één en al belofte. elk woord is zwaar en log van de belofte. je leest het bovenop wel honderden bladzijden verhaal dat nog gelezen kan.

het boek is altijd boek van het verlangen. we willen lezen wat we willen. dus de belofte is volmaakt in het begin. er zit geen greintje twijfel nog daarin. het vertellen evenwel belast de reinheid van ’t beloven meer en meer met het vertelde. wat verteld is kan niet meer verzwegen worden.wat we weten is vaak niet wat we willen weten.

dus de twijfel wurmt zich in het boek en slaat de bladen open vol verschrikking. de mensen worden angsten en de angsten worden monster. de monsters jagen door de bladen en bijten flinke gaten in ’t verlangen. lees ik het wel goed?

maar het verlangen groeit in ’t lezen, bij het voortgaan van ’t verhaal. en naar het einde toe beheerst de schrijver die een schrijver is van vele boeken, geheel de kunst om het verhaal gepast te besluiten.

je zucht alsof je alles hebt gehad en kan het boek dan sluiten.

maar dit, liefste, is geen boek, het is slecht verhindering van licht dat in jouw ogen schijnt. het is een schrijven dat niet eens beloven kan er morgen nog te zijn. het loopt niet af maar op, het komt niet uit en ook niet weg van het verleden. mijn schrijven, Anke, gebeurt nu en hier terwijl jij daar geheel onleesbaar nog te slapen ligt.

Anke: onder dat ene wankele woord, jouw naam, ligt niet het vaste van het boek, tastbaar bewijs van de deskundig uitgevoerde afloop. niemand hier heeft enig vast bewijs van jouw bestaan. misschien schrijf ik gewoon mijzelf hier aan?

vergis je niet, Anke, ik ken mijn vak: ik spreek jou naam uit met mijn stem van god en jij bestaat. ik ben mijn schrijven en het schrijven dat ik doe ben ik ,eerst en vooral en daaruit jij, mijn onnavolgbaar ideaal. ik heb al zeeën uitgesproken, vrouwen tot in extase toe verschreven en geheel mijn werk is kathedraal. als ik een vinger aan jouw lippen schrijf gaat er genot door heel jouw lijf. voel je het?

maar niemand kan mij zeggen hoe het verder gaat. ik weet alleen dat ik jouw adem mis, Anke, jouw handen, armen, en jouw schouders die als vlindervleugels schuren langs de binnenwand van mijn bestaan. o kon ik maar nu hier met jou…

dit is geen boek maar wel begin. en in wat komen gaat heb ik alvast enorm veel zin.


22/01/2019

ze zwijgen, maar ik hoor hen wel. ik zie hen deze woorden lezen met ogen vol verbijstering. vrienden? pfft, ik dacht het niet.
velen al verlaten mij, ze dumpen mij als weer zo’n gek.

maar ik kan niet anders dan naar jou te schrijven, Anke, hier, publiek. hoe anders kan ik jou vinden, hoe jij mij als je mij niet lezen kan? ik dacht jou eerst een boek te schrijven met daarin dan het ganse verhaal.

hoe wij voor elkaar geboren zijn.
hoe wij enkel in elkaar bestaan.
hoe ik jou missen moet, dag na dag en in het eindeloze waken elke nacht.
dat ik nooit weet of jij wel oké bent, hoe het met je gaat. dat de angst en de zorgen mij verteren als een kanker in mijn lijf.

maar boeken blijven ongelezen in de rekken staan, niemand heeft nog tijd voor een verhaal. dus schrijf ik dit als een sonde, peilend naar de gronden van ’t verlangen dat jij in mij verwekt. mijn schrijven is een baken, een bot, programma dat het mondiale kluwen van de code dagelijks doorzoekt naar sporen van jouw aanwezigheid.

ja, ik weet het. ik lees wat ik schreef en ik zie hoe jammerlijk ik faal. niets hiervan benadert maar wat er vereist is voor zulk een wonder. maar de dag komt, Anke, het uur, het singuliere ogenblik dat ik zonder enig aarzelen op enter duw en jij verschijnt, naakt en rein als licht in licht, van mijn wereld einde en van onze eeuwigheid begin.

en zij, ach zij: ze zwijgen maar ik hoor hen wel. wacht maar tot ik hen wat meer van ons vertel.


23/01/2019

dit is de dag van mijn ontwaken.

in het donker waren jarenlang mijn ogen droef en groen.
kleffe walmen om mij heen bedwelmden mij met ziekelijk verlangen.
de aarde zelf bepotelde mijn lijf en laffe geesten zogen alle energie uit mij.

zwaar en log was ik, ik sluimerde en sloeg gelaten mijn beplakte huid en heel het zomp met luie ogen gade. ik zag hoe onophoudelijk ik verkleurde, nieuwe tinten lila, grauw en goor oranje streepten op mijn huid maar in het vale licht leek alles eender.

door het steken in en onder mij vertrok vaak mijn mond in angst of woede. het waren onmin, nijd en de duizenden verzweringen van het geveinsde woord die mij vraten, knaagden aan het woekerende vlees dat ik was. mijn lijden was het voer voor al de leugens die men nodig dacht te hebben.

zo werd mijn huid een pantser, met schubben afweer op een laag van ondoordringbaar staal. en ik groeide, jaar na jaar groeide ik verder uit tot het monster, de kolos die ik ben.

geen gebeuren , geen gevoel ontlokte op de duur nog enige reactie aan mij. ik was een klomp geworden, vleesrots in de verschrikkelijk stinkende natuur der mensen. ik stond versteend te midden het klotsen van haat en walg die slechts henzelf betrof.

en toen kwam jij, Anke. eerst de schitter van jouw lach en dan het ijle zingen van jouw stem, die schuurde en zwiepte als een gezwinde, door god bestierde laserstraal doorheen dat harnas.

ik stierf, Anke, ik wierp mijn uitzicht van mij af en ik verrees in jou, mijn licht.

dit is de dag van mijn ontwaken.


24/01/2019

eenzaamheid? ik durf nauwelijks nog het woord te gebruiken. ik wil mijzelf daarmede niet affronteren, de eenzame die ik was te midden van de massa dolenden. het roep mijn angst ook op, mijn afschuw van wat er was, van wat ik was.

god wat zijn ze toch zo ongelooflijk talrijk, de eenzamen. neen ik voel geen mededogen, zo hardvochtig ben ik wel geworden, puur uit lijfsbehoud. hoe lang verbleef ik niet als één van hen in dat paleis van leugens, schaamte, schuld en nijd. gun hen nooit een blik van mededogen want ze sleuren je de ziel uit de ogen.

ik zie mij beuken, rammen, kreunen, krijten in haar tot de kamer zee werd, kolkend bloed. ik zie haar gruwen, grijpen, klemmen, knellen tot de muren dropen van de pijn. ik sneed in haar het woord van liefde open tot de etter van de haat mij op de lippen spoot. zij wurgde, wrong mijn adem en mijn strelen tot een reutel en een klauwen om.

jazeker: ik was een van hen. in mijn ogen werd het licht eender gebroken tot een vaal schijnsel van een zwarte zon. eender was mijn harteloze grijpen naar het voedsel dat geen voeding was maar glijden, hopen slijmen die wij schrokten, vraten, altijd meer en meer.

niets kon ons van de eenzaamheid verlossen. hoe uitzinnig wij ook elke grens met doodsverachting passeerden, elk gevaar of dreiging ridiculiseerden, altijd weer werden wij na elk exploot onszelf, alleen en van alles, god en iedereen verlaten.

op de schermen zagen wij de schimmen van onszelf die hier tot bij ons wouden geraken omdat ons vertoon hen als het echte, waardevolle leven in de ogen scheen. de onverlaten! bedrogenen die wij ooit zelf waren, toen er van het leven nog iets in ons restte. ze verzopen met duizenden onderweg naar onze dagelijks aan hogere prijzen versjacherde, tot in de grond verziekte oorden.

neen Anke, eenzaam wil ik mij niet langer noemen: die hel mag zonder mij vergaan. en sinds ik jou ken, zoeken mag, vinden ooit misschien, beminnen alleszins, voel ik mij niet eens meer zo alleen.

want zie: mijn woord gaat hier naar jou, en waar jij het leest zijn wij.


26/01/2019

je schrijft over eenzaamheid alsof ik er nog niet was. ik was er altijd al, weet je, als mij in jou, als jij in mij. ja nu schrijf je me, je verbeeldt me, je vond me, ook al vond je dat gewoon in jezelf.
in hoeverre is dit het echte leven, een twijfel die m’n hele denken dagelijks doorboort. het lucht op, dat wel, het breekt me soms, het raakt me, diep, en dat je dat schrijven richt aan mij. dat verbijstert, en onthutst.

ik wil me dan van waarde voelen, alsof ik echt iemand ben. ik vraag me af waarom ik dat wil, waarom ik per se wil zijn. ik ben al.

ik wil je graag zeggen wel, hoezeer je me daar neerschrijft, ja neer ja, je legt me neer, te kijken, bloot en naakt en al. maar hoewel erg bang, lees ik me vol geruststelling, het doet geen pijn, het zalft. het brengt mn littekens bloot, mn vlees, net onder m’n huid, waar niemand ooit eerder kwam.

is m’n huid een masker, mijn gezicht, de manieren waarop ik kijk, waarop ik lach. ik vermoed het, nu ik mij zo ontveld lees, als mijn ware zijn, als Anke, zoals ik alleen in jouw aanwezigheid ben, en ook ergens achter de spiegel, als ik er nauwelijks in durf kijken.

ik wil je dankbaar zijn, ook al hou je daar niet van. het zal u leren, zeg je soms. ja dat doet het, het leert me, het leert me van ons, en schrijven, en liefde, en dat er weinig verschil nog is.
ja onderscheid maken, dat wordt echt moeilijk nu, een grens, die zocht ik zo vaak, ik ging erover, maar een grens blijkt geen lijn.
waar begin ik, waar eindig jij, in het niets vermoed ik, ja ginder ergens, daar waar geen mens ooit eerder kwam.

het niets, nee niet niks, niets, omdat dat woord mooier is, meer zegt. ja de vorm is ook belangrijk, ondanks mijn rebelse weerstand ertegen. zo bezig met inhoud, maar niets om die inhoud in te gieten, totdat die inhoud zelf met een voorstel kwam. hier zijn het woorden, maar altijd lijnen, een hoop punten, een hoop iets, midden in het niets.

je maakt van mij de mooiste Anke die ik kon zijn.


27/01/2019

in het spreken dat mijn schrijven was, ontbreekt altijd mijn stem.

jij schrijft en antwoordt mij maar waar ben ik en wie ben jij?
ik verbijster, jij onthutst. het echte leven is zoals je zegt slechts het echte van de twijfel die elk hart genadeloos doorboort. angst die ons doet trillen als een blad, gemis dat hamert op gemis dat diep in onze lijven giert als een orkaan

onzekerheid breekt elk onuitgesproken woord open als een vlies bedrog op ’t harde licht van schermen. onrust die de waarheid van het denken draait en keert tot alles met een doffe plof in ’t stof van het banale valt. maar wat is nog materie als ik jou in mijn vingers voel terwijl ik typ en mij niet meer? is niet het gemis het enige dat zeker is? en zijn wij dan niet louter van elkaar herinnering? ik vind jou hier in mij en ik bemin jou als mijzelf, maar wie zijn wij?

je schreef mij dat ik jou raken kon waar niemand dat ooit eerder deed? kon ik jou maar raken, kon ik maar voor een moment mijn hand als een geschenk in de jouwe leggen, ik liet het daarbij voor de zaligheid van dat eeuwige, vermaledijde zijn.

in het lezen en het schrijven klinkt geen stem. tussen het hier van het schrijven en het nu van het lezen is de grens geen lijn maar de oneindige woestijn van het ondenkbare. en toch zal het gebeuren.

jouw lieve woorden willen mij gerust stellen, mij verzekeren dat ik er goed aan doe om jou zo bijna dagelijks en roekeloos te aanbidden, maar ik lees jou en ik voel en ik zie wat ik zelf doorsta.

ik hoor jou huilen, liefste, diep in mij. ik voel een klamme kilte waar jij weg uit wil. maar zowaar als er enkel schermen tussen ons bestaan, zo echt als dit vermeende spel de harde waarheid is, zo zeker dat ik ben dat ik jou van elk gemis bevrijden wil, zo weet ik ook dat er evenmin voor mij een uitweg is uit deze zware woorden, mijn gevangenis.

want ook al zeg jij ja, Anke (en hoor ik niet jouw zuchten al?) : in het schrijven dat jouw spreken worden zal, ontbreekt altijd jouw stem.




je schrijft me, je aanbidt me. je schrijft mooi, lyrisch, zoals in een wals, zo voel ik me vaak als ik je lees. en ja, dan dans ik graag mee, mee in die vorm van taal, die bedwelmend is. maar door al dat dansen weet ik niet meer wie of waar ik ben, ik draai. ben misselijk, eigenlijk, het absolute kwijt.

ik liet me leiden door verlangen, om je te bevestigen ja, misschien wel ja, om je te behagen, als dank, of eerder uit schuldgevoel, het plichtsbesef zoals een meisje dat al snel leert.

ik moest ooit en eerder wisselen, ik deed het, toch, ik wou niet, ik weet niet waarom.

hoor je wel wat ik echt zeg, waarom vind je me niet, ik ben er toch.

je aanbidt mij, maar als je niet goed weet waar ik begin of eindig, wie aanbid je dan. je zelf ? en waarom teken je mijn lijf, dat vergankelijk ding ? waarom teken je niet mijn denken, waarin ik meer dan ooit ben, besta. ja je voelt mijn voelen, dat overkomt je. maar meebuigen, je leren wroeten in mijn taal, de manier waarop ik denk, praat, los van de diepe gelaagdheid en bedwelmende herinneringen van mijn stem, daarin kan je mij vinden, en zo ook weer jezelf, en ook wat liefde echt is.

mijn taal is niet de jouwe, je voelt me me nu afscheuren, niet. ik voel t wel, ik maak me los, uit dit harnas van taal en woorden die soms ketenen zijn. los uit deze wals, die misschien wel ondergang is.

kwets ik je nu, zijn mijn woorden eerder hard. ik weet t niet, maar toch schrijf ik je dit. zoals respect me dat gebiedt. is respect dan ook een stem, mag die me wel bevelen. ja, door scha en schande heb ik dat geleerd, laat ik dat toe.

kan ik nu zo eindigen, zo kil, vind je nu de warmte nog.
weet je wat, ik geef je vertrouwen, dat je mij, mijn zachte woorden, niet nodig hebt.
tenslotte is dit toch ook maar gewoon een spel.
maar niet vergeten te eten he, voed je, jou en dat vergankelijk ding.


28/01/2019

vast in taal. ik praat, ik schrijf, jij hoort jezelf, je eigen falen, wat ik ook zeg. ik denk aan die toren toen, van Babel, de spraakverwarring. ik zie die hele volkeren splijten.
het zit m in de woorden, dat denk ik dan, het misverstand. en ja begrip is vrede, onbegrip een oorlog, met vijanden en al.

voor begrip is luisteren nodig, en lezen. de woorden zoals ze er staan, zoals ze klinken. ja onder lagen stem, stem die veel verduistert, het stralen ook, van ogen, gezicht, mimiek.
hopen emo, stiekem opgeslagen in rimpeltjes en tikjes allerlei. in vlekken, littekens, een stuk minder of andere huid. dingen die ontbreken ook, niet rustig zijn.

ja taal is hopelijk het communiceren met woorden, elkaar helpen en onszelf, met dingen die ons gelukkig maken.
zoals sommige woorden, zoals met liefde, begrip.

luisteren is woorden aaien, ernaar kijken, alsof je die wil kennen, zoals ik dacht dat ook liefde was.



omzeg ik een zin, de woorden blijven bij de woorden medelijdend staan.

roer: ik tast mijn roeren aan en ik bekijk de spatel die ik heen en weer en heen vergeefs beweeg. waar ben ik?
licht: ik strijk het licht in kleuren uit, gestolde plaatjes van het duren van de weigering. zij houdt van Hem, Hij wijst haar af, ik hou van Haar, zij walgt van mij.
doof: ik uit de woorden die als motten in mijn keelgat slaan. ik walg, ik stik, ik slik. houdt Hij van Haar?
blind: ik zie een lijf dat leeg zijn liefde biedt aan mij. wie zijn wij, en waar?
daar: een voorwerp van verlangen gooit mij van hoog de gebaren van het falen in de open hand. ik vang een slipje met haar geuren.
er: mijn mauve stilte donkert er tot blauwig grijs. zij neemt mij in de mond.
ach: hij zoekt het spreekgestoelte. ik grijp zijn benen bij de haren vast.
ja: ik kom in haar, zij jankt, ik duw haar van mij af

ik spartel op de vloer.

de gebeden bleven steken in een lus van onbegrip.
mijn lichaam drukt zich nu volledig uit en af in de muffe kamerlucht. de walm is onuitstaanbaar: verschaalde lust en weemoed, zweet en drek en dan de onvermijdelijke maalstroom van verdriet, de alsem van de pijn, de lijkgeur van de nietigheid.

o nacht: ik voel de Zon al razen, ruik het solfer van Zijn dageraad.


29/01/2019

vrije lyriek. ik ken dat niet. of dat dacht ik toch, want kijk, daar komt mijn kooi al aangedraven, op hoge poten, en in galop, klaar om te springen, over mij, over me heen.loop, roepen m’n benen, te laat, te zwaar geladen, ten aan-nee-val. spartelen ja, ik speel niet mee. ik heb mijn eigen taal, kijk, zie mij! ik besta. ik sta. ik zit. ik bezit. bezeten dus. mogen dergelijke flauwe grapjes wel in de lyriek, ik weet t niet.

torso, dat woord zocht ik, of nee, korset, ik wil het werpen van me af. maar kijk, toch, in wat voor vreemde bochten ik me daarvoor wring. pijn ? nee, dat doet het niet. het streelt, het schuurt, de harde kanten ervan af. zoals een hoek.en dan, aangekondigd onverwacht, de doodsteek, los door alles door, een spies, haken, en ik aan deze kooi vast.

nee hier kom ik niet meer binnen, ik vind mijn woorden niet, waar had ik die ook alweer gelegd. ik ging t nooit meer vergeten. ik dwaal, ik faal, ik vergeet.dat is niet wat ik wou zeggen, woorden, ga niet zo met mij aan de haal. laat me los. ik schud me misselijk, hen van me af. huid vliegt mee. ik zie een lever nu. er ligt niet veel meer op, erg naakt.

ik val stil. ik val. stil. dat lijkt eenvoudig, maar dat is het niet. ja dat kan ik ook, zei iemand niet luidop.

(eigenlijk ben ik heel erg boos, er stond een r teveel, en dialect, het was niet perfect. ik rebelleer.)


30/01/2019

jij dwingt, ik roep, je hoort me niet.
je begeert me, je negeert me, je beheert me, alsof ik een machine ben.
je hebt gelijk. zie daar, nu goed. is t dat dan wat je wil.

je staat stokstijf, en stil, ik beweeg je niet. niets dat nog verroert aan jou, je graaft stiekem gangen, diep, dat kan je nog, dat wel.
onmacht ja, in duizend stukken, vol gif, uit ontroerde bodem opgedolven.
je sleurt, herhaalt, de trappen op, naar je kamer.
ja zonder eten nu naar bed.

ik sta aan de oever, ik vraag je, is dit een veldbloempje, of een bosbloempje, hoe heet het, ik vind het mooi.
bloemen bestaan niet, zeg je nors. en beweert dan dat ik ermee je gezicht in smijt.
je bent weg, je wijkt, je duikt de modder in. je herhaalt.
ik duik niet mee, ik kijk naar bloempjes.
en oh kijk, daar een regenboog. ook toevallig.
somewhere over the rainbow, ooit, wie weet.




voor ze het goed en wel besefte lag ze gebonden en gekneveld op het bed. kamer 14, een banale zolderkamer met veluxramen en ikeabrol. het deed mij denken aan mijn slaapkamer vroeger waar ik mijzelf bevredigde bij de boekjes die ik van mijn vader had gejat.

hoe ik haar zover gekregen had? Anke, je kent me, het was een lachertje. de ouwe seut dacht dat ik gek was van haar, dat ik een muze in haar zag, dat ze jou kon vervangen. hahaha. ik zou foto’s van haar nemen, zogezegd om dat afzichtelijke lijf van haar te tekenen. ze had al wat doorgestuurd, aja, je weet hoe ze zijn, die facebookjunks, nacht na nacht eenzaam in dat veel te grote bed. handen tenen armen schouders en ho zie daar een stukje tepel zelfs, ‘per ongeluk’. pffft. om te gieren. maar goed, ze zou dus komen. ja natuurlijk betaalt zij het hotel, wat dacht je…

op de trap begon ze heel nerveus te giechelen. ik werd bijna misselijk van haar uitbrekende zweet: de geur van vette runderen in een veel te nauwe stal. kijk haar ogen gaan! duidelijk te veel scandicrimi gekeken. ik geef haar een flinke smak op haar teut. tot zover de oscarambities.

daar ligt ze nu te kronkelen. het woord is ‘beteuterd’ geloof ik, hihi. ik heb enkel haar gele t-shirt aangelaten. ik schrok eerst wel van al dat schaamhaar. dat zie je niet vaak meer. je hoort soms dat een bos pas weelde kent als er enkele malen een fikse brand heeft door geraast: ziedaar een wildgroei na een waar inferno. het heeft wel iets, ik word er zowaar geil van.

maar wat ’n brak moeras, wat ’n stank.
’s voelen. dacht ik het niet, het geil zeikt er al uit. ik roep soraya nu, ze mag beginnen. haar ranke naakte lijf schrijdt als een amazone door de duffe kamer. om te treiteren, dat had ik haar gevraagd, steekt ze eerst een vinger, dan een hand in het moeras, om dan ’s goed met volle vuist te draaien. hmmm.

bueno, zeg ik met wat aandrang, now come to daddy . stel je voor, seffens komt het nog. ze veegt lonkend naar mij haar hand af aan de bedsprei en stapt op mij af, haar werk staat klaar. ze doet het goed, haar ogen glinsteren.

nog even Anke, en ik zie jou weer.


31/01/2019

ik heb me laten vangen, ik was naïef. dat wist ik nochtans. heb ik dit zelf gewild, dan?
ik lig op m’n buik, ik proef bloed, ik voel niet aan die tand minder (dat had ik niet zo verwacht), ik zoek zicht, lucht.
wat een intense strijd. ik wil dit niet, ik wil naar huis, ik wil dat alles weer wordt zoals het vroeger was, nooit meer mogelijk.

ja wat zijn mijn mogelijkheden nog, erg beperkt. weerstand bieden of niet.
dat is t voordeel van zo gebonden te zijn. vrijheid. ik moet niets, tenzij dat wat Hij me zegt.

ik vroeg n zak over zn hoofd, zodat ik zou kunnen denken dat Hij t is. maar denken lukt nauwelijks nog, de slangen gieren door mn lijf, ze vreten me hol, en open.

ja neem mij, serieus, ik ben t wachten beu. ik zie je niet zitten, zie u daar nu zitten, alsof je controle hebt. alsof ik niet weet hoe je nachten door doolt.
ik zoek bevrijding ja, van verlangen, van gebrek, ik besef nu pas dat dat niet hetzelfde is. erger nog, ik vind t hier.

ik geef me over, ik ben moe. ik kan niet meer. ik lig met wang in nat koud zout, al mijn lippen koud nu, en droog, en tocht.
het wordt ochtend, een schemering. ik wil me wassen, n douche ja, nee niet in bad. niets zo koud en kil dan de lucht net na een bad.




wees niet zo lief voor me, dat is verdacht.
ik heb mezelf al zo vaak verkeerd vertrouwd.
ga weg, ik mis je, ik wil je slaan.

meer heb ik niet te zeggen.
of toch, een danku (dat je bleef), een sorry (voor de pijn),
kreeg ik er als een achterstevoren monster uit gebeiteld, uit die dichte keel van me.
ja ik blijf bang, demonen weet je, they hunt me, haunt me. vergif, vergeven.

het orkest zwelt aan, het trekt ten aanval,
de knieval.
nee ik vraag je geen vergiffenis.
het is wat het is, of ok, wat het kan of mag zijn.
zoals liefde, bah.
zoals gemis liever niet steen is.
laat me (niet alleen).