Het leven is vluchtig!?          

De vliegramp met de MH17 lijkt, drie jaar na dato, alweer uit het geheugen van de Nederlanders verdwenen te zijn. Ook kunnen mensen zich maar weinig herinneren van bijvoorbeeld de woede om de bonussen van de bankiers of het extra geld dat naar Griekenland is gegaan. Dit blijkt uit een onderzoek van het SCP. De tijd gaat razendsnel en wist herinneringen snel uit. Met verschillende mensen heb ik dat gevoel ook gedeeld de afgelopen dagen. Hoe komt dat toch? Die tijd die voortraast met ontstellende vaart… Natuurlijk komt dit door de sociale media. We worden elke dag gebombardeerd met talloze nieuwsfeiten. Maar er is ook een veel diepere reden voor dit gevoel. En daar gaan we over lezen in Psalm 90. Een typische Oude Jaars psalm.

Deze psalm geschreven door Mozes en daarmee één van de oudste psalmen. Voor wie twijfelt of deze psalm wel van Mozes kan zijn, moet maar eens wat gaan lezen in Deut. 31 en 32. Deze psalm opent het vierde psalmenboek. Zoals je misschien weet zijn er vijf psalmboeken (1-41; 42-72; 73-89; 90-106; 107-150). In de Joodse overleveringen worden deze boeken verbonden met de vijf boeken van Mozes. Dit vierde boek zou dus verbonden worden met Numeri. Het boek dat gaat over de woestijnreizen. Hoe passend is het dat dus dit boek wordt geopend met een psalm van Mozes.

Laten we de psalm gaan lezen.

Je kunt de psalm als volgt indelen: inleiding: God als eeuwige toevlucht (1 en 2). De vergankelijke mens (3-6). De reden voor die vergankelijkheid (7-10). Pas op de plaats (11). Gebed (12-17). Laten we er zo doorheen lopen.

Eerst begint de psalm met de eeuwige God. Schepper van alles wat er leeft. Om die eeuwigheid te accentueren, te benadrukken noemt Mozes de bergen en de aarde. Twee voor ons besef onwankelbare grootheden. De Himalaya, bijna 9 km hoog. Onwankelbaar, maar God heeft dit massief geboren laten worden met zijn machtige hand. De aarde, het heelal, de moleculen, atomen: God was er altijd en al die andere zaken zijn geschapen door Hem. God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. De rest is van een bepaald moment en zal op een gegeven moment verdwijnen.

Tegenover die eeuwige God staat de mens (vers 3-6). Hij wordt sterveling genoemd. Een woord dat wij in onze tijd niet meer zouden gebruiken, want dat herinnert ons te veel aan wie we zijn: mensen die zullen sterven. Meer dan ooit leven we in een tijd waarin we op zoek zijn naar het eeuwige leven. We bereiden ons niet voor op het sterven, maar blijven dokteren, door, door, door! Op zich begrijpelijk, maar we ontvluchten datgene wat onvermijdelijk is. Onze dagen zijn kort. We zullen tot stof weerkeren, terwijl er op Gods klok nog maar een paar seconden zijn verstreken. Gods klok werkt zo heel anders: voor hem is duizend jaar als één dag. Onze jaren 70, 80, 90, 100, zelfs enkelen 110 of 120…. Het zijn seconden op Gods tijdklok. Zo voorbij. Mozes vergelijkt het met een nachtwake, een paar uurtjes (vers 4), als iets wat weggespoeld wordt met water, uitwasbaar (vers 5), met de slaap (5), met gras dat opkomt in de morgen. Vooral in woestijngebieden met die intense hitte. Als er dan eventjes regen valt, dan schiet het op, het bloeit meteen, maar het is ook zo weer voorbij. Wordt het afgesneden door de mens of door de verzengende woestijnwind, het verdort zo weer (5, 6). Zo is de mens.

Dus dat gevoel dat we hebben is al heel oud: het leven is zo voorbij. Het is niets nieuws dat we het gevoel hebben dat het voortraast. Onze tijd op aarde is kort. En dat wordt al sinds lange tijden zo ervaren. Ik vind het fijn dat God dit gewoon erkent en ons niet opjut zoals de wereld om ons heen om dit te ontkennen en het te ontvluchten. Laten we dit maar gewoon erkennen….

Wat we nu gaan lezen kan schokkend zijn voor onze tere zielen. Mozes geeft ons een reden waarom we zo kort leven, waarom het zo maar voor bij is. We lezen het in vers 7: Let op het woordje ‘want’. Dit geeft een reden aan. We leven maar kort en het is zo voorbij, want wij vergaan door Uw toorn. En in vers 9 nogmaals: want al onze dagen gaan voorbij door Uw verbolgenheid. Dat had je wellicht niet gedacht…. Praten over Gods toorn, zijn verbolgenheid (boosheid), zijn grimmigheid (7). Dat zijn zaken voor de ger. gem…. Daar hebben veel mensen een allergie voor. Toch staat het er en dus moeten we er iets mee. Hoe moeten we dit begrijpen? Ik zie drie manieren waarop we Gods toorn in deze tekst kunnen begrijpen.

Ten eerste: de letterlijke toepassing voor toen: Mozes trok met zijn volk door de woestijn nadat ze uit Egypte waren getrokken onder Gods machtige hand. Maar het volk vond het moeilijk om God te vertrouwen en telkens opnieuw gingen ze hun eigen wegen. Als God hen wil leiden naar het beloofde land, willen ze niet, want ze horen over reuzen en metershoge stadsmuren die niet te veroveren zijn. God straft het volk door te zweren dat niemand boven de 18 jaar het beloofde land zal bereiken. Dat is de eerste toepassing: Gods straf op het ongeloof van het volk ten tijde van Mozes.

Maar er is ook iets diepers: deze straf staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een eerdere straf van God op de hele mensheid, de hele wereld. De grimmigheid, de woede van God is begonnen toen Adam en Eva besloten om te doen wat zij wilden en God negeerden. God straft de mens door hen de toegang tot de levensboom te ontzeggen. Ze zullen sterfelijk worden…. Die straf duurt nu nog voort en alle mensen hebben er onder te lijden.

En als laatste is er voor elk mens de vraag: Is het lijden in mijn leven te wijten aan mijn eigen zonden? Mensen die willens en wetens blijven zondigen, kunnen rekenen op Gods straf in hun leven. Mensen die een levensstijl leiden van onmatigheid, overdaad, verslaving en oneerlijkheid zullen merken dat God hun levens bekorten kan. Zoals vers 10 het aan het eind zegt: het meeste is moeite en verdriet….

Na deze vernietigende woorden, even een pas op de plaats. Ons korte leven en Gods toorn…. Vers 11 en 12: twee vragen: wie kent de kracht van Uw toorn? Wie weet hoezeer U te vrezen bent? Twee eerlijke, belangrijke vragen. Het antwoord is natuurlijk ‘niemand’. Niemand kan de diepte van Gods toorn bevatten. God die straft is niet te verteren voor onze cultuur. De hel is voor ons een onbegrijpelijke plek. Wij zijn zo gewend geraakt aan onze waarde, ieder mens is geliefd, waardevol, dat we niet meer uit de voeten kunnen met dit soort gedachten. Maar het moet, lieve mensen! We moeten ook dit overdenken en proberen in te passen in ons Godsbeeld, wereldbeeld. Er dient ontzag te zijn voor God! Er zullen mensen zijn die afhaken bij dit verhaal. Zij willen God niet zo kennen, maar Hem vooral zien als de liefdevolle knuffelbeer…. Maar het is belangrijk om deze vragen te stellen: heb ik werkelijk ontzag voor de Heer? Besef ik dat ik zonder Hem verloren ga, omdat Zijn toorn op mijn leven is? Heb ik ontzag voor de heilige God?  

Als je dit beseft, doe dan als Mozes: Ga bidden! Zijn gebed begint met de vraag om wijs te mogen worden. Laat ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart mogen verkrijgen. Verlang ernaar om wijs te mogen zijn. Wat is wijsheid? Ik verdien niets! Elke dag telt, want het is zo voorbij, want Gods toorn is rechtvaardig. Ik leef voor een heilig God en ik verdien niets. Dat is wijsheid! Erkennen dat je niets verdient. Nederigheid. Leg je trots aan de kant, je zelfredzaamheid.

En dan zien we hoe Mozes in vers 14 iets bijzonders zegt: Verzadig ons in de morgen met Uw goedertierenheid. Dat woordje goedertierenheid wordt door de NBV met liefde vertaalt. De meest letterlijke vertaling is ‘verbondsliefde of verbondstrouw’. Mozes pleit op het verbond van God. In dat verbond heeft God gezegd: Wie zondigt zal het merken, maar wie zijn zonden erkent, ze belijd, die zal leven. Mozes pleit op het verbond van de Here God, nog maar een paar jaren geleden gesloten op de berg Horeb…. Daar mag ook ons gebed beginnen: Heer, ik erken mijn zonden, mijn tekortkomingen. Ik sta machteloos tegenover Uw heiligheid. Ik verdien de dood, maar Heer, ik roep U aan en pleit op Uw eigen belofte: Wie de naam van de Heere aanroept, zal gered worden. Vergeef mij, o God op grond van Uw verbond met ons gesloten! God zij dank voor Jezus Christus die een nog beter verbond aanbied aan ieder die gelooft.

De toekomst die er zo slecht uit zag als je de eerste 11 verzen van deze psalm leest, opent zich ineens met volheid van leven. Het leven krijgt weer kleur en de vloek van God wordt omgekeerd in zegen, volle zegen. Vreugde, juichen (14), vloek omgekeerd in zegen (15)! Wie leeft met het besef van vergeving van een heilig God, die leeft pas echt en zal het volle leven ervaren. En dat volle leven wordt door een belangrijk ding gekenmerkt. Kijk in vers 16: Laat Uw werk aan Uw dienaren gezien worden, Uw glorie over hun kinderen. Het kenmerk van iemand die beseft dat hij afhankelijk is van Gods genade is: God komt in het centrum te staan. Het leven draait niet meer om jezelf, maar om God. Zijn glorie is waar je naar verlangt. Hij moet zichtbaar worden! Je leeft niet meer voor jezelf, maar voor Hem alleen. Zijn liefelijkheid bedekt je, omstraalt je (17). En dan mag je leven! En werken voor Hem. En dan mag je onbeschaamd bidden: Heer, bevestig het werk van onze handen, ook in 2018. Als we leven voor Hem, dan zal Hij ons zegenen en mogen we tot zegen zijn voor de wereld om ons heen. En de Heer belooft ons: Al onze inspanningen zullen niet tevergeefs zijn als ze gedaan zijn voor de Heer (1 Kor. 15:57)!

Zo sluiten we het jaar 2017 af: Erken je eindigheid, vanwege de zonde en Gods toorn door de dood. Kniel en erken: Heer, ik kan het niet alleen. Ik sta machteloos en verdien de dood, maar ik pleit op Jezus Christus en Zijn offer. En dan mag je leven, leven in volheid van vreugde. Ga zo 2018 in en leef!