Published using Google Docs
Verwijswoorden
Updated automatically every 5 minutes

Verwijswoorden

Alle verwijswoorden op een rij.

Verwijswoorden naar personen

ik, jij, jou, hij, zijn, zij, haar, u, uw, wij, ons, jullie, het, zij (meervoud), hen, hun, mij, mijn, me, hem, haar, ons, jouw

Verwijswoorden naar zaken en voorwerpen

die, deze, dat, dit, wat, wie

Verwijswoorden naar gebeurtenissen en locaties

hier, daar, toen

Enkelvoud/ meervoud

Zet ‘een’ voor het woord. Kan het? Enkelvoud.

Kan het niet? Meervoud.

Die of dat?

‘het’ als lidwoord, verwijs je door met dat.

‘de’ als lidwoord, verwijs je door met die.

Dat of wat?

dat gebruik je bij verwijzingen naar een zelfstandig naamwoord met het lidwoord het.

wat gebruik je in de volgende situaties:

  • verwijzen naar iets, niets, dat, datgene, alles
  • verwijzen naar een hele zin
  • als het na een voorzetsel staat
  • als het verwijswoord volgt op een overtreffende trap, zoals: mooiste, liefste, gekste – tenzij er achter de overtreffende trap een zelfstandig naamwoord komt, dan gebruik je dat of die

Oefenen met verwijswoorden? Open een website, zoek een nieuwsbericht, pak een recept of een andere tekst en omcirkel zoveel mogelijk verwijswoorden.

Voor meer informatie: https://www.begrijpendlezenoefenen.nl