Alle verwijswoorden op een rij.
Verwijswoorden naar personen ik, jij, jou, hij, zijn, zij, haar, u, uw, wij, ons, jullie, het, zij (meervoud), hen, hun, mij, mijn, me, hem, haar, ons, jouw | |
Verwijswoorden naar zaken en voorwerpen die, deze, dat, dit, wat, wie | |
Verwijswoorden naar gebeurtenissen en locaties hier, daar, toen | |
Enkelvoud/ meervoud Zet ‘een’ voor het woord. Kan het? Enkelvoud. Kan het niet? Meervoud. | Die of dat? ‘het’ als lidwoord, verwijs je door met dat. ‘de’ als lidwoord, verwijs je door met die. |
Dat of wat? dat gebruik je bij verwijzingen naar een zelfstandig naamwoord met het lidwoord het. wat gebruik je in de volgende situaties:
| |
Oefenen met verwijswoorden? Open een website, zoek een nieuwsbericht, pak een recept of een andere tekst en omcirkel zoveel mogelijk verwijswoorden.
Voor meer informatie: https://www.begrijpendlezenoefenen.nl