Van Galaxies en Graphics

Seth Shostak

Voordracht ter gelegenheid van de aanvaarding van de Wubbo Ockels Prijs 9 september 1988, Groningen

ONDER EMBARGO tot het moment van uitspreken VRIJDAG 9 SEPTEMBER 1988, 15.00 UUR

Inleiding

Meneer de voorzitter, leden van de stichting, geachte aanwezigen:

Net als mijn geachte collega, dr. Kok, ben ook ik gevraagd enkele woorden te spreken betreffende het werk dat geleid heeft tot de eer die u mij vanavond betuigt. Wel, het zullen niet slechts enkele woorden zijn. Eerder ongeveer vijftig miljoen - tenminste wanneer, zoals zo vaak gezegd wordt, "één afbeelding meer waard is dan duizend woorden" - want ik ben van plan een aantal dia's en videos te laten zien om precies te illustreren waar ik het over heb!

Computeranimatie. Velen zullen misschien denken dat deze term verwijst naar het gebruik van computers om mensen weer aan het ademen te krijgen. Nee, dat is computer re-animatie. In werkelijkheid is de meeste computeranimatie bedoeld om mensen de adem te benemen. U ziet het elke avond op tv: wervelende logo's, sexy omroepaankondigingen, verleidelijke high-tech reclame - dat is de geldverslindende computeranimatie die uw huiskamer binnendringt en het tempo aangeeft van de technische vooruitgang van het medium.

Maar sexy of niet, computeranimatie is niets meer of minder dan het gebruik van computers om bewegende beelden te maken. Dat klinkt makkelijk, en soms is het dat ook. Maar meestal is het nogal moeilijk: een complex mengsel van natuurkunde, toegepaste wiskunde, computerwetenschap, videotechniek en kunst. Het is een nieuwe technologie: nauwelijks tien jaar oud. En net als de meeste andere nieuwe technologieën verandert het zeer snel: de computeranimatiefilms die vorig jaar bekroond werden lijken simpel, en soms zelfs primitief, in de ogen van het verwende publiek van vandaag. De technologie is allesbehalve stabiel, en dat geldt vaak ook voor de bedrijven die proberen er geld mee te verdienen.

Astronomisch zijpaadje

Maar misschien mag ik wat uitweiden over een stukje geschiedenis? Ik kwam namelijk bijna 13 jaar geleden naar Groningen (lang voordat computeranimatie bestond) om astronomie te bedrijven aan het Kapteyn Instituut. Het Instituut bood me een tweejarige aanstelling, en ik verheugde me op het gebruik van wat toen een fantastische nieuwe telescoop was, die van Westerbork. Tussen haakjes, ik dacht niet dat ik langer dan twee jaar zou blüven. Ten eerste had Groningen een vreemde geur (ik besefte niet dat mijn appartement onder de rook lag van de suikerfabriek). Ten tweede, hoe kon een volbloed Amerikaan zoals ik ooit hopen iets anders te zijn dan een vreemdeling in dit vreemde land? Wel, ik bleef twaalf jaar. Ik leerde de geur te waarderen en van Groningen te houden.

Dit is een foto van een melkwegstelsel, een typisch voorbeeld van de stelsels die we bestudeerden aan het Kapteyn Instituut. Toen ik voor het eerst op het lab kwam waren de meeste astronomen daar druk bezig met het terugdringen van de grenzen van de wetenschap, met behulp van de Westerbork radiotelescoop. De grootste in zijn soort ter wereld, die elke dag twee nieuwe "radioplaatjes" maakt, meestal van nevels binnen en buiten de Melkweg.

Maar er zijn slechts weinig astronomen met "radio-ogen", dus de beelden uit Westerbork werden meestal bekeken op computerschermen in het mooie Paddepoel, twee kilometer ten noorden van de Grote Markt van Groningen. De hele wereld stuurde haar beste astronomen naar de afgelegen, donkere uithoeken van het universitaire Rekencentrum om bijeen te kruipen bij een beeldscherm en te proberen de struktuur en de geschiedenis van het heelal te ontrafelen.

Ik mag daaraan toevoegen dat zij bijeenkropen bij het beste beeldverwerkingssysteem voor radio-astronomie voorhanden - dankzij de vooruitziende blik en de inspanningen van de verstandige staf van het Instituut. Het werd en wordt GIPSY genoemd, het Groningen Image Processing SYstem. Daar ik een van de astromen was die GIPSY gebruikte was ik ook in de gelegenheid een behoorlijke hoeveelheid software ervoor te schrijven. We namen de "radioplaatjes" uit Westerbork en zetten ze niet alleen op een scherm: we gaven ze een hoger contrast en pseudo-kleuren, filterden ruis weg, verwijderden invloeden van instrumenten, en nog veel meer. Zoals iedere wetenschapper u kan vertellen zijn de interesantste dingen om te observeren de dingen die nog maar net zichtbaar zijn. Met behulp van beeldverwerking probeerden we het nauwelijks zichtbare duidelijk zichtbaar te maken.

Filmisch zijpaadje

Ik heb echter nagelaten u te vervelen met een ander aspect van mijn leven: het maken van films. Ik maak nu 34 jaar films, de meeste zogenaamde studentenkomedies, af en toe een populair-wetenschappelijke film. Ongeveer vijf jaar geleden was ik samen met een andere 'Groningse' Amerikaan, Frank Heynick, bezig met het maken van de trucagegedeelten voor de TELEAC-cursus "Moderne Sterrenkunde". We deden dat in het weekend, in mijn kelder, met behulp van filmtechnieken.

Tegen het einde van de cursus werd er besloten om een extra programma te maken over het uitdijen van het heelal. Maar hoe laat je een uitdijend heelal zien? TELEAC liet een filmpje maken door de NOS, maar het resultaat was onbevredigend. Chriet Titulaer deed TELEAC toen een suggestie aan de hand: "Bel Shostak in Groningen eens op; die bedenkt wel iets goedkoops." Wel, Chriet had gelijk. Ik besloot het GIPSY systeem te gebruiken. In ongeveer een half uur had ik een simpel (om eerlijk te zijn: zeer simpel) programma geschreven om een uitdijend 'heelal' op het kleurenscherm van GIPSY zichtbaar te maken. Ik zette mijn filmcamera op een statief voor het scherm, en elke minuut berekende en fotografeerde ik een beeldje. Na twee slapeloze nachten hadden we ongeveer dertig seconden animatie.

De resultaten waren verrassend goed. Ik was onder de indruk. Mijn toekomstige zakenpartner, de astronoom Bart Wevers, was ook onder de indruk. De pasopgerichte Stichting Science Park was onder de indruk.

En voordat iemand het wist waren we in computeranimatiezaken.

De technologie

In de grond is computergraphics niets anders dan het verbinden van een snelle computer met een tv-scherm. Ieder beeldelement, of pixel, van het scherm kan afzonderlijk worden gewijzigd door de computer - in helderheid of kleur. Door op een intelligente manier de waarden voor alle pixels van het scherm te kiezen kun je elk plaatje maken dat je maar wilt.

Natuurlijk kan dat een tijdje duren, zelfs voor een computer groot genoeg voor universitair gebruik. Bij DIGIMA maken we gewoonlijk beelden van 576 bij 768 pixels, of ongeveer een miljoen pixels wanneer de kleur erbij betrokken is. Ik heb de "uitdijend heelal" animatie reeds genoemd, waarbij het berekenen van elk beeldje ongeveer een minuut kostte. Een recente DIGIMA animatie, de wereldhandelscentrumleader van de TROS, met duizenden kleine raampjes, wat wolken, en heel veel reflecties, kostte ongeveer 15 minuten per beeldje - op een computer die tien keer zo snel is als die gebruikt voor de "uitdijend heelal" animatie!

Toch is het procédé eenvoudig: het maken van bewegende beelden uit stilstaande, met 25 beeldjes per seconde actie. Het is animatie precies zoals Disney het doet: beeldje voor beeldje. Echter, de computer doet het tekenwerk.

Maar is dat wel zo? Eigenlijk kunnen computers helemaal niet tekenen. Maar ze zijn goed in het opvolgen van commando's. Als je de realiteit mathematisch kunt beschrijven aan een computer dan zal hij die gehoorzaam voor jou op een beeldscherm zetten. Maar hoe beschrijf je de realiteit?

Polygonen kunnen alles voorstellen

Toen we begonnen met het maken van computerbeelden gebruikten we allemaal foute technieken. Dat was geen kwestie van perversiteit; het was een kwestie van onwetendheid. Hoewel we dat niet wisten kwam onze techniek voor het beschrijven van de realiteit neer op 'straaltracering': we trokken theoretisch een lijn van de oogbal van de kijker door het videoscherm, en keken of hij iets 'raakte'. Zo ja, dan zetten we een pixel aan. Fundamenteel beschouwd leek het op een poging een kamer af te beelden door in alle richtingen kogels af te schieten en te luisteren naar de afgeketste schoten.

Maar in 1984 was ik toevallig op een conferentie over computeranimatie in Londen en daar kwam ik te weten dat wij niet de enigen waren die films probeerden te maken met megabytes. Een Amerikaanse natuurkundige gaf me daar voorlichting over de bloemetjes en de bijtjes van computergraphics: straaltracering was fout. Polygonen waren goed. Ik ging terug naar Groningen en vertelde het aan mijn jongens. Twee weken later waren we een compleet nieuw systeem aan het ontwerpen.

Polygonen, voor degenen onder u die het woord misschien verwarren met bioscoopjournaals, zijn simpelweg kleine platte 'platen' met rechte zijden. Een driehoek en een vierkant zijn polygonen. En ook een pentagoon, een hexagoon en een 256-zijden-goon. En het leuke van polygonen is dat je er alles mee kunt maken: dozen, logo's, het Wereldhandelscentrum, of zelfs een mensengezicht. Toegegeven, in sommige gevallen vergt dat zeer veel polygonen, maar het punt is dat polygonen veel voordelen hebben vanuit computer-oogpunt. De rechte zijden projecteren altijd naar rechte zijden op het scherm. Het afdekken van een polygoon door een ander is vrij makkelijk te berekenen. De manier waarop licht gereflecteerd wordt door een polygoon is ook ongecompliceerd. Negentig procent van alle commerciele computeranimatie wordt gemaakt met behulp van polygonen, en nu weet u waarom.

Een voorbeeld uit de realiteit

Hoe maken we objecten uit polygonen? De technieken zijn waarschijnlijk het beste duidelijk te maken met een voorbeeld. In dit geval zal ik kort een echte DIGIMA order van eind 1987 bespreken: de leader voor de video die Martinair tijdens haar vluchten vertoont.

De klant voor deze leader, de Amsterdamse producent Hans Perukel, gaf ons de vrije hand voor het ontwerp en de uitvoering. Ons originele 'storyboard', of visueel script, bestond uit een Boeing 747 die van achter de oren van de kijker het beeld invloog, dan rondvloog tussen een aantal door wolken bedekte blokken, en vervolgens opsteeg om zo te onthullen dat de blokken het Martinair-logo vormen. Het idee stond Perukel aan, maar hij merkte op: "Je mag niet naar het staartstuk van een vliegtuig kijken, en vliegtuigen moeten altijd stijgen!" We veranderden het storyboard dienovereenkomstig, hoewel we er niet helemaal zeker van waren wat er nou zo immoreel was aan het achtereind van een vliegtuig.

Het construeren van het logo was makkelijk: we gebruikten een beetje mathematische "extrusie" om drie platte polygonen te veranderen in massieve blokken - blokken die erg veel lijken op de beroemde Nederlandse chocoladeletters.

Het was moeilijker om de 747 te construeren. De vleugels, het staartstuk en de motoren verschilden conceptueel gezien niet van chocoladeletters, hoewel ze gemaakt moesten worden met behulp van een "variabele extruder". Nee, het probleem zat hem in de romp.

Na diverse valse starts stuurde Martinair ons een klein plastic model om ons vooruit te helpen. We probeerden zonder succes de afmetingen van het model met de hand te meten, maar uiteindelijk hebben we het als een worst in plakjes gesneden, en met behulp van een stempelkussen de dwarsdoorsneden op grafiekpapier gestempeld. we transformeerden de dwarsdoorsneden tot polygonen en schreven toen een simpel programma om deze polygonen te verbinden, met behulp van nog meer polygonen.

De uiteindelijke Boeing, waarin ongeveer twee nachten werk zat, bestond uit ongeveer 800 polygonen. Ik hoef nauwelijks op te merken dat zodra we hem op het scherm hadden we hem van achteren bekeken.

Degenen onder u die niet recentelijk met Martinair gevlogen hebben kunnen de Boeing trouwens nog steeds zien. We waren zo gecharmeerd van deze constructie dat we hem in de achtergrond van de TROS leader gebruikt hebben waar u, als u goed oplet, hem kunt zien opstijgen naar een bewolkte, Amsterdamse hemel.

Voortdurende uitdagingen

DIGIMA onderscheidt zich binnen de groeiende markt voor computer-beeldverwerking door zijn expertise. De mensen van DIGIMA hebben al hun eigen software geschreven en kennen de technologie door en door. Dankzij een geweldig goede relatie met de Kunstacademie Minerva is onze ontwerpexpertise ook behoorlijk groot geworden.

Deze voordelen - en uiteindelijk werden ze als zodanig ook door de markt onderkend - waren noodzakelijk omdat DIGIMA moest werken onder behoorlijk nadelige omstandigheden. We gebruikten de VAX 8600 van de universiteit, een krachtige machine, maar we hadden slechts drie avonden per week toegang - vanaf tien uur 's avonds. We konden ons geen eigen videoapparatuur permitteren, en moesten naar Noord-Holland rijden om animaties vast te leggen bij de firma CAT Benelux. En tenslotte was er vrij veel tijd voor nodig om de mensen in 't Gooi te overtuigen dat ze naar het verre Wilde Noorden moesten komen om een produkt te kopen dat andere bedrijven hen aanboden aan de overkant van de straat in Hilversum.

Dus de jongens van DIGIMA bleven proberen zich te onderscheiden door het maken van een superieur produkt. In feite werkte die expertise soms in ons nadeel: als klanten een echt moeilijk probleem opgelost wilden hebben, dan belden ze Groningen.

Ik hoef u niet te vertellen dat je meer geld verdient met het oplossen van de makkelijke problemen!

Terugkijkend waren sommige van de interessante uitdagingen die we in een paar dagen of minder moesten oplossen onder andere: kristallen bollen met lichtbreking, reflectie van metalen, het beperken van het stroboscoopeffect door snel bewegende objecten, wolken, en water. Om ze op de 'goede' manier te doen - dat wil zeggen volkomen in overeenstemming met de natuurkunde - zou bijna onmogelijk zijn geweest. Maar ze op een 'foute' manier doen kostte maar een paar dagen. En het leuke van computergraphics is dat het niet 'goed' hoeft te zijn: het moet er alleen goed uitzien!

De toekomst

Zoals u weet ben ik uit Groningen weggegaan. Maar DIGIMA gaat door. En hetzelfde geldt overal voor hoogwaardige computer-animatie. Zoals ik al gezegd heb is het een nieuwe technologie, en we zijn nog maar net begonnen met het exploreren van de toepassingen. Die gaan natuurlijk veel verder dan leaders en logo's voor t.v., Medisch illustratiemateriaal, instructies, real-time simulaties voor elk soort training, simulaties voor architectuur, transport en zelfs ruimtestations, en mijn favoriet: een interactief programma waarbij je een joystick en meervoudige videoschermen gebruikt om een willekeurige wandeling te maken door het oude Rome, met muziek uit "Ben Hur" op de achtergrond.

Op het ogenblik heeft Groningen niet alleen DIGIMA maar is er ook een ander project gestart in samenwerking met Miverva en de Rijkshogeschool: SCAN, de Stichting Computer Animatie. Door het SCAN-project, dat gesteund wordt door overheid en industrie, zal Groningen een nationaal 'center of excellence' worden op het gebied van zowel onderwijs als onderzoek in de techniek van de computerbeeldverwerking.

Maar we hebben ontegenzeggelijk meer dan de geboorte van een nieuwe technologie meegemaakt: het is een nieuwe wetenschap. De meeste grote Amerikaanse universiteiten hebben computergraphics ingesteld als aparte discipline. De plaatjes die we vandaag maken, net als de bioscoopjes van rond de eeuwwisseling, geven maar een vage indruk van wat er nog komen gaat.

Slotwoord

Ik wil besluiten met een paar opmerkingen van meer persoonlijke aard. Isaac Newton heeft, toen hij sprak over zijn natuurkundig werk, opgemerkt: "Als ik verder gezien heb dan anderen, dan is dat omdat ik op de schouders van reuzen heb gestaan."

Natuurlijk wil ik datgene wat ik hier besproken heb niet vergelijken met het fundamentele onderzoek van Newton. Ik wil daarentegen de nadruk leggen op de onschatbare, de essentiële steun die ik heb gehad bij het uitvoeren van dit werk. Newton was misschien te bescheiden, maar dat is een houding die ik onmogelijk zou kunnen overnemen: velen hebben hun talent, hun tijd en hun enthousiasme gestopt in dit project. Bart Wevers en Ronald Kiel, die letterlijk dag en nacht gewerkt hebben om software te schrijven die beelden op het scherm kon zetten; Herman Passen en Martijn Hage, de kunstzinnige jongens die ervoor zorgden dat die beelden het aanzien waard waren; Paul Battem, die bij de Toonder studio's wegging om naar Groningen te komen en ons te laten zien hoe je werkelijk animaties maakt; Thijs Chanowski, die ons welwillend toestond zijn video-apparatuur te gebruiken; Science Park en de NOM, wier financiële ondersteuning ervoor zorgde dat het project überhaupt kon beginnen; de staf van het universitaire Rekencentrum, en natuurlijk het Kapteyn Instituut, dat ons onderdak verleende en ons dag na dag ondersteunde ... Ik mag dan veel lawaai gemaakt hebben, maar deze mensen deden het echte werk.

En in een meeromvattende, maar zeer reële zin zou het project dat hier geeerd wordt nooit ondernomen zijn als er niet de ambiance geweest was die het mogelijk heeft gemaakt: Groningen, en de (mag ik zeggen typisch) Nederlandse houding van tolerantie, interesse en bereidheid tot helpen. En ik moet aan deze lijst een andere zeer belangrijke, en zeer Nederlandse karakteristiek toevoegen: expertise, een heleboel expertise! Dat, meer dan aardgas, gloeilampen of tulpenbollen, of zelfs suikerbieten, is het meest waardevolle produkt van dit zeer uitzonderlijke land.

De aanvaarding van deze prijs behoort zeker tot de mooiste momenten in mijn leven. Ik aanvaard hem met trots en met zeer veel dankbaarheid. Ik dank u.

Uit: Het Nieuwsblad van het Noorden. Datum: 25 maart 1988. Door: Eric Bos.

De Amerikaanse astronoom en computerdeskundige Seth Shostak (44) keert terug naar de Verenigde Staten. Dertien jaar werkte en woonde hij in Groningen, deed radiosterrenkundig onderzoek en maakte educatieve films voor de televisie. Maar ook komische films voor zijn plezier. Eén daarvan werd beroemd omdat daarin de Martinitoren wordt opgeblazen.

NEDERLANDERS GELOVEN NIET IN HUMOR.

Shostak spreekt uitstekend Nederlands en zit vol Amerikaanse humor die hij te pas en te onpas in serieuze vergaderingen en lezingen rondstrooit. Daar konden ze in Nederland tot zijn verbazing nooit echt aan wennen. Op zijn bureau in het sterrenkundig instituut ligt bijvoorbeeld een bloedig afgehouwen hand van rubber, een verwijzing naar de Amerikaanse fantasyfilm. Sterren zijn voor hem meer dan gasbollen in het heelal, al woont hij aan de Zonnelaan in Groningen. Geen gesprek over film of de naam Marilyn Monroe rolt over zijn lippen. In het blad Film & TV-maker verschijnt maandelijks een column van hem. Niet over film, maar over computeranimatie en het spectrum van de kleuren-tv.

Intussen speelde Shostak een belangrijke rol bij het ontwikkelen van een afdeling computeranimatie op de kunstacademie Minerva. In het sterrenkundig instituut is zijn commerciële bedrijf DIGIMA (Digitale Images-digitale beelden) gehuisvest. Overal vandaan komen opdrachten en Shostak zit de laatste tijd vaak in Hilversum. Op het hoogtepunt van deze ontwikkelingen keert Seth Shostak echter terug naar de States. Om dezelfde redenen die hem ook naar Nederland dreven: persoonlijke omstandigheden.

Tien jaar was Seth Shostak toen zijn filmcarriêre begon. Hij was toen al gefascineerd geraakt door de science fictionfilms waar zijn ouders hem mee naartoe namen.

Een doorsnee gezin in een plaatsje bij Washington. Op zijn kamer thuis knutselde hij, net zoals de Amerikaanse regisseur Steven Spielberg dat in zijn jeugd deed, robots in elkaar en filmde met een 8 mm camera zijn eigen science fiction avonturen. Toen hij veertien jaar werd tikte hij een tweedehands 16 mm camera op de kop. Kijken door de zoeker van de camera gaf hem kennelijk hetzelfde gevoel als kijken door de zoeker van een telescoop. De meest fantastische werelden worden dan zichtbaar. Seth Shostak ging radiosterrenkunde studeren.

Na zijn studie werkte Shostak op de radiosterrenwacht in Virginia. Daarna, in 1974, nam hij een baan aan bij de spoorwegen. "Ik was daar een tijdje aan het werk, ik had problemen in mijn persoonlijke relaties, ik was daar niet zo gelukkig meer en toen werd ik gebeld door de dekaan van sterrenkunde in Groningen. Die kende ik nog uit mijn studietijd. Dat is niet zo verwonderlijk, want radiosterrenkunde is een heel klein gebied, er zijn misschien driehonderd radiosterrenkundigen ter wereld.

Dus iedereen kent iedereen. Hij vroeg me of ik naar Nederland wilde komen vanwege plannen voor onderzoek met de radiotelescoop in Westerbork. En of ik belangstelling had voor een contract van twee jaar in Groningen als wetenschappelijk medewerker. Ik dacht: nou ja, misschien is dat wel wat. Want het was gedeeltelijk een ontsnapping uit mijn vervelende toestand, maar ook om te kunnen werken met zo’n instrument en met de mensen die hier bezig zijn. Want de helft van de sterrenkundigen zijn buitenlanders, dat is nog steeds zo. Overigens werd ik twee weken later gebeld in Philadelphia door een Leidse professor zie zei: "Hé, Seth, er is een baan voor twee jaar in Dwingeloo, heb je daar belangstelling voor?" Ik zel: "Weet je, ik werd twee weken geleden gebeld uit een plaats genaamd Groningen en ik heb er min of meer ja tegen gezegd". Achteraf gezien heb ik echt geboft dat ik naar Groningen kwam. Het was een positie voor twee jaar, maar dat werd verlengd en verlengd. Ik ben hier nu dus dertien jaar geweest.

Wat die spoorwegen betreft, vanaf mijn vroegste jeugd ben ik verliefd op alles wat met spoortreinen te maken heeft. Dan komt film, en vervolgens sterrenkunde. In Nederland zijn de spoorwegen prima, de NS doen het goed. Ik voel me het meest betrokken bij dingen die het niet goed doen, zo van: daar moet verbetering in komen. In Amerika doen de spoorwegen het allesbehalve goed en het was in de tijd dat daar alles in elkaar klapte. Het is mij "by the way" niet gelukt om dat echt te verbeteren.

Toen ik bij die maatschappij ging werken was het verlies ongeveer l miljoen dollar per dag en toen ik weg ging was dat 1,2 miljoen dollar per dag (lacht). Ik had een computermodel ontwikkeld om er achter te komen waar het probleem zat. De computer heeft er denk ik wel verbetering in gebracht, want het verlies zou anders nog groter zijn geworden."

Vrijheid.

"Ik heb het hier erg naar mijn zin gehad. Je bent jong, je bent bezig met onderzoek, je hebt veel vrijheid, je hoeft geen keuzes te maken. Dat komt later. Het begon toen ik in Groningen arriveerde en zelf de weg moest vinden van het station naar het instituut. Daar werd gezegd: "Hier is je bureau en een lege boekenkast ... dat is je baan".

"GRONINGEN IS IN TOENEMENDE MATE EEN NAAM OM REKENING MEE TE HOUDEN IN HET GOOI"

De eerste drie maanden waren mijn spullen nog niet aangekomen, dus ik had helemaal niets, alleen wat kladpapier en een potlood. De omgeving was heel plezierig en het niveau van onderzoek in Groningen was in die tijd heel hoog. Ik vind het soms frappant dat de gewone man in Down Town Meppel niet weet dat er bij Westerbork zo’n belangrijk instrument staat en ook niet dat Nederland op het gebied van sterrenkundig onderzoek nummer twee in de wereld is. Als je aan sterrenkundigen waar ook ter wereld vraagt: wie is "Number One" op dat gebied, dan noemen de meesten Jan Oort uit Leiden, die is nu 88 jaar oud. Mijn promotor was de Nederlander Maarten Schmidt, die is directeur van het Mount Palomar-observatorium in Californië. En zo zijn er meer te noemen, allemaal leiders van de belangrijkste sterrenwachten in Amerika. Een van de grootste exportitems van Nederland is dan ook: sterren- kundigen (lacht). En dat is niet zo bekend in Nederland, in Amerika wel." "Wat die computeranimatie betreft ... ik heb 34 jaar lang films gemaakt, heel lange tijd als hobby. Voor mezelf maak ik altijd van die grappige films, maar daar is geen markt voor, vooral niet in Nederland. Humor, daar geloven ze hier niet in. De films waar anderen belangstelling voor hadden waren alleen wetenschappelijke films over sterrenkunde die nog steeds vertoond worden. Ik kreeg subsidie voor een film over sterrenkunde in 1976 voor de Nederlandse televisie. En later voor een Teleac-cursus sterrenkunde, vier, vijf jaar geleden. Aan het eind van de cursus wilden ze het uitd1jende heelal in beeld brengen. Ze hebben dat geprobeerd bij de NOS, maar dat lukte niet. Toen zei Chriet Titulaer: "Bel Seth Shostak in Groningen maar op, die bedenkt wel iets goedkoops". Ik probeerde dat op te nemen met de technieken die we hadden hier in de kelder in Paddepoel, maar dat lukte ook niet. Ik had echter wel veel ervaring met een beeldverwerkingssysteem waar software voor geschreven wordt.

De resultaten waren zó indrukwekkend voor mezelf - ik weet niet of dat ook zo was voor de gemiddelde kijker - dat ik dacht hier kun je meer mee doen: beelden maken met een computer.

Ik was nog heel onnozel op dat gebied. Er waren toen nog geen boeken over verschenen. Maar enkele sterrenkundigen wisten het wel, die zeiden: daar kun je rijk mee worden."

Met DIGIMA maakte Seth Shostak pas goed naam in Nederland. De omroepen bleken dermate geïnteresseerd in de computeranimatie en computer-graphics dat de opdrachten binnenvlogen en Shostak vergenoegd begon te spreken van "Groningen, Hollywood of Holland" en "Believe It or not, Groningen is gra- dually becoming a name to reckon with in Het Gooi". (Je kunt het geloven of niet, Groningen is in toenemende mate een naam om rekening mee te houden in Het Gooi.)

Clever kids.

Seth Shostak: "Kijk iedereen weet dat Groningen door de mensen in de Randstad als het einde van de wereld gezien wordt. Je kunt dus niet verwachten dat tv-producers zich in hoog tempo naar de winderige wildernis van het Noorden begeven zodra het woord "animatie" in hun hoofd opkomt. Het resultaat is, dat ik twee keer in de week naar het Westen afreis. Geen probleem, want hier in Paddepoel lopen een paar "clever young kids" rond, die je beslist niet aantreft op de Gravelandseweg in Hilversum". Zo'n Groninger DIGIMA-produktie is de nieuwe TROS-leader met dat World Trade Center van tien seconden. Shostak: "Daar hebben we een maand aan gewerkt, want we wilden al die duizenden ramen van het gebouw invoeren in de computer, want die moesten die kunstmatige wolkenlucht reflecteren. Dat werd hoofdzakelijk gedaan door enkele van mijn medewerkers, Ronald Kiel en Redmer Alma. En Herman Paassen, die op de kunstacademie van Minerva studeert, deed de achtergrond, de kleur en de belichting. De vormgeving van de deur van dat gebouw is bijvoorbeeld geïnspireerd op de ingang van V & D aan de Ebbingestraat in Groningen."

Shostaks enthousiasme voor alles wat hij onder handen heeft is bijna spreekwoordelijk te noemen. Hij straalt die vrolijk positivistische houding uit die voor ons typisch Amerikaans lijkt.

Slechte namaak.

"Ik heb wel ervaring met films, maar ik ben geen kunstenaar of vormgever. Toen dacht ik aan de kunstacademie Minerva. Ik heb contact met ze gezocht, het was wel amusant en ik weet ook eigenlijk niet waar het initiatief lag, in ieder geval is Jules van de Vijver daar docent. Die had wel belangstelling. We hebben hem toen een videoband laten zien en er was één docent die zei: Ja, maar dit is allemaal slechte namaak. Deze Nederlandse woorden waren voor mij niet bekend, maar ik ging er van uit dat het geen compliment was. In zekere zin had hij gelijk want qua vormgeving was het niet veel. Maar hij zag niet de mogelijkheden van de techniek en daar ging het immers om.

"NEDERLAND IS VRIENDELIJK EN ALLES IS ER OP MENSELIJKE MAAT."

Hij vond dat je het net zo goed of zelfs beter met potlood kon doen. En dat vond ik bijziendheid, want dat konden schilders 150 jaar geleden ook zeggen toen ze met de fotografie kennis maakten. Het was gewoon weerstand tegen onbekende technologie. Maar anderen, zoals Jules van de Vijver, waren heel enthousiast.

Die vond bovendien dat we moesten kunnen concurreren met de andere kunstacademies in het land. Die draad werd opgepikt, ik heb er een korte cursus gegeven en toen kwam het tot een voorstel aan economische zaken om hier een stichting op te richten die cursussen gaf in kennis: de stichting SCAN (Stichting Computer ANimatie), een samenwerkingsverband tussen Minerva, de Rijkshogeschool en DIGIMA. De subsidie is begin dit jaar toegekend, een bedrag van gemeente, provincie en rijk van rond de twee miljoen gulden. De bedoeling is om er een National Centre of Excellence van te maken op het gebied van computergraphics, en animatie als de ingewikkeldste vorm daarvan." Met grote spijt verlaat Seth Shostak met zijn vrouw dit voorjaar Groningen. "Ik moet zeggen: dit is de moeilijkste beslissing van mijn leven geweest. Ik kan er de laatste maanden bijna niet van slapen.

Op het moment dat het bedrijf hier gaat lopen en Groningen op dat gebied een naam krijgt in Nederland en SCAN zich begint te ontwikkelen denk ik steeds: dit kan ik niet doen."

"Terug in Amerika ga ik bij mijn broer werken. Die heeft in Californië een software business.

Nu is hij bezig met software voor computer-graphics in samenhang met database technologie, waar ik nog niet veel over mag zeggen.

Maar je moet je dat zo voorstellen: bij jullie op het Nieuwsblad heb je ontelbare foto's in het archief waar gegevens bij of achterop staan. Die moeten jullie nu opzoeken in mappen, neem ik aan. Maar wat er nu zit aan te komen is de mogelijkheid om in de computer die foto's op te slaan - terwijl je natuurlijk de originelen en negatieven wel bewaart - waardoor je veel sneller toegang hebt tot dat materiaal. Je zit achter je beeldscherm en je hebt die foto van Vonhoff nodig. Nou heb je ontelbaar veel foto's van Vonhoff, maar op je scherm kun je die dan in "no time" op je scherm oproepen en bekijken met de bijbehorende gegevens. Mijn broer en ik willen dat verder ontwikkelen. Binnen drie jaar zal dat in Amerika een doodgewone zaak zijn, in Nederland zal dat wel een stuk trager gaan. Of het een groot commercieel succes wordt weet ik niet. Dat kan me ook niet veel schelen, het onderzoek zelf, het samenwerken met mijn broer en San Francisco vlakbij, dat is voor mij het belangrijkste."

Ervaringen.

"Mijn ervaringen in Nederland?

Ik heb gemerkt dat de verschillen niet zo groot zijn, Nederland is ook een westers land. Als je in Mexico woont heb je te maken met échte verschillen. Maar verschillen, zijn er natuurlijk wel, zowel positieve als negatieve. Het grote voordeel van Nederland is de vriendelijkheid. Alles is aangepast aan de "human size", de menselijke maat. De steden zijn hier leefbaar. In Amerika verkeren de steden in een heel moeilijke positie, ze zijn niet aantrekkelijk om in te wonen, onpersoonlijk. Het is hier heel "relaxed". En het is hier een echte "caring society", dat wil zeggen: het gaat hier om de mensen. Een Braziliaan die ik hier laatst ontmoette zei: Nederland is "the most domestic society I'd ever seen" (de huiselijkste samenleving die ik ooit gezien heb). In Nederlandse films zie je dat ook weerspiegeld: daarin is altijd je dochter "punk" geworden en ze is heel boos op moeder en ze dreigt het hondje te doden, dat soort huiselijke problemen of sexuele moeilijkheden bij bejaarden... prachtig, prachtig. En omdat je als Amerikaan, ook een beetje mens bent begin je dat wel fijn te vinden (lacht). Nadelen weet ik niet zo op te noemen. Maar mijn vrouw stoort het wel dat de Nederlanders haast niet op hun manieren letten. Als je op zaterdag bij V & D boodschappen doet wordt je al snel uit de weg geduwd door mensen die nooit zeggen: pardon, of mag ik even passeren. Je wordt hier soms heel bot behandeld. Het gekke is, dat de Nederlanders dat ook toegeven. Wat dat betreft is het hier het minst chauvinistische volk dat ik ken. Als je ze dat zegt over die botheid antwoorden ze eerst: ja, dat is zo. En vervolgens "We kunnen nog wel botter zijn."

Echt heel merkwaardig. Maar in Groningen is in zoverre een negatieve ontwikkeling gaande, dat ik dertien jaar geleden bij wijze van spreken de deur van mijn flat kon laten openstaan en dat is snel veranderd. Je moet nu voortdurend op je hoede zijn en ook van mij zijn ontelbare fietsen gestolen. Er is iets veranderd in de maatschappij, dat vind ik een beetje triest. Want deze stad is verder zo leefbaar als je maar kunt bedenken."

Eric Bos.