Begrippen 3TL

Hoofdstuk 1

Begroting

Een overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven voor de komende periode.

Budgetteren

Het maken van een begroting. Daarbij stem je de uitgaven af op de inkomsten.

Inkomensvormen:

Koopkracht

De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen.

Nibud

Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. Het Nibud geeft voorlichting over hoe je kunt rondkomen met je inkomen.

Prioriteiten stellen

Vaststellen welke uitgaven het belangrijkst voor je zijn.

Reserveren

Geld opzij zetten (sparen) om hier later onverwachte of grote uitgaven mee te betalen.

Welvaart

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien.

Zelfvoorziening

Zelf producten maken waarmee je voorziet in je eigen behoeften.

Hoofdstuk 2

Chartaal geld

Geld dat je kunt vasthouden; dat zijn dus munten en bankbiljetten.

Consumptief krediet

Een geldlening voor de aanschaf van een duurzaam consumptiegoed.

Creditsaldo

Je hebt geld te goed op je betaalrekening. Je zegt ook wel: ‘in de plus’ staan.

Debetsaldo

Je hebt geld te kort op je betaalrekening. Een negatief saldo noem je ook wel ‘rood staan’ of ‘in de min staan’.

De Nederlandsche Bank (DNB)

De centrale bank die toezicht houdt op de andere banken in ons land.

Elektronisch geld

Geld dat op een chipknip staat.

Eurozone

De EU-landen die de euro als wettig betaalmiddel hebben.

Giraal geld

Geld dat op een betaalrekening staat.

Hypothecaire lening

Een lening voor de aankoop van een huis.

Inflatie

Een algemene stijging van de prijzen.

Krediet

Een ander woord voor een lening.

Kredietkosten

Het bedrag voor rente en andere kosten dat je extra terugbetaalt als je geld geleend hebt.

Kredietvormen

Soorten leningen.

Banken bieden:

Leveranciers bieden:

Provisie (of transactiekosten)

Een bedrag dat je aan de bank betaalt bij het omwisselen van vreemd geld.

Rekeningafschrift

Overzicht van je girale betalingen en ontvangsten en je saldo.

Spaardeposito

Een rekening waarop je geld voor een bepaalde tijd vast staat.

Spaarmotieven

Redenen waarom je spaart.

Variabele rente

Rente waarvan het percentage kan veranderen.

Vreemde valuta

Geldsoort van een ander land.

Wisselkoers

De prijs van vreemd geld. De wisselkoers geeft aan hoeveel vreemde valuta je betaalt of ontvangt voor één euro.

Hoofdstuk 3

Colportagewet

Wet die de consument beschermt tegen ondoordachte aankopen bij verkoop aan de deur, bij verkoopdemonstraties en tijdens verkoopparty’s.

Consumentenorganisaties

Organisaties die opkomen voor de belangen van de consument.

Consumer power

De macht van de consumenten om invloed uit te oefenen op wat producenten verkopen.

Consumentenrecht

De wetten en regels die consumenten beschermen bij de aankoop van producten.

Deugdelijk product

Een product dat bij normaal gebruik naar behoren functioneert.

Doelgroep

Een groep mensen op wie een winkelier of fabrikant zich richt.

Marketing

Alles wat een bedrijf onderneemt om meer te verkopen.

Productinformatie

Informatie over een product, die vermeld staat op de verpakking ervan.

Reclame

Reclame is bedoeld om je aandacht te vestigen op een product of boodschap.

Vergelijkend warenonderzoek

Onderzoek waarbij gelijksoortige producten van verschillende merken met elkaar vergeleken worden. Er wordt gelet op prijs, kwaliteit en milieuaspecten.

Warenwet

Wet waarin regels staan waaraan levensmiddelen en andere producten moeten voldoen, met het oog op de gezondheid en veiligheid.

Wet Koop op afstand

Wet die de consument beschermt bij aankopen via internet, de telefoon of via een postorderbedrijf.

Wet productaansprakelijkheid

Wet die de producent aansprakelijk stelt wanneer een gebrekkig product schade veroorzaakt.

Hoofdstuk 4

Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP)

Een verzekering tegen de financiële gevolgen van schade die je zonder opzet aan anderen toebrengt.

Annuleringsverzekering

Een verzekering die de kosten van de reis vergoedt als deze door onvoorziene omstandigheden niet door kan gaan.

Cascoverzekering

Deze verzekering zorgt ervoor dat er bij diefstal of beschadiging van je scooter of brommer een bedrag aan jou wordt uitgekeerd.

Eigen risico

Een deel van de schade dat niet vergoed wordt door de verzekeraar maar dat de verzekerde zelf betaalt.

Huurovereenkomst

Schriftelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder van een huis.

Inboedelverzekering

Verzekering die de schade dekt die je door brand, inbraak of wateroverlast hebt aan spullen in je huis.

Onderverzekerd

Je huis of inboedel is onderverzekerd als het verzekerde bedrag lager is dan de werkelijke waarde.

Opstalverzekering

Verzekering voor brand- of stormschade aan de woning zelf.

Oververzekerd

Het verzekerde bedrag van je inboedel of huis is hoger dan de werkelijke waarde ervan.

Polis

Het schriftelijke bewijs van een verzekering.

Premie

Het bedrag dat een verzekerde betaalt aan een verzekeringsmaatschappij omdat die de financiële gevolgen van een schade overneemt.

Reisverzekering

Een verzekering die de schade vergoedt die je tijdens een reis kunt oplopen.

Risico

De kans dat de verzekeringsmaatschappij schade moet vergoeden.

Verzekeraar

De verzekeringsmaatschappij.

Verzekerde

Degene die zich verzekert bij een verzekeringsmaatschappij.

Verzekeren

Het overnemen van de financiële gevolgen van een schade van een verzekerde door een verzekeraar.

Verzekeringsvoorwaarden

Overzicht van de rechten en plichten van de verzekerde en de verzekeraar.

Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekering (WA) voor motorvoertuigen

Een verzekering die de schade dekt die je met je motorvoertuig aan anderen toebrengt. Deze verzekering is wettelijk verplicht.

Hoofdstuk 5

Arbeidsintensief

Er zijn in verhouding veel mensen nodig om het werk te doen.

Arbeidsovereenkomst

Afspraak tussen werkgever en werknemer. De werknemer verricht werk, de werkgever betaalt hem daarvoor loon.

Arbeidsproductiviteit

De productie per persoon in een bepaalde tijd.

Arbeidsverdeling

Ieder doet het werk waar hij goed in is.

Bedrijfskolom

Alle bedrijven die na elkaar meewerken aan het eindproduct.

Bedrijfstak

Een groep gelijksoortige bedrijven, bijvoorbeeld de kledingindustrie.

Brutoloon

Het loon dat je met je werkgever hebt afgesproken en waarop nog niets is ingehouden.

Collectieve arbeidsovereenkomst (cao)

Afspraken over de arbeidsvoorwaarden die gelden in een bedrijfstak. De belangrijkste arbeidsvoorwaarden gaan over loon en arbeidsduur.

Concurreren

Bedrijven strijden met elkaar om klanten te winnen, bijvoorbeeld door te zorgen voor lagere prijzen, betere kwaliteit of betere service.

Formele sector

Je werkt in de formele sector als je betaald werk doet waarvoor je een arbeidsovereenkomst hebt en geregistreerd staat bij de belastingdienst.

Flexibel werk

Werk in tijdelijke dienst, als oproepkracht of uitzendkracht.

Informele sector

Niet-geregistreerd werk, zoals onbetaald werk in je eigen huishouden, als vrijwilliger, of zwart werk.

Innovaties

Vernieuwing van producten of productiemethodes.

Kapitaalintensief

Er zijn veel kapitaalgoederen nodig waarmee het werk gedaan wordt.

Maatschappelijke opbrengsten

De voordelen die de samenleving van productie heeft, bijvoorbeeld werkgelegenheid.

Maatschappelijke kosten

Kosten of nadelen die een bedrijf veroorzaakt, maar die voor rekening komen van de samenleving. Bijvoorbeeld milieuvervuiling, geluidshinder of stankoverlast.

Nettoloon

Het loon dat overblijft nadat belasting en sociale premies zijn ingehouden.

Organigram

Een schema dat laat zien hoe een onderneming is georganiseerd.

Toegevoegde waarde

De waardeverhoging van een product die ontstaat door het product verder te bewerken.

Vacature

Een baan waar iemand voor wordt gezocht.

Vakbond

Een vereniging die opkomt voor de belangen van de werknemers in een bedrijfstak.

Wettelijk minimumloon

Het bedrag dat je minstens per maand moet verdienen bij een voltijdbaan.

Hoofdstuk 6

Afschrijving

De jaarlijkse waardevermindering van een kapitaalgoed.

Arbeidsmarkt

Het geheel van vraag naar en aanbod van arbeidskrachten.

Bedrijfskosten

De kosten die een ondernemer maakt om zijn bedrijf te runnen, zoals lonen, kosten van het gebouw, reclame, verzekeringen, vervoer.

Beroepsbevolking

Alle mensen tussen de 15 en 65 jaar die per week 12 uur of meer werken of actief op zoek zijn naar werk. De beroepsbevolking bepaalt het aanbod van arbeidskrachten.

Brutowinst

Het verschil tussen de omzet en de inkoopwaarde.

Brutowinstmarge

Het bedrag dat je optelt bij de inkoopprijs om de verkoopprijs te berekenen.

Btw

Belasting toegevoegde waarde. Een belasting die een winkelier moet optellen bij de verkoopprijs.
Een andere naam voor btw is omzetbelasting.

Conjuncturele werkloosheid

Werkloosheid die het gevolg is van een daling van de vraag naar goederen en diensten.

Consumentenprijs

De verkoopprijs inclusief btw. Dat is de prijs die de klant betaalt.

Frictiewerkloosheid

Nadat je ontslagen bent, heb je even tijd nodig om te solliciteren en een nieuwe baan te vinden.

Geregistreerde werkloosheid

Werklozen die ingeschreven staan bij het UWV.

Inkoopwaarde

Het totaalbedrag dat een bedrijf uitgeeft aan de inkoop van producten.

Markt

Het geheel van vraag en aanbod. De klanten die het product willen kopen, bepalen de vraag. De producten die te koop zijn, vormen het aanbod.

Nettoresultaat (nettowinst of nettoverlies)

Wat er uiteindelijk van de brutowinst overblijft nadat de bedrijfskosten eraf zijn.

Omzet (verkoopwaarde, verkoopopbrengst)

Het totaalbedrag dat een bedrijf ontvangt door de verkoop van producten.
Omzet = afzet x prijs.

Regionale werkloosheid

In sommige gebieden is er meer werkloosheid dan in andere.

Seizoenswerkloosheid

Werkloosheid die ontstaat doordat bepaald werk slechts gedurende een deel van het jaar verricht kan worden.

Structurele werkloosheid

Werkloosheid die ontstaat doordat bedrijven op een andere manier gaan produceren.

UWV

Een instelling van de overheid waar werkzoekenden zich kunnen inschrijven.

Verborgen werkloosheid

Werklozen die niet ingeschreven staan bij het UWV.

Werkgelegenheid

Het aantal banen bij bedrijven en bij de overheid. De werkgelegenheid bepaalt de vraag naar arbeidskrachten.

Hoofdstuk 7

Accijns

Een extra belasting op bepaalde consumptiegoederen om het gebruik ervan af te remmen.

Belastingen

De verplichte bijdragen die burgers en bedrijven aan de overheid betalen.

Collectieve sector

De overheid en de instellingen voor de sociale verzekeringen. De collectieve sector levert diensten en goederen die in principe voor iedereen zijn bestemd en streeft niet naar winst.

Miljoenennota

De toelichting op de rijksbegroting door de minister van Financiën.

Niet-belastingontvangsten

Overige inkomsten van het Rijk, bijvoorbeeld de opbrengst van aardgas en boetes.

Particuliere sector

De bedrijven en burgers. Deze sector is er wel op gericht winst te maken.

Privatiseren

Het afstoten van taken of bedrijven van de overheid naar de particuliere sector.

Rijksbegroting

Overzicht van de inkomsten en de uitgaven die het Rijk het komende jaar verwacht te hebben.

Sociaal minimum

Het door de overheid vastgestelde bedrag dat je minimaal nodig hebt om van te kunnen leven.

Sociale voorzieningen

Aanvullende regelingen op de sociale verzekeringen, die betaald worden uit belastinggeld. Bijvoorbeeld de Wet werk en bijstand en de Wajong.

Sociale zekerheid

De wetten die je recht geven op een inkomen dat voldoende is om van te kunnen leven en op de nodige zorg bij ziekte.

Subsidie

Een geldelijke bijdrage van de overheid, waarvoor je geen tegenprestatie hoeft te leveren.

Verzorgingsstaat

Land met ruime mogelijkheden voor uitkeringen en een overheid die veel geld uitgeeft aan gezondheidszorg, woningbouw en onderwijs.

Volksverzekeringen

Sociale verzekeringen die bestemd zijn voor alle inwoners, bijvoorbeeld de AOW.

Werknemersverzekeringen

Sociale verzekeringen die bestemd zijn voor wie in loondienst werkt of gewerkt heeft, bijvoorbeeld de WW en de WIA.

Hoofdstuk 8

Contingentering

Een beperking van de hoeveelheid die mag worden ingevoerd.

Europese Monetaire Unie (EMU)

Zestien EU-landen die dezelfde munteenheid hebben: de euro.

Exporteren

Het verkopen van goederen en diensten aan buitenlandse bedrijven en personen.

Exportsubsidie

Geld dat de overheid geeft aan bedrijven die exporteren, zodat zij hun producten voor een lagere prijs kunnen verkopen.

Fair trade

Eerlijke handel. De bevolking in een ontwikkelingsland krijgt een eerlijke prijs voor zijn producten. Ze krijgen betere werkomstandigheden en kinderarbeid verdwijnt.

Handelsbalans (of goederenbalans)

Een overzicht van de exportwaarde en de importwaarde van goederen.

Importeren

Het kopen van goederen en diensten uit het buitenland.

Inkomen per hoofd van de bevolking

Het gemiddelde inkomen per inwoner van een land.

Internationale arbeidsverdeling

Landen maken die producten waarin zij het best zijn of die ze het goedkoopst kunnen maken.

Internationale handel

Kopen van of verkopen aan bedrijven in het buitenland. Importeren en exporteren.

Invoerrechten

Belasting die je moet betalen als je een product invoert.

Monocultuur

Als een land voor zijn export afhankelijk is van de opbrengsten van één of enkele producten.

Nationaal inkomen

Het totaal van de inkomens van alle bewoners van een land.

Noodhulp

Hulp op korte termijn die bestaat uit voedsel, tenten of medicijnen.

Ontwikkelingsland

Een land met een economische achterstand, waardoor er veel armoede is, een slechte gezondheidszorg en gebrekkig onderwijs.

Protectiemaatregelen

Maatregelen van een land om de productie en werkgelegenheid in het eigen land te beschermen tegen concurrentie uit het buitenland.

Ruilvoet

De verhouding tussen de prijs van exportgoederen en de prijs van importgoederen.

Structurele hulp

Hulp op lange termijn die gericht is op het zelfstandig worden van ontwikkelingslanden.

Vicieuze cirkel

De oorzaak van het ene probleem is een gevolg van een ander probleem. Zonder hulp van buitenaf kun je zo’n probleem niet oplossen.

Vrijhandel

Er zijn geen belemmeringen in de handel tussen verschillende landen.