De Maane / De Mijne

Dat daar is de mijne, dat zie je aan z’n mond.

Het is me er eentje, kattenkwaad de klok rond.

Hij kan een mens bekijken, zijn mond staat nooit stil en voor een ‘neen’ zal hij niet wijken.

Hij heeft een ijzersterke wil.

Hij is de zoon van de zoon van m’n vader.

Hij heeft de stalen ogen van z’n ma.

’t Is een rebel, een deugniet, maar zo eerlijk als goud.

Ik hoop dat hij rijk wordt en oud.

En dat is onze prinses, dat is me er eentje.

Ze droomt al tijdens haar balletles van haar prins op het galabal.

Dat kind zit vol trucjes, haar mond staat nooit stil.

Wie haar pest, die geeft ze klappen.

Ze heeft een ijzersterke wil.

Zij is de dochter van de zoon van mijn ma.

Dezelfde vette lach als haar pa.

’t Is een rebel, een deugniet, maar zo eerlijk als goud.

Ik hoop dat ze rijk wordt en oud.

En dat daar is de kleinste, dat is een grappig ding.

Je zou ze soms verwensen maar je kunt er niet kwaad op zijn.

Als ik me kwaad maar omdat ze tegenspreekt dan weet ik dat het haar niet zal raken maar dat het mijn eigen hart breekt.

Zij is de dochter van de zoon van m’n pa.

Dezelfde stoute blik als haar ma.

’t Is een rebel, een deugniet, maar zo eerlijk als goud.

Ik hoop dat ze rijk wordt en oud.