CSI

Afgelopen zondagavond was het thema Christ Scene Investigation. Iedereen die de serie CSI (Crime Scene Investigation) een beetje kent, weet dat het draait om een team van de technische recherche die de ware toedracht zoekt van een misdaad op basis van sporenonderzoek. In ons thema gaat het erom te onderzoeken wat de gevolgen zijn van het feit dat wij door het werk van Jezus Christus familie van God geworden zijn. 


Wanneer je leest dat Petrus beweert dat we voldoende kracht hebben gekregen om voor God te gaan en dat God beloftes deed waardoor je '...u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur.'1 , zie je een glimpje van Gods Missie. Hij wil de Vader zijn van een groot gezin met Jezus als oudste broer, want dat is uiteindelijk onze bestemming.2  Paulus omschrijft deze nieuwe identiteit ook als nieuwe schepping.3

De toespraak van Anne Velema over onze identiteit benadrukte dat ook heel goed: Wees je bewust van je identiteit in Jezus. Ontdek wie je in Gods ogen werkelijk bent. Het is Gods Missie om een groot gezin te hebben, maar deel van die missie is onze rol daarin. God gaat er namelijk vanuit dat we ons leven steeds meer laten bepalen door deze nieuwe identiteit.4 En, zoals Anne ook benadrukte, ons nieuwe gedrag is gevolg van onze nieuwe identiteit en niet andersom: Wanneer je je goed gedraagt, neemt God je aan als zijn kind. Het leven met God begint door genade en groeit door genade verder.5

Identificatie met Jezus: Heiliging

Jezus kwam om onze zonden weg te nemen. Niet als doel op zich, maar als middel om ons weer in relatie met de Vader te brengen. Om oudste broer van een groot gezin te worden en om ons te vervullen met zijn Geest. Hij kwam het koninkrijk van God brengen en wij zijn er burgers van. Maar Jezus kwam niet alleen om zonden weg te nemen, Hij kwam ook om ons te laten zien hoe wij als burgers van het nieuwe Koninkrijk kunnen leven: Hij is ook ons voorbeeld om na te volgen.6 Zijn manier moet de onze worden. We moeten ons met Hem identificeren: What Would Jesus Do?


Dit thema zal vooral gaan over onze mentaliteit naar buiten toe. Met andere woorden: Hoe kan ik leven vanuit mijn nieuwe identiteit. In de Bijbel wordt dit proces van steeds meer lijken op Jezus omschreven met het woord heiliging.  Het woord heiliging heeft voor veel van ons een beetje een negatieve bijklank. We denken al snel aan termen als 'heilig boontje' en aan een levensstijl die saai en weinig uitdagend is. Door het woord heiliging te lezen als steeds meer op Jezus lijken krijg je er misschien een gezondere kijk op. Door steeds meer te lijken op Jezus lijk je ook steeds meer op God de Vader.7 Daarom zei God ook: 'Wees heilig! Want ik ben heilig!'8 Hiermee zegt God eigenlijk: 'Lijk op Mij, want de wereld kijkt naar jullie en trekt haar conclusies over Mij.'


Het is toch ook een enorm voorrecht: Jij bent behalve kind van God, broer of zus van Jezus ook nog eens een van zijn vertegenwoordigers op aarde.9 Of je het dus door hebt of niet: Jij bent een zendeling. Je bent gestuurd door Jezus: Ik vraag niet of u hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of u hen wilt beschermen tegen de duivel. Ze horen niet bij de wereld, zoals ik niet bij de wereld hoor. Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid. Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden.10 


Nu weet God echt wel dat wij niet van die geestelijke krachtpatsers zijn. Daarom heeft hij ons zijn Geest gegeven.11 Wanneer we er serieus voor gaan kunnen we er telkens vanuit gaan dat zijn Geest ons helpt.12

Met die beloften kunnen we dus uit onze huizen komen en uit onze kerkgebouwen en de wereld ingaan13 en daar in navolging van Jezus ons dienstbaar en liefdevol opstellen, zodat we een brief van God voor andere mensen zijn.14


Bijbelteksten voor het bovenstaande gedeelte:

 1. 2 Petr 1:3,4

 2. Rom 8:29

 3. 2 Kor 5:17; Gal 6:15

 4. 1 Kor 3:1-4; Hebr 5:11-14

 5. Ef 2:1-10; 1 Kor 15:10

 6. 1 Petr 2:21-25; 1 Joh 2:3-6

 7. Joh 14:9

 8. Lev 19:2; 1 Petr 1:16

 9. 2 Kor 5:20

10. Joh 17:15-18

11. 1 Thes 4:1-8

12. 2 Kron 16:9a; Hebr 11:6

13. Matt 28:18-20

14. 2 Kor 3:3